Gerard - 30/eerste liefde

Wie is de allereerste vriend van Gerard Reve over wie hij tot op heden heeft gezwegen? De Paasvriend, de vriend die hij koesterde voor Wimie - die nog steeds als zijn eerste verloofde te boek staat? Wie is die vriend die hem heeft binnengeleid in de wereld van de homoseksualiteit?

Er is geen Nederlands auteur die zo veel over zijn eigen leven vertelt als Gerard. Maar hij weet ook op gepaste tijden te zwijgen. Daar is altijd een reden voor. Voorbeeld. In die jaren vijftig, begin jaren zestig hield hij regelmatig lezingen. Altijd kreeg hij de vraag of hij Frits van Egters was.
Een ooggetuige uit die tijd herinnert zich dat hij die vraag eens in Pulchristudio in Den Haag met een volmondig ‘ja’ beantwoordde, hoewel hij allemaal nuanceringen aanbracht. Maar twee maanden later in Amsterdam beantwoordde hij diezelfde vraag met een 'nee, hoewel de hoofdpersoon uiteraard wel overeenkomsten vertoont met mijzelf’.
Gerard wilde zich duidelijk niet blootgeven in die tijd. Hij was nog zoekende, al wist hij niet naar wat.
Mystificeren, zichzelf verbergen, is altijd al een geliefde bezigheid van Gerard geweest. Niet zonder reden: eerst moest hij verbergen dat hij communist was, later dat hij homoseksueel was, weer later dat hij katholiek wilde worden, dat hij alcoholist was, dat hij mensen op een nietsontziende manier begeerde et cetera.
Veertig jaar later kunnen we 'De avonden’ rustig beschouwen als een vorm van autobiografie. De ouders waren zoals Gerard ze beschreef, de vrienden bleken allemaal werkelijk te bestaan, evenals de locaties en de gebeurtenissen. Er was wel sprake van enige verschuiving ten opzichte van de werkelijkheid, maar geen noemenswaardige.
Gerard is op het kruispunt van de jaren vijftig en zestig een depressieve jongen, die niet goed weet wat hij wil. Voor enkele vragen heeft hij oplossingen gevonden. Zijn contactgestoordheid wijt hij voor een deel aan zijn opvoeding en zijn homoseksualiteit. Hij zit nog steeds gevangen in de paradox van wat hij wil en hoe dat moet. Hij wil kunstenaar zijn, schrijver zijn, maar heeft tegelijkertijd een hekel aan de schrijfluizen en de kunstenaars, zoals zijn alter ego Frits eigenlijk niets liever wil dan een zijn met zijn vrienden, maar dat niet kan. Of zoals hij graag van zijn ouders wil houden, maar ook dat niet kan.
Tijdens zijn huwelijk in de jaren vijftig doet hij verwoede (en geslaagde) pogingen om een rol te spelen in het zenith van het Amsterdamse culturele leven, want iets van snobisme is hem niet vreemd. Hij bezoekt salons, zoals we kunnen lezen in Harry Mulisch’ polemische pamflet 'Ironische van de ironie’. Nog aardiger heeft Henk Romijn Meijer Gerards rol getekend tijdens de Letterkundige Salons van mejuffrouw Frielink in de Valeriusstraat te Amsterdam. Henk Romijn Meijer: 'Het literaire gedeelte van de avond begon om een uur of negen. Gerard leidde het gebeuren. Hij noemde een paar lezers en stelde na een uur een korte pauze voor van vijf a zes minuten. In die pauze sprak Hanny iemand die zich een mening veroorloofd had, weergaloos tegen. Gerard vond het wel leuk, dat geschetter. Hij kwam op haar toe en legde even zijn handen op haar schouders. “Ik heb een intelligente vrouw,” zei hij.’
Romijn Meijer verhaalt van een gepensioneerde leraar klassieke talen ('witte snor, witte sik en een vrouw die breeduit in zijn buurt zat in een pikzwarte japon’) die zijn verzameld werk in zijn schooltas bij zich droeg en daar lang uit voorlas. 'Al gauw nadat de leraar zijn tas had ontsloten, werd onze bank in de achterkamer een schoolklas. De kwatrijnen gaven ons eerst onderdrukt en daarna onhoudbaar de slappe lach, ook al gingen ze over het Leven. Gerard had zich keurig beheerst en hij leidde de discussie waardig. Hij zei dat hij de vertalingen heel erg mooi had gevonden, de betekenis mooi weergegeven, het ritme, de klank. “Maar wat ik mis is de continui"teit,” hield hij ons voor en zijn arm maakte een verklarend gebaar. “De continui"teit,” herhaalde hij, bij wijze van verduidelijking. “Wel,” zei de dichter en ging zwaar verzitten, “Voordat ik ze aan iemand liet zien, heb ik ze aan mijn vrouw voorgelezen, want ik heb een goede critica in mijn vrouw…” “Beter een critica in de hand dan tien in de lucht,” zei Gerard begrijpend en daarop liep de discussie spaak. Bij de wanorde die volgde trok de dichter eindelijk een beteuterd gezicht.’
Romijn Meijer vertelt ook dat in die jaren vijftig 'de literaire tijdschriften vol’ stonden over Gerard. Waarschijnlijk bedoelde hij het zesde nummer van Podium (maart '48) dat in zijn geheel gewijd was aan 'De avonden’. Redacteur Fokke Sierksma had zich nogal gee"rgerd aan de bespreking van het boek door Simon Vestdijk in Het Parool en wilde dat corrigeren. Sjoerd Leiker schrijft in datzelfde Podium een stuk waarin hij elke gebeurtenis in 'De avonden’ vergelijkt met een rubriek uit de krant: 'Ieder hoofdstuk weerspiegelt de inhoud van een avondeditie (…). Vriend Maurits vertegenwoordigt in deze krant de rubriek kleine misdaad. Zaterdag, de 28ste, heeft een rubriek Kunst, een stevige borrel op de Kring, die opgaat onder de titel “Een gedenkwaardige avond.” De radio komt er -overigens terecht - bekaaid af. De rubriek Sport is verwaarloosd. De moeder maakt er nog eens een opmerking over.’
Zelf is Gerard later redacteur van Tirade en tevens schrijft hij voor het blad Criterium. In die jaren vijftig bestonden de grote vier niet uit Reve, Mulisch, Hermans en Wolkers, maar uit Reve, Hermans (met 'De tranen der acacia’s’, 1949), Anna Blaman (met 'Eenzaam avontuur’, 1948) en -destijds de belangrijkste - Louis Paul Boon (met 'Mijn kleine oorlog’, 1947). De invloed van 'De avonden’, hoewel niet meteen te merken in de oplagecijfers, was zeker tien jaar na de eerste uitgave nog steeds niet uitgewerkt. Romijn Meijer signaleert dat je in die jaren vijftig studenten in cafes nog steeds kon horen citeren uit 'De avonden’ en dat men probeerde te praten zoals in 'De avonden’ werd gedaan.
Er zijn veel zaken die de schrijver verzwijgt. Zijn avonturen in de oorlog. Zijn huwelijk. En hij heeft ook gezwegen over die allereerste vriend.
Om welke reden? Waarschijnlijk omdat zijn eerste vriend een bekende was in het culturele leven in Nederland.
Wellicht ook omdat zijn eerste vriend - een jaar ouder dan hij - even schuchter was als hij.
Misschien omdat zijn eerste vrriend eveneens een schrijver en een dichter was.
Het kan ook zijn omdat zijn eerste vriend geen Nederlander was maar Amerikaan.
Wat weten we over hem?
Dat hij op 2 mei geboren is, aldus vertelt Gerard aan Josien M. En dat hij in de 'winter 1952 tot driekwart jaar later’ een 'grote liefdesaffaire’ met deze man beleefde. Deze man is de dichter en vertaler Jim Holmes. (2-5-1924-6-11-1986)
(wordt vervolgd)