Gerard - 28 wimie

Kort voor zijn dood vertelde Johan Polak, naar aanleiding van enkele problemen die hij had met de huidige liefdesvriend van Gerard Reve: ‘De enige echte man van wie Gerard werkelijk heeft gehouden, was Wim.’ Wim J. Schuhmacher (1933-1983) ontmoette Gerard op 1 december 1952. De affaire met de Twee-Meiman - zoals Gerards onbekende eerste geliefde vanwege zijn geboortedatum in de literatuur bekend staat (ook wel de Paasvriend genoemd) - is dan net afgelopen.

Het Engelse avontuur is in volle gang. De armoede schrijnt. En Gerard weet weliswaar dat hij homoseksueel is, maar kan toch geen harmonie vinden. ‘Eigenlijk is mijn leven een eindeloze strijd tegen de chaos geweest’, schrijft hij in 1963, als zijn Engelse avontuur voorbij is. 'Nu pas, de laatste paar jaar, kan ik inzien dat ik uit twee tegengestelde karakters besta, die elkaar eerder naar het leven staan dan aanvullen. Toch zullen ze, door inzicht en bezwering, wil en geduld, bij een bepaalde constellatie samen een artistieke prestatie gelijkelijk kunnen inspireren.’
De verhouding met Wim is inmiddels afgelopen. Wie de Brieven aan Wimie leest - die de jaren 1959 tot 1963 omvatten - kan niet anders concluderen dan dat de liefde tussen Gerard en Wimie hartstochtelijk was.
Het is dan ook des schrijvers mooiste brievenboek. En interessantste, omdat het een scherp beeld schetst van de ontwikkeling van zijn stijl. Hoe hij zijn geheime geilheid (het revisme), zijn nieuwe leven, zijn religieuze gevoelens en zijn verleden probeert te verwerken in een stijl die pas met de publikatie van de brievenboeken Op weg naar het einde en Nader tot U aan den volke werd getoond.
Revisme tegenover Wimie: 'Heel veel beten en klapjes op je Boesboes smalle suede leren jongensbilletjes waar ik in zal voelen met een hand terwijl ik met de andere je lul zal afdraaien om te horen dat je van mij bent en niet de moed hebt naar een andere jongen te kijken. Ik zal je wurgen, doodsteken, brandmerken met al de letters van mijn naam op je fijne ruggetje, je borst je goddelijke smoel dat net zo brutaal begint te kijken als op de kinderfoto van het dubbelluikje van plastic. Veel kussen en beten van je man, meester, eigenaar en geselaar.’ Aldus de eerste brief van Gerard aan Wimie.
In een andere brief aan Wimie, als hij net heeft verteld dat hij gonorroe blijkt te hebben en Wim vraagt zijn 'Fransje’ in de gaten te houden, schrijft hij: 'Misschien moeten we inderdaad de sprookjesvertellerij afschaffen, voordat het mijnerzijds een verslaving wordt.’ Het sprookjesvertellen (dat later in verschillende vormen terugkeert) was voor Gerard een afrodisiacum dat altijd werkte. Het wekt de indruk dat hij in die jaren (1959-1960) met een inhaalmanoeuvre bezig is.
Hij is en blijft extreem zuinig, evenals zijn geleerde broer. Een anekdote, opgetekend door Nico Scheepmaker. Gerard woonde, als hij niet in Engeland was, op de Oudezijds Achterburgwal 55 (van 1957 tot 1963) in een huis 'waarin voortdurend nog veel gedaan moest worden’. Scheepmaker: 'Gerard maakte zich bezorgd over de stroomkosten van de lamp die boven de trap hing en die van de voordeur naar zijn woning voerde. Hij verving de lamp door een langs de trapleuning gespannen elektrische draad met enkele fietslampjes, stak die aan, tuurde naar de schijf in de lichtmeter die niet leek te bewegen, en riep toen triomfantelijk uit: “De lichtmeter is onmachtig het aan te geven!”’
In 1959, als het huwelijk tussen Hanny en Gerard officieel is ontbonden, zijn Gerard en Wimie nog samen naar Engeland gegaan om te kijken of ze in Londen zouden kunnen wonen. Ze blijven er de gehele maand september. Ze zien veel toneel. Gerard volgt alles. Om aan de kost te komen schrijft hij voor Tirade recensies. En natuurlijk wil hij zelf ook een toneelstuk schrijven. En proza.
In 1957 verschijnt in Tirade een Nederlandse versie van het eerste gedeelte van wat de roman In God We Trust moet worden. ('Gerard Kornelis van het Reve, bezig aan de roman In God we Trust, waarvan in dit nummer het tweede hoofdstuk wordt gepubliceerd, in de Nederlandse versie, houdt zich voor commentaar van zijn lezers aanbevolen en verneemt gaarne hun wensen terzake de verdere lotgevallen der romanfiguren. Brieven hieromtrent dienen te worden geadresseerd aan het Genootschap van Van het Reve’s Literaire Ethische Geschriften p/a Simon Vinkenoog, Herengracht 292, Amsterdam-C. f2,50 aan postzegels dienen te worden ingesloten, indien de briefschrijvers een persoonlijk geschreven antwoord van de auteur wensen te hebben.’) De hoofdstukken laten zich lezen als een vervolg op Werther Nieland - met meer nadruk op het sadisme.
Maar die roman komt niet van de grond, al beweert de auteur in vraaggesprekken dat hij het karwei heeft geklaard. Tegenover Jesserun d'Oliveira: 'Dat is helemaal klaar, dat ligt ingepakt in paktouw, het is helemaal klaar, er is vlees en huis, maar de geest ontbreekt, als je begrijpt wat ik citeer, nee he. Ezechiel 37. Ik had het nog weer eens opnieuw bekeken en ik heb gedacht: misschien kan ik het met een kleine verandering van hoek, zoals dat heet, dienstbaar maken, maar dat is toch niet zo; er zit wel materiaal in, hoor. Maar jongen, ik heb zoveel gemaakt wat nooit afgemaakt is. Wat ik gemaakt heb is de punt van het ijsbergje hoor, werkelijk.’
Inderdaad, de aangekondigde roman De brand (1948) is nooit verschenen, evenmin als het boek De drie soldaten (1958). Vele wel voltooide maar ongepubliceerde romans en toneelstukken zouden volgen. Al wordt het thema steeds zichtbaarder, de definitieve stijl ontbreekt nog.
Wel heeft Gerard in het Engels in 1960 een opmerkelijke novelle geschreven, A Prison Song in Prose, waarin zowel het revisme als de typisch revistische humor duidelijk herkenbaar zijn. “'You’ll speak soon,” he whispered, stroking Allan’s hair and pushing clumps of it, moistened with sweat, from his forehead. He lifted the whip and aimed for a very long time, changing his position a few times before he swung his arm down, cutting the fine skin of both scrotum en penis in one blow. He paid no attention to the ear-rending, animal yelling that rose from the boy’s lips, but his organs five more times before stopping. Then he bent over and brought his face right above the boy’s. “Anything to tell,” he asked.
“I… those boys… I’ll tell you… I know them…,” Allan whispered, “I’ll tell you.”’
Verraad, angst, revisme, het paradoxale van zijn leven, humor - het zit er allemaal in. Gerard vindt zelf dat hij de juiste toon nog niet heeft. Zijn leven zit hem nog te veel in de weg. Wimie en hij krijgen steeds meer ruzie. Het schrijven in het Engels is een financiele mislukking geworden - en dat is de reden dat Gerard terugkeert tot z'n moedertaal. Hij besluit het toneel te verkennen. Ten slotte had hij daarvoor in Engeland een cursus gevolgd.
(Wordt vervolgd)