Gerard - 27 engeland (2)

Voor zijn eerste reis naar Engeland schreef Gerard Reve verschillende rederijen aan; hij wilde zo goedkoop mogelijk het Kanaal over. In eerste instantie reageerde er niet een rederij, maar via via wist hij het adres van een exporteur te bemachtigen die hem voor vijf gulden per dag wilde overvaren. Die eerste tocht heeft hij beschreven in het verhaal ‘Lof der scheepvaart’ in ‘Tien vrolijke verhalen’. Daarin geeft hij ook precies aan wat zijn doel is: hij wil zich zo in de landstaal bekwamen dat hij in het Engels kan schrijven.

Als Gerard zich iets heeft voorgenomen, doet hij dat ook eens. Al heel vroeg beweerde hij uit Nederland weg te willen; dat is hem gelukt. Al heel jong zei hij een andere naam te willen; hij stoorde zich vooral aan die ‘Van ’t’ Reve, wat fout was. Gerard zei dan altijd: 'Van Tut Reve, Van Tut Reve, ik ben niet Van Tut Reve.’ Ook daaraan heeft hij zich gehouden. Zo heeft Gerard inderdaad in het Engels geschreven en gepubliceerd. Zelfs met succes. Hij stuurde zijn verhaal 'The Acrobat’ op naar The Paris Review, destijds een gezaghebbend Engels literair tijdschrift. De redactie nam het verhaal op, meende zelfs dat het ’t beste verhaal was dat zij de laatste jaren had ontvangen.
Algemene literatuurwetenschap moet worden opgeheven?
Anderhalf jaar later publiceerde hij in hetzelfde tijdschrift het verhaal 'Gossamer’. Zelfs aan zijn ouders schreef hij inmiddels in het Engels: 'I wish, Hanny could come and join me for a week, but its too expensive and we had better save money for the summer-vacation. Probably I shall manage with the money very well. The Paris Review had already paid me, sending the money here, so that I won’t have to declare it in Amsterdam, and not have to pay tax on it. I can say that my stay here has been a great success so far; the trouble in London is that the cheap neighbourhoods are extremely smoky, dusty and unhealthy to live in. But living in Kensington, amidst the most beautiful, large parks (where spring already has begun) in the fresh, western air, and doing one’s shopping in the centre of the city is a good combination.’ (Februari, 1954)
The Paris Review had zijn internationale doorbraak kunnen betekenen. Het is onbekend of Gerard zijn verhalen aan een Engelse of Amerikaanse uitgever heeft aangeboden. Volgens wijlen Johan Polak had Gerard zeker kansen gehad een gevierd Engels auteur te worden als hij daadwerkelijk in Engeland zou zijn gebleven en zich daar meer met het literaire leven had bemoeid. Zijn Engelse boek 'The Acrobat and Other Stories’ verscheen in 1956 bij uitgever Van Oorschot. (In de Engelse editie staat een motto dat helaas in de Nederlandse vertaling uit 1963 is weggelaten: 'Time, Cash, Strength, Patience.’ Tevens blijkt het boek opgedragen 'to my parents’.)
Er wordt wisselvallig op het boek gereageerd. Engels critici noemen het Engels correct, Nederlandse recensenten sabelen het boek neer om het krukkige Engels:
P. H. Hawinkels: 'Het is ontzettend slecht Engels.’
'It’s certainly not something for me’, citeert Max Schuchart in Het Vaderland.
'The English is correct and clear’, beweert S. Carter in Literair Paspoort.
En toch had Gerard die doorbraak kunnen maken. In 1964 ontmoet Henk Romijn Meijer in San Francisco Max Steele, de redacteur van The Paris Review, die vraagt of hij Gerard kent: 'Zijn verhalen kwamen voor ons precies op het goede moment, ze waren precies wat wij zochten.’
Als Gerard voor de British Drama League een cursus toneel mag volgen en daarvoor drie maanden in Londen verblijft, is het tobben, hoewel hij tegenover zijn ouders mooi weer blijft spelen. Van Chepstone Road verhuist hij naar Regent Park Square en weer later naar een zijstraatje in Kensington High Street. Hij moet een baantje aannemen in het hospitaal. Hij zelf schrijft daarover dat hij werkte als 'assistent-doodgraver, als aflegger van doden en als hulpkracht in het bedrijf van een Londense balsemer van lijken, waar de spanning zo formidabel was, en waar zulk een mateloos leed de deur in en uit ging, dat niemand op de gedachte kwam om mij, ondanks mijn zeer overtuigende uniform, dat voor een bioscoopportier bepaald niet onder deed, ooit een fooi te geven.’
Gerard is dan al 'belijdend homoseksueel’. In 1952, rond Pasen had hij zijn eerste homoseksuele ervaring.
In de winter van 1952 tot het najaar van 1953 heeft hij zijn eerste grote liefdesaffaire met een man. Niet met Wimie. Van die man weten we alleen dat hij op 2 mei is geboren, maar het jaar weten we niet, aldus een brief die Gerard ooit schreef aan Josine M. Het huwelijk met Hanny werd in die periode de jure verbroken maar zou feitelijk pas in 1959 worden ontbonden.
In 'Oud en eenzaam’ beschrijft hij niet alleen zijn homoseksuele escapades in Londen, maar tevens doet hij het voorkomen alsof hij bovendien een verhouding met een actrice heeft bij wie hij zelfs in huis gaat wonen. We kunnen er rustig van uitgaan dat dit klopt, aangezien de schrijver zelden of nooit over zulke feiten in zijn boeken liegt. In Engeland heeft hij tevens een verhouding met de acteur John Breslin. In 'Oud en eenzaam’ heet John Breslin Jacky Beskeen. Van de vrouw weten we alleen dat Gerard haar Jane noemt.
Het boek geeft een mooi beeld van die armoedige Engelse tijd: 'Jacky moest dood en Jane was lief, maar als het andersom was, wat zou het dan uitmaken? Ik zou eenendertig jaar oud worden, dit jaar, en ik had een boek geschreven, dat eigenlijk nergens over ging dat was alles. En ik was een flikker, die zich nog heel wat verbeeldde omdat hij het ook met een vrouw kon ja, als hij daarbij gedachten en beelden opriep die hij niemand ooit zou kunnen toevertrouwen, maar die de vloek vormden die op zijn leven rustte.’
Misschien is zijn tijd in Engeland het beste samen te vatten door de alinea te citeren waarin Gerard zijn wil met Jane doet:
'Haar vrouwelijkheid scheen zich nu heel even te ontspannen, om daarna mijn deel met nog grotere kracht te omklemmen. Ze uitte een schreeuw, en haar lichaam kronkelde als dat van een geboeide gevangene die gemarteld werd. Het was een derde etappe, de sprong van de hink-stap- sprong der liefde, die haar nu optilde. Ik spoot in haar. (…) Het volgende ogenblik lagen wij beiden weer stil. Haar lippen bewogen, eerst zonder geluid, terwijl zij mij aankeek. “Gerard,” zei ze. In haar ogen stonden tranen. Ik had het gevoel dat ik, misschien omdat ik een schrijver was, nu zelf terecht was gekomen in een colportageroman.’
(Wordt vervolgd)