Gerard - 35 - huize algra

Het Parool, 8 mei 1964. ‘Van onze Haagse Redactie. Bij de behandeling van de begroting van onderwijs, kunsten en wetenschappen in de Eerste Kamer heeft de anti-revolutionaire senator H. Algra zijn kritiek op “bepaalde kunstenaars, die met bepaalde kunstuitingen de grondslag van onze samenleving willen ondermijnen”, herhaald. De heer Algra, die zich ook vorig jaar bij de behandeling van deze begroting kritisch had uitgelaten over de moderne literatuur, noemde met name auteur G. K. van het Reve en zijn boek “Op weg naar het einde”. De senator hekelde het feit dat Van het Reve “met niets ontziende brutaliteit de homoseksualiteit gelijkwaardig stelt aan het wonderlijke liefdesspel tussen man en vrouw”.

Volgens hem krijgt de propaganda voor deze nieuwe moraal een terroristische vorm. Hij wees er ook op dat de door hem gelaakte artikelen voorkomen in het letterkundige tijdschrift “Tirade”, dat door het ministerie wordt gesubsidieerd. (…) Hij kwam tot de conclusie dat de overheid zich moet onthouden van het verlenen van subsidies om dergelijke uitgaven mogelijk te maken of dat zij, alvorens daartoe over te gaan, volledig deze literatuur dient te beoordelen. “Doet de overheid dit niet, dan betaalt zij met gesloten ogen voor schuttingwoorden”, aldus de heer Algra, die staatssecretaris drs. L.J.M. van de Laar een exemplaar van het door hem bestreden “Op weg naar het einde” aanbood. Reagerend op de woorden van de heer Algra, zei mr. G.J.P. Cammelbeeck (PvdA) het jammer te vinden, dat hij dit geluid in de Eerste Kamer had moeten horen “nu juist bij protestanten en katholieken begrip begint te groeien over de homofielen”.’
Tot zover dit krantebericht.
In een paar honderd woorden een schets van het begin van de jaren zestig: de anti-revolutionairen die met hun hoofd nog in 1873 ronddwalen; de sociaal-democraten die weliswaar wat progressiever zijn, maar toch nog de lulligheid hebben waardoor we twintig jaar later al zouden uitroepen: ach ja, de jaren zestig.
De toenmalige staatssecretaris van Onderwijs, drs. L.J.M. van de Laar valt Algra overigens wel bij en meent dat het volksvergiftigende karakter van een boek moet worden bewezen binnen de termen van de wet en niet binnen de grenzen van een bepaalde overtuiging. De betreffende politicus voelde er dus niets voor de literatuur te beoordelen naar een boek en een boek naar enkele passages daaruit. ‘Een boek kan men slechts als geheel beoordelen’, zei hij. 'Ook Shakespeare, Rabelais en Erasmus hebben wel eens passages geschreven die niet door de beugel konden, maar ze zijn later door de geschiedenis aanvaard. Te beoordelen of een kunstwerk een destructieve werking heeft, is een levensbeschouwelijke zaak.’
Toevallig begon Het Parool in die tijd met een boeken-topvijf, en de publiciteit die Gerard gratis van senator Algra kreeg (die trouwens in zijn vrije tijd ook hoofdredacteur van het prot. chr. Friesch Dagblad was) deed de verkoop van het boek stijgen. In april, mei, juni en juli staat het op nummer een. 'Kennedy, president voor ons allen’ van Otto Kuyk en Bart van Veen laat hij achter zich, evenals 'Pays Bah’ door H. van den Bergh, H. Lammers en H. Mulisch - over het satirische televisieprogramma 'Zo is het toevallig ook nog eens een keer’ - 'Luchtspiegelingen’ van Belcampo, 'Kort Amerikaans’ van Jan Wolkers, het vierde deel van 'De bezetting’ van L. de Jong, en 'Ik Jan Cremer’ van Jan Cremer.
Gerard zit op dat moment ook in het team van 'Zo is het toevallig ook nog eens een keer’.
En iedere dag verschijnen er berichten over hem in de krant: 'Van het Reve verdedigt pornografie.’ 'Vereniging van Letterkundigen stuurt protest aan Algra en de staatssecretaris.’ 'Laat ons belastinggeld niet vergooid worden.’ (Elsevier) 'Vertrap de Algra’s en leve Van het Reve.’ (Jan Greshoff in het Vaderland)
'Van het Reve in Huize Algra’ is groot nieuws in het Algemeen Handelsblad van 20 juni 1964.
'De auteur heeft een huis in Friesland gekocht in Greonterp, gemeente Wonseradeel, en het Huize Algra gedoopt. “Ik heb het inderdaad zo genoemd, omdat de heer Algra mij zo'n publiciteit heeft gegeven dat de vierde druk van mijn boek 'Op weg naar het einde’ in drie dagen was uitverkocht en de vijfde nu ook al de deur uit is. Hoewel het heus ook wel literaire verdienste zal zijn, mag ik toch wel zeggen dat de prijs van het huis en de sanitaire voorzieningen gedekt zijn door de extra verkoop die ik aan de heer Algra te danken heb.”
Zoals het een goede verslaggever betaamt, ging de journalist vervolgens naar het gemeentehuis om aan burgemeester Oosterhoff (CHU) te vragen wat hij van de naamgeving vond.
Oosterhoff: 'Een kostelijke grap. Misschien kunnen wij in dit huis een bijeenkomst houden van voor- en tegenstanders van moderne literatuur.’
Gerard wil daar niets van weten: 'Ik vind het overigens wel jammer dat de plaats waar ik woon is uitgelekt.’
En vervolgens is het een komen en gaan van journalisten. Dat 'Werther Nieland’ integraal door Les Temps Modernes wordt overgenomen, ontgaat de pers.
Af en toe komt de schrijver naar de stad. Daar ontmoet hij van tijd tot tijd Simon Carmiggelt, die daar dan onmiddellijk verslag van doet.
'Des middags om twee uur kwam ik op de Heerengracht de schrijver Gerard Kornelis van het Reve tegen, op weg naar het einde, maar deze keer tamelijk welgemoed, want het was mooi weer. “Ga zitten”, zei hij, op een vuilnisbak wijzend, “laten we tot een goed gesprek komen.” Ik ging zitten en hij nam op een stenen paaltje plaats, dat toevallig de tact had er vlak naast te staan. “Je bent gebruind”, zei ik, “dat komt zeker door dat dorpsboerderijtje dat het kamerlid Algra je in staat stelde te kopen.” Hij knikte en vertelde dat hij zich thuis voelt in het dorp, omdat hij niet tot het slag mensen behoort dat geen weekeinde geslaagd acht, indien niet het huis, als een voorpost tegen sociaal en raciaal vooroordeel, bevolkt wordt door slecht dichtende hasjiesknagers en gekleurde souteneurs.’
De laatste volzin heeft Carmiggelt uit 'Brief uit het verleden’, een nieuwe reisbrief.
'Laten we ergens een borrel gaan drinken. Eentje maar’, stelt Gerard voor aan Carmiggelt. Ze gaan dan naar cafe De Kruik in de Kerkstraat, destijds volgens Carmiggelt 'het enige verversingslokaal dat zichtbaar samenhangt met de letterkunde’, want op de wanden zijn taferelen geschilderd uit Merijntje Gijzen van A.M. de Jong - maar de mooie juffrouw achter de bar maakte, op het eerste gezicht, niet de indruk dat zij veel las.
Gerard deelt Carmiggelt mee dat hij lid wil worden van de Christelijk Historische Unie.
'Dan gaat deze rustige partij een woelige tijd tegemoet’, zegt Carmiggelt.
Het gesprek komt niet echt van de grond.
'Als je lid bent geworden van de Christelijk Historische Unie kun je voor de NCRV-televisie gaan optreden. Zie dan, dat ze je de dagsluiting toevertrouwen, dat lijkt me erg boeiend’, zegt Carmiggelt.
'Als ik de dag eenmaal sluit, gaat hij nooit meer open’, zegt Gerard. Dertig jaar later zou hij niet alleen dezelfde grap nog eens maken, maar zou hij inderdaad de dagsluiting mogen verzorgen. Niet die van de NCRV, maar die van RTL5, na de televisierecensie van de laatste pornovideo’s.
Behalve financieel gaat het hem in die tijd ook in artistiek opzicht goed. Tegen Jaap Harten zegt hij in mei 1965 dat de reisbrieven met autobiografische inslag 'zijn vorm’ zijn. 'Veel mensen hebben vroeger al tegen me gezegd: Je moet geen objectiverende verhalen schrijven. Dat heb ik nooit willen aannemen. Ik kom n.l. uit een milieu waar eigen creativiteit, eigen gevoelens tot het onbelangrijkste werden gerekend dat je je kon voorstellen, omdat ze buiten enig sociaal verband vielen. Nu weet ik dat emoties, hoe subjectief en persoonlijk ook, waard zijn om uitgebeeld te worden, omdat het talent en niet de feiten de literatuur maken. Ik kan niet meer terug naar die kwasi objectiverende vorm van “De avonden” en “Werther Nieland”, naar dat labiele evenwicht tussen de drang om heel subjectief getuigenis te geven en de wil om een strak en geobjectiveerd relaas te schrijven.’
In 1965 verschijnt het eerste nummer van Dialoog, Tijdschrift voor Homofilie en Maatschappij.
Daarin staat een 'brief’ van Gerard, die hij schreef op 8 augustus 1963, toen hij in Tanger, Marokko, verbleef.
Ook deze brief zal een enorme commotie veroorzaken. (Wordt vervolgd)