Gerard - 31 jim

Voor het verhaal over de eerste vriend van Gerard Reve moeten we terug naar het jaar 1951. Gerards ‘eerste grote tragische liefde’ was namelijk James (Jim) S. Holmes. Jim was een Amerikaan die in 1949 naar Nederland was gekomen. Hij had een Fullbright-beurs gekregen om hier een jaar te studeren. Oorspronkelijk kwam hij uit Iowa. Jim was quaker. ‘We hebben daar altijd in kleine gemeenschappen gewoond, eerst van vijfhonderd en later van zo'n tweehonderd mensen.’ Hij ging naar het William Penn College om Engels te studeren. Van dat College kreeg hij de werkbeurs voor Nederland.

In Nederland verbleef hij aanvankelijk in de provincie, in Ommen, maar in 1950 vertrok hij naar Amsterdam, waar net de sfeer van ‘alles zoop en naaide’ was ontstaan, en die zorgde ervoor dat Jim z'n geld sneller opmaakte dan de bedoeling was. Hij besloot daarom maar in Amsterdam zijn domicilie te kiezen.
Jim vond snel aansluiting bij de Nederlandse schrijvers en dichters. Hij leerde er ook snel zijn vriend Hans van Marle kennen, met wie hij zijn hele leven samen zou blijven.
Jim was zelf ook dichter en niet eens een onverdienstelijke. Hij had in Amerika regelmatig gedichten gepubliceerd en ging daar in Nederland mee door.
De eerste schrijver die hij in Nederland ontmoette, was Adriaan Morrien, destijds redacteur van Literair Paspoort. Via Adriaan leerde hij vervolgens Schierbeek, Gerrit Kouwenaar, Sybren Polet en uiteindelijk ook Gerard Reve kennen.
In de maand dat hij Gerard leerde kennen en met hem naar bed ging, dichtte hij: 'skipped through my night/ like seabirds waddling on the water’s top/ and never broke through.// surface tension can support a pin/ (remember high-school physics),/ a penny, or a light-weight happiness.// Down under, where you never dived to,/ algae and stinging crabs and seaworms twist/ and eight-armed instincts you would call a soul.’
Of het gedicht met Gerard te maken heeft, is onzeker. Bij de aantekeningen - Jim heeft altijd nauwgezet aantekeningen van alles bijgehouden, hij was ten slotte wetenschapper - schreef hij: 'Written in April 1951 in Amsterdam.’ In die tijd -maart 1951- schreef Holmes ook een 'Amsterdam Suite’, opgedragen aan ene Schmoll. De tekst is sterk geinspireerd door Van Ostaijen, vandaar dat hij moeilijk te citeren is. Holmes zegt in zijn noten bij het gedicht dat het over een 'gay guy on the cruise’ gaat, maar dat haal je er niet meteen uit. Of Gerard hiermee wordt bedoeld, zullen we ook nooit weten.
Hoe dan ook, in 1951 vraagt Gerard aan Jim of hij hem wil helpen met de novelle 'Melancholia’. Hij vraagt Jim het Engels na te kijken. Jim Holmes in 1985 in Folia Civitatis: 'Met Gerard heb ik in 1951 veel samengewerkt aan zijn novelle “Melancholia”, je weet wel, dat Engelse verhaal met die aftrekscene, waar toen zoveel gedonder over is geweest met minister Cals. (…) Gerard en ik werkten samen aan dat verhaal en op een gegeven moment hebben we het gedaan. Ik denk dat ik in die tijd net iets verder was dan Gerard. Hij kon er alleen met mij over praten. Hij was er nog erg mee bezig, durfde er nog niet zo voor uit te komen. Destijds zei je dat soort dingen ook nog niet zo openlijk tegen je vrienden.’
Gerard was toen nog getrouwd met Hanny. Regelmatig gaan Hanny, Gerard en Jim samen uit. Gerard doet zijn debuut 'De avonden’ in die tijd af als 'journalistiek’.
De liefde tussen Jim en Gerard zou niet erg lang duren, maar ze konden het goed vinden met elkaar. Over Gerard zei Jim tegen Henk Romijn Meijer: 'Ik denk dat hij eigenlijk een gewone romanticus is, alleen is de manier waarop het eruit komt heel anders en ik denk dat dat waardevol is voor Nederland.’ Henk Romijn Meijer voegt er aan toe: 'James Holmes zei dit in een tijd waarin de romantiek nauwelijks mocht worden genoemd, zo'n dertig jaar voordat Reve min of meer officieel als “decadent romanticus” zou worden geboekstaafd.’
James ging zich in Nederland toeleggen op het vertalen. Het dichten raakte daardoor op de achtergrond maar bleef bestaan. Hij publiceerde onder andere in Braak, maar ook in Amerikaanse tijdschriften als Approach, waarvoor hij 'Onze correspondent in Nederland’ werd.
Pas in de jaren zeventig begon James homo-erotische poezie te schrijven. James verdiende de kost als vertaler en vertaalwetenschapper. In 1955 kreeg hij als eerste de Nijhoff-prijs.
Jim was een aardige man. Ik leerde hem een jaar of vijftien geleden kennen via Kees Aarts, bij wie hij zijn dichtbundels uitgaf. Hij kleedde zich toen al helemaal in het leer. Aan zijn riem hingen handboeien. Voortdurend maakte ik daar grappen over tot hij mij tijdens een dichtersavond in Paradiso daadwerkelijk in die handboeien sloot en mij zo een uur lang aan mijn lot heeft overgelaten.
Je kon met hem lachen. Kees Aarts en ik bezochten hem wel eens in zijn huis op de Weteringschans, waar dan veel jongens om hem heen zaten. Niet zelden waren het jonge dichters wier werk James in het Engels vertaalde. Dat leverde wel eens een misverstand op. Zo vertaalde James eens de sonnetten van Ron Mooser. Daar werd een boekje van gemaakt met op de linkerpagina het gedicht van Ron en rechts de vertaling van Jim. Een recensent van een krant heeft toen eens opgemerkt dat de Nederlandse vertalingen van de prachtige sonnetten van James Holmes bijzonder slecht waren.
James Holmes heeft generaties vertalers beinvloed. De Nederlandse vertaalkunde dankt haar reputatie voor een groot deel aan hem.
In 1970 verruilde Jim zijn baan van vertaalwetenschapper voor die van algemene literatuurwetenschapper. In die hoedanigheid bemoeide hij zich intensief met de homostudies. Hij meende dat de literatuurwetenschap buitengewoon anti- vrouw en anti-homo was en wilde daar iets tegen doen. Hij wees regelmatig op de dichter P. C. Boutens, over wiens homoseksualiteit men altijd had gezwegen.
In de tijd dat ik Jim leerde kennen, publiceerde hij onder het pseudoniem Jacob Lowland. Hij wilde James S. Holmes en Jacob Lowland eigenlijk gescheiden houden, maar dat ging natuurlijk moeilijk. Het was dol op de leersscene van Amsterdam en kon daar, zonder dat ik daar een woordspeling mee wil maken, boeiend over vertellen. In die hoedanigheid werd hij dan ook uitgenodigd door Sonja Barend. Uiteraard schokte hij heel Nedeland door te vertellen dat hij heel erg hield van de geur van pis. Van de leerscene hield hij omdat hij daar 'mannen trof die van mannen houden en daarvoor hoeven we niet op vrouwen te gaan lijken. Dat vind ik heel belangrijk en dat tref je vooral aan in de leerscene.’
James stierf aan aids.
(Wordt vervolgd)