Gerard 33 - de wending (2)

Als Gerard in de jaren tachtig naar een allesomvattend thema in zijn werk wordt gevraagd, antwoordt hij: ‘Verlossing.’
De ‘reisbrieven’ waarin hij zijn stijl zou vinden, zijn zeker te zien als documenten waarin die verlossing in volle gang is. Als je het begrip enigszins ontdoet van zijn religieuze connotatie, kun je je afvragen van wie of wat Gerard verlost wilde worden. ‘De avonden’ lijkt een verlossing van het ouderlijk huis, verlossing van het kind-zijn, verlossing van het mlieu. In ‘Werther Nieland’ en in ‘De familie Boslowits’ is het de verlossing van de angst. Dat zet zich door in de ‘Wintervertellingen’. In al deze verhalen (vooral in ‘Werther Nieland’ en in sommige verhalen uit de ‘Winter vertellingen’, zoals ‘De vacantie’ en ‘Herfstdraden’) is er ook al enigszins sprake van een religieuze verlossing, in die zin dat de hoofdpersonen steeds naar rituelen grijpen om iets te bevatten. Maar je voelt dat de verlossing nog niet compleet is.

Eind jaren vijftig is de verlossing bijna voltooid. Misschien dat die in 1959 versneld is door de dood van zijn moeder, van wie Gerard veel hield, maar feit is dat na die tijd zijn leven in een stroomversnelling is gekomen: de verlossing van zijn seksualiteit, die hij opeens veel beter begrijpt, de verlossing van zijn communisme, de verlossing van zijn ambitie om toneel te schrijven, de verlossing van zijn Engelse aspiraties, de verlossing van het idee dat hij geen echte literator zou zijn. Zelf spreekt Gerard in 1968, terugblikkend, van een bevrijding. Ook Johan Polak wijst op Gerards ‘innerlijke bevrijding’ in die jaren.
Die verlossing is om nog een andere reden interessant, een reden die wat op de achtergrond is geraakt. Gerard is altijd, tot op de dag van vandaag, een 'geengageerd’ schrijver geweest. Niet alleen waren zijn eerste schreden op het literaire pad van essayistische aard, ook later heeft hij nooit verzuimd zijn ideeen over de inrichting van de maatschappij de wereld in te sturen. Gerards verlossing eind jaren vijftig, begin jaren zestig, wordt dan ook getypeerd door een vorm van maatschappelijk verzet die eigenlijk onlosmakelijk verbonden is met de verlossing die zich in breder verband manifesteerde en bekend is geworden als de jaren zestig. Gerard is wat betreft die jaren zestig bijna zelf symbool geworden van de maatschappelijke verandering. Hoe komt dit?
Gerard schreef in zijn reisbrieven niet alleen openlijk over zijn homofiele leven en zijn sadomasochistische fantasieen om op die manier stelling te nemen tegen de burgerlijke normen en waarden, hij protesteerde ook daadwerkelijk, bijvoorbeeld in Edinburgh. 'Brief uit Edinburgh’ is de eerste reisbrief over een schrijverscongres waarin werd gedebatteerd over de toekomst van de roman. Gerard wordt furieus als de Schotse communist MacDiarmid stelt dat er genoeg 'normale’ mensen zijn om over te schrijven: 'Sneller dan ik zelf wil, begint een razende woede in me op te komen. Daar heb je ze weer, de boekverbranders, de uitroeiers van miljoenen mensen en van de “Entartete Kunst”; de roodhemden die weten wat normaal is en wat niet, en die in hun hoogmoed de natuur en God zelf de wet denken te kunnen stellen; die duizenden mensen in een “Sportpalast” in Moskou bijeenbrengen om hen met donderende ovaties de belastering van een schrijver te laten bekrachtigen zowel als de veroordeling van diens boek, dat echter geen van hen ooit heeft kunnen lezen. Ik vraag het woord.’
Uiteraard gaat Gerard dan fel tekeer en zegt hij dat hij zich 'als homoseksueel’ tot het uiterste zal verzetten 'tegen elke poging om de auteur zijn onderwerp voor te schrijven’ en dat hij zich 'zeker nooit door iemand zal laten verbieden homo seksualiteit tot onderwerp’ te kiezen. Zijn woorden maken indruk.
Die eerste reisbrief bevat nog meer maatschappijkritiek. Gerard klaagt over de behandeling van auteurs in Nederland in vergelijking met die in Engeland. Gerard is geroerd als hij door The North rijdt. 'Nog steeds een aanklacht tegen het negentiende-eeuwse kapitalisme.’ En hij schrijft: 'Het meest doet het mij nog denken aan de Twentse industriesteden, vijfentwintig jaar geleden, maar dan met nog veel slechter gebouwde, veel lelijker en zwaarder beroete huizen, en met nog veel lelijker mensen. Dit is de streek waar, in de cirsisjaren, meer dan negentig procent van de mijnwerkers en van de arbeiders in de metaalindustrie werkloos was en waarvandaan, in het midden van de dertiger jaren, de befaamde hongermarsen naar Londen zijn gehouden.’ Met enige afstandelijkheid beschrijft Gerard de vader van Angus Wilson. ('The trouble with the working class is that they simply don’t want to work.’)
In zijn beschrijvingen van mensen in die eerste reisbrief is hij evenmin conservatief: 'Aan het glimlachen komt geen end, en de oudste van de twee, vermoedelijk de eigenares, spreekt met een zelfs voor mij, die weining inzicht heb in dialecten, uiterst bekakt accent dat doet denken aan Nederlandse villabewoners die Elsevier lezen, een open haard hebben laten aanleggen, en nochtans het geluk niet deelachtig kunnen worden: de haard wil maar niet trekken en de kinderen lijden aan onverklaarbare braakaanvallen en huilbuien, nachtangst, en worden bovendien bezocht door een zich met de snelheid van schimmel bij warm weer over hun lichaampjes verbreidende uitslag.’
Of neem een observatie als: 'Wie even in de lounge vertoeft, en de gepensioneerde cricketspelers, debiele forelvissers en ander crapuul in de crapauds ziet zitten, wordt overweldigd door deernis niet slechts voor het mensdom en de ganse schepping, maar ook voor God zelf.’
Ook ergert Gerard zich aan de houding die de Engelsen aannemen ('als gniffelende, ondeugende schooljongens’) tegenover alles wat met seksualiteit te maken heeft. 'Ik vind dat de mens geschapen is om tot volle wasdom te geraken, en niet om zijn leven lang een stoute jongen te blijven.’
Verder ventileert Gerard zijn meningen over de 'nouveau roman’. Hij ergert zich aan het gedrag van 'bosneuker’ Henry Miller, die weinig tot niets te zeggen heeft, en uiteraard fulmineert hij tegen de communistische delegatie uit Joegoslavie. En zo gaat het door, en nog steeds gaat het over verzet en verlossing.
Gerard is bijna geheel 'verlost’. Sinds de dood van zijn moeder is er duidelijke sprake van een religieuze crisis waarvoor hij maar geen oplossing weet. In 1967 - hij weet dan al dat hij absoluut katholiek wil worden - schrijft hij in zijn 'Brief uit Fatima’: 'Ik denk niet dat ik er ooit uit kom, en ooit precies zal weten wat ik geloof of wat niet. Ik vermoed, dat het geloof, de Godservaring dus, iets volslagen individueels is, dat niet kommunikabel is.’
De schrijver worstelt nog. Bijvoorbeeld in de tweede brief, 'Brief uit Amsterdam’, die begint met een kort In Memoriam voor de schrijver F., die Gerard in Edinburgh heeft leren kennen en die plotseling aan een hartaanval is overleden: 'Moge zijn Ziel in vrede de Jongste Dag afwachten: nu ja, alles geestelijk natuurlijk, en hoogstens bij wijze van spreken, want of zulk een evenement in de orde der waarschijnlijkheden ligt - hoe ouder ik word en hoe hartstochtelijker ik honger en dorst naar Gods Uiteindelijke Gerechtigheid, hoe onzinniger mij tevens elke concrete heilsverwachting voorkomt, en ook hoe meer ik neig naar de overtuiging, dat de enige zekerheid die het leven ons biedt, die is van de Dood.“
De laatste regels van 'Op weg naar het einde’ zijn dan ook veelzeggend: 'Wanneer ik van hier vertrek, en waarheen ik dan gaan zal - alleen God weet het. Hem wil ik gehoorzamen, en tot glorie van Zijn Eeuwige Naam zal ik het vaandel wederom opheffen en voortdragen, waarop geschreven staat: ’'Op Weg Naar Het Einde”.’ Zijn volgende boek heette 'Nader tot U.’
Maar waarover bleef Gerard zo angstig dat zelfs Koning Alcohol hem niet kon geruststellen?
(Wordt vervolgd)