Gerard - 36 het ezelsproces (1)

‘Christus op de mestvaalt! De Heilige Maagd in de stal! De Heilige Vaders naar de Duivel! Leve de stem van het kanon!’ Is dit een gedicht van Gerard Reve? Uiteraard niet.

Dank zij dit gedicht werd er op 1 juni 1932 een wetsartikel ingediend door de antirevolutionaire minister J. Donner. Het gedicht is een vertaling van een gedeelte van een lied dat de Citoyens zongen bij de bestorming van de Bastille in 1789. Dit gedicht - opgenomen in het artikel ‘Weg met het kerstfeest’ dat rond Pasen 1932 verscheen in de communistische Tribune - werd als ernstig godslasterlijk ervaren. De schrijver was de hoofdredacteur van De Tribune en goede huisvriend van de familie Van het Reve, A. J. Koeiemans. Gerard en broer Karel kochten later bij hem altijd hun boeken, want Koeiemans werd later, behalve doopsgezind ook boekhandelaar.
Artikel 147, I, dat sinds het bestaan slechts vijf keer werd toegepast (zo godslasterlijk is het Nederlandse volk niet) zou in 1966 pas grondig worden getoetst nadat Gerard was aangeklaagd. Het zou een proces worden waarin veel gebeurde; uniek voor Nederland en Europa, zo uniek zelfs dat het een onderwerp werd voor enkele serieuze studies. Dat proces onderstreepte weer eens hoe centraal Gerard stond in de maatschappelijke ontwikkelingen en veranderingen van de jaren zestig - en hoe paradoxaal hij zich in deze zaak bewoog. Maar met wat een brille!
Over de hele rechtsgang schreef de journalist Jan Fekkes in 1968 een fraai boek: 'De God van je tante - ofwel het Ezelproces van Gerard Kornelis van het Reve’.
Het begint allemaal in augustus 1963. Gerard bevindt zich in Algeciras. Zijn geld dreigt op te raken en dus schrijft hij een 'Brief aan zijn Bank’.
In 1965 verschijnt het eerste nummer van het tijdschrift 'Dialoog, tijdschrift voor homofilie en maatschappij’, opgericht om 'te komen tot verruiming van de levensmogelijkheden voor de homofiele mens’. Gerard is redacteur. In dat eerste nummer staan twee pagina’s met zijn 'Brief aan mijn Bank’.
Het is zonder meer een schitterende brief met prachtige stilistische vondsten als: 'vanmorgen tegen tienen ging ik, met een onderwaterluchtzwemzuiger die ademhaalt maar tegelijk ook kijkt, met een balletjespijp, naar la playa. Enfin, ik kom aan, wandel half in gedachten, zachtjes zingend naar beneden, en zie opeens dat een stier van 800 kilo me het pad verspert’. De stieren worden door Gerard met een bevallig oog bekeken: 'Ik vind ze ook ongelooflijk mooi, stieren, die brede borst en poten, dat schitterende lijf en die aandoenlijke vatenkwast aan hun lul, die vertedert me nog het meest. Wat een fijne schatdieren, haast even lief als de Olifant, die overigens mijn patroon is, ook zo'n geweldig sterk dier, dat nochtans content is zich te voeden met nederige Kruiden des Velds.’
Het zal duidelijk zijn: Gerard bespiegelt de beesten die hij in zijn latere oeuvre als 'Katholieke Dieren’ zal bestempelen. Na de Stieren en de Olifanten komt er echter een wending - een wending met grote consequenties.
Gerard schrijft: 'Maar het liefst zijn hier de ezels. Dat zijn zulke schatten! Maar ze hebben het heel hard. Ik geef ze altijd mijn suiker, want die gebruik ik niet als ik op terrassen koffie drink. Als God zich opnieuw in Levenste Stof gevangen geeft, zal Hij als Ezel terugkeren, hoogstens in staat een paar lettergrepen te formuleren, miskend en verguisd en geranseld, maar ik zal Hem begrijpen en meteen met Hem naar bed gaan, maar ik doe zwachtels om Zijn hoefjes, dat ik niet te veel schrammen krijg als Hij spartelt bij het klaarkomen. Ach, soms smelt je hart, als je een ezel ziet met een ezelsveulen - wie dat ziet en dan nog God zou kunnen loochenen, dat is onbegrijpelijk.’
De brief wekt de woede van een pater en een predikant die gezamenlijk een ingezonden brief naar de redactie sturen. Zij verwijten Gerard dat hij 'de indruk wekt om zo opzettelijk en grievend als maar mogelijk is elk religieus gevoel te kwetsen’. Ze besluiten hun brief met: 'U naar het woord van Jezus niet alleen de argeloosheid van de duiven, maar ook de voorzichtigheid van de slangen toewensend, opdat het beoogde doel zal worden bereikt, groeten u met de beste intenties navolgende pastores, die zich mede verantwoordelijk weten voor het bestaan van meerdere contactgroepen van homofiele christenen, - Pater J. Gottschalk, m.s.f. en A. J. R. Brussaard, Geref. predikant.’
De redactie van Dialoog beantwoordt de brief - men staat volledig achter de auteur - maar tevens schrijft Gerard een ingezonden stuk onder de titel 'Heb ik God gelasterd?’ Het is niet alleen een theologisch 'rond’ verhaal, maar bovendien hoogst komisch: 'De verontwaardiging van pater en dominee betreft wellicht niet het Ezelschap Gods, althans zulks is niet expliciet uit hun brief af te leiden, maar wel mijn gedroomde sexuele intimiteit met de opnieuw geincarneerde God.’ Waarna hij met een theologisch betoog komt waarom zijn Godsvoorstelling deugt. Hij besluit met de constatering: 'Welke gedaante Hij dan zal aannemen, en met wie Hij dan, al dan niet, naar bed zal gaan, zal Zijn zaak zijn, niet die van mij, noch die van pater J. Gottschalk, m.s.f., noch die van A. J. R. Brussaard, gereformeerd predikant. De kans dat Hij Ezel zal worden, en dan ook nog met mij naar bed zal willen, is natuurlijk erg klein, maar bij God is alles mogelijk, en het komt mij godslasterlijk voor in dit opzicht enige incarnatievorm en enig gedrag van God bij voorbaat uit te durven sluiten. Als de Tweede Incarnatie zich zal voltrekken, zoals ik me die voorstel, dan verwacht ik dat Hij, met in het geheel niet omzwachtelde hoeven, pater J. Gottschalk m.s.f. zowel als de heer A. J. R. Brussaard, gereformeerd predikant, elk een enorme trap onder hun achterste zal verkopen.’
Het is dan juli 1965.
De kritiek op Gerard van confessionele zijde neemt toe. Deze wordt nog eens aangewakkerd als in januari 1966, twee maanden voor de verschijning van 'Nader tot U’, in het literaire tijdschrift Tirade de 'Brief uit het huis genaamd Het Gras’ wordt gepubliceerd, met daarin de volgende passage: 'Ik moest vechten - met God en mensen zou ik worstelen, en ik zou overwinnen, zag ik nu. (…) En God Zelf zou bij mij langs komen in de gedaante van een eenjarige, muisgrijze Ezel en voor de deur staan en aanbellen en zeggen: “Gerard, dat boek van je - weet je dat Ik bij sommige stukken gehuild heb?” “Mijn Heer en mijn God! Geloofd weze Uw Naam tot in alle Eeuwigheid! Ik houd zo verschrikkelijk veel van U,” zou ik proberen te zeggen, maar halverwege zou ik al in janken uitbarsten, en Hem beginnen te kussen en naar binnen trekken, na een geweldige klauterpartij om de trap naar het slaapkamertje op te komen, zou ik Hem drie keer achterelkaar in Zijn Geheime Opening bezitten, en daarna een presentie-exemplaar geven, niet gebrocheerd, maar gebonden - niet dat gierige en benauwde - met de opdracht: “Voor de Oneindige. Zonder Woorden.”
'Dit kan niet!’ briest het Tweede-Kamerlid Van Dis van de SGP wanneer hij deze tekst onder ogen krijgt. Hij besluit kamervragen te stellen. Aan de horizon gloort een Oscar Wilde- proces van Hollandse allure.