Gerard 34 - alcohol

Frits van Egters weet hem in ‘De avonden’, na een bezoek aan De Kring, een keer flink te raken. Hij wordt door zijn vader en moeder uitgekleed en in bed gelegd. Aan het eind van het boek heeft Frits’ moeder geen wijn maar vruchtensap gekocht, met alle dramatische gevolgen van dien. Een echte dronken Gerard - dronken zoals we hem kennen - maken we voor het eerst mee in het verhaal ‘Een lezing op het land’. Het is in dat verhaal dat het drankgebruik van de schrijver wordt ingeleid met de klassieke zin: ‘Een onbekrompen schenken nam een aanvang.’

Het is een van zijn meest hilarische verhalen, juist door de manier waarop hij zichzelf beschrijft in een toestand die van lichte naar zware dronkenschap voert. ‘Ik misrekende mij onderweg enige malen in de afstanden, en stootte tegen veel deurposten, maar bereikte toch op eigen kracht de dinertafel. Er zou iets afschuwelijks om acht uur plaatsvinden, dat spookte voortdurend door mijn hoofd, maar wat, dat wist ik niet meer. Een bord soep werd voor mij neergezet, maar tot mijn verbazing slaagde ik er niet in, mijn lepel op te nemen.’
Het verhaal zit vol memorabele zinnen. De bekendste regels uit het boek worden uitgesproken wanneer Gerard de vraag te beantwoorden krijgt: 'Dat boek “De avonden,” daar komt helemaal geen seksualiteit in voor. Kunt u me zeggen, waarom dat zo is?’
Waarna Gerard eerst schrijft: 'Ik probeerde na te denken, maar dit leidde tot niets. “Een interessante vraag,” zei ik. “Dit is werkelijk een interessante vraag.” Ik meende de vraagstelster hiermee tot genoegen te hebben geantwoord, maar zij bleek niet deze mening te hebben.’
De spanning in de zaal neemt toe. Men begint te zien dat Gerard niet aanspreekbaar is. Dan grijpt zijn vriend, de schilder Phal (in werkelijkheid de schilder Melle) in met de onsterfelijke woorden: ’-“Nou moeten jullie niet liggen te leuteren,” verklaarde hij. “Die jongen heeft dit boek geschreven. Nou heeft die jongen dat geschreven. En nou moeten jullie niet leuteren. Dat boek, dat heeft hij geschreven. Dus hij heeft dat boek geschreven.” “Wat een dranklucht,” werd ergens geklaagd.’
In 'Op weg naar het einde’ en in 'Nader tot U’ is het drankgebruik, net als de homoseksualiteit overigens, nooit een probleem, maar eerder iets dat volkomen in Gerards leven is geincorporeerd. Zoals hij de eerste Nederlandse schrijver is die voor een groot publiek niet moraliserend over homoseksualiteit schreef, is hij ook de eerste die evenmin moraliserend zijn eigen drankgebruik behandelt.
Waarom dronk Gerard?
Het vreemde is dat hij wel vaak is geinterviewd over zijn homoseksualiteit en daar veel over heeft verteld. Maar de vraag: 'Mijnheer Reve, waarom drinkt u?’ is hem nooit gesteld. Het ligt voor de hand om het drankgebruik te zien als balsem voor zijn getourmenteerde leven. Wat had hij immers niet te lijden? Al uit zijn eerste autobiografische en semi-autobiografische geschriften zie je een jongen die voor alles angstig is: voor demonen, enge mannen en wat niet al. Drank zou een goed middel zijn om deze demonen kalm te houden. Maar is dat een bevredigende verklaring?
Rene van Stipriaan heeft eens in een artikel in Aarts Letterkundige Almanak (in het Gerard Vanter-jaar 1992) uitgezocht hoe het stond met het drankgebruik van Gerards vader.
Die dronk zelden tot nooit.
'Vanter moet een wat moeizame verstandhouding met de machtige Koning Alcohol hebben gehad. Als je erop gaat letten, krijg je bij het lezen van zijn memoires al snel de indruk dat hij van elk cafebezoek en elk niet te vermijden drankgebruik rekenschap aflegt’, schrijft Stipriaan.
De oude Vanter begon als geheelonthouder, heeft zich daar niet strikt aan gehouden, maar tot grote dronkenschap is het bij hem nooit gekomen.
Wie wel dronk, was Vanters vader, grootvader Hendrik. En hoe! Hij verdiende er vroeger in het Twentse wat bij als muzikant en kelner. Vanter beschrijft hoe zijn vader zich in de eerste huwelijksjaren op zondagmorgen liet vollopen. Maar als vader Hendrik Domela Nieuwenhuis ontmoet, wordt niet alleen het kruisbeeld van de muur gehaald en de kinderen van de roomse school genomen, maar wordt ook de drank afgezworen. Ja, de Van het Reve’s waren dus oorspronkelijk al rooms. Gerard lijkt misschien dus wel het meest op grootvader Hendrik.
In de 'Brief uit Huize Algra’ meldt Gerard dat hij zich waarschijnlijk wel zal dooddrinken. En in de 'Brief door tranen uitgewist’, schrijft hij: 'Dit is geschreven in ongekende zwaarmoedigheid en immer toenemende wanhoop; toen de schrijver 3 ½ dag niet had gedronken, nadat hij zich als een krankzinnige gedragen had.’
Waaruit dat gedrag bestond en waarover de schrijver wanhopig was, horen we niet.
Was hij misschien ongelukkig?
De enige die deze vraag kan beantwoorden is Gerard zelf.
Het was definitief uit met Wimie. En al werden de reisbrieven meteen als een bijzondere literaire prestatie beschouwd, de publiciteit die dat met zich meebracht was niet altijd positief. Het begon al in mei 1963 met de schrijversactie waarin de schrijvers, die meer subsidie wilden hebben, dreigden met een boycot van het Boekenbal. Broer Karel vond het maar onzin. Hij meende dat een auteur net zo goed een boek in zijn vrije tijd kon schrijven. Gerard maakte zich daarover kwaad in zijn 'Brief uit Schrijversland’ - en polemiseert op dat ogenblik voor het eerst tegen zijn eigen broer. Gerard wordt vervolgens regelrecht omstreden wanneer de AR-senator Hendrik Algra op zijn beurt tekeergaat tegen het verlenen van subsidies aan schrijvers die zich aan smeerlapperij bezondigen. Het wordt een affaire waar de kranten bijna dagelijks een bericht aan wijden. Gerard, die op het moment van Algra’s uitspraken in Spanje zat, maakt het allemaal nog spannender als hij, eenmaal teruggekeerd, zegt: 'De houding die het grote publiek jegens mensen met een homoseksuele aanleg aanneemt, draagt volgens mij bepaalde kenmerken van het antisemitisme, want ook hier gaat het om een onschuldig vervolgde minderheidsgroep. Aan de andere kant: met zulk een vergelijking drijf je iemand als Algra, het antirevolutionaire kamerlid, wel in een verschrikkelijke hoek, terwijl ik ervan overtuigd ben dat hij een fatsoenlijk en rechtschapen mens is. Thuis hebben ze hem niks verteld, en literatuur die boven het peil van napraterij uitgaat, bestaat er bijna niet. Kijk, als je onze boerenwereld ingaat, vind je nog een wijd verbreid, niet eens heel kwaadaardig bedoeld antisemitisme, allerlei misselijke mopjes op de joden, etc. Zoiets is dit nu ook: de godvrezende boer Algra, die niemand ooit een cent tekort zal doen, maar die dapper meedoet met stenengooien, is in dit opzicht een achtergebleven man.’
Maar eigenlijk houdt Gerard niet van commotie. Hij wil zich dan ook blijvend in Spanje vestigen. Weg uit het bekrompen Nederland! Al dat gezeur houdt hem maar af van het werk. 'Ik moet schrijven, omdat het de enige activiteit is die ik vind dat zin heeft, niet omdat ik er iets of iemand mee dien, maar omdat het mijn werk is en mijn bestemming, mijn gedachtengoed op schrift te stellen.’
Het is andermaal een paradox. Eindelijk heeft hij maatschappelijk succes, maar nu wil hij weer weg. Hij wil rust, net op het moment dat elk dagblad en elk weekblad hem komt interviewen. Net nu hij vermoedt definitief verlost te zijn van zijn zogenaamd progressieve milieu, wordt hij gevierd als emancipator. Hij is immers, zoals zijn annoteur Nop Maas hem noemt, op dat moment 'de homoseksueel van Nederland en kolonien’. Tevens is hij, als opponent van Algra, de grote bestrijder van confessioneel rechts, terwijl de met zichzelf worstelende schrijver zich tegelijkertijd steeds dichter bij God voelt staan, die er alles aan doet hem de progressieve ideeen uit het hoofd te blazen.
En dus drinkt Gerard Reve.
(Wordt vervolgd)