Gerard 38 het ezelsproces (2)

20 oktober 1966. Voor de ingang van het gerechtsgebouw aan de Prinsengracht in Amsterdam staat een ‘rij van enkele tientallen meters lengte’ in verband met wat de pers nu ‘het Ezelsproces’ noemt. Volgens de kranten ‘moest een twintigtal belangstellenden wegens plaatsgebrek op de tribune de toegang geweigerd worden’. Journalisten hadden speciale perskaarten uitgereikt gekregen.

De gedaagde arriveert om kwart voor twee in gezelschap van zijn advocaat, mr. Hans Eyl. Het publiek kijkt hoe Gerard er aan toe is; de laatste maanden hebben de kranten geschreven over zijn opname in een psychiatrische inrichting.
Die berichten zijn in augustus 1966 begonnen. ‘G. K. van het Reve in Ziekenhuis. De schrijver G. K. van het Reve wordt verpleegd in het Wilhelminaziekenhuis te Assen. Tijdens een treinreis door Drenthe, enige weken geleden, kreeg hij plotseling bewustzijnsstoornissen. Opname in een ziekenhuis bleek noodzakelijk.’
'Overwerktheid’, luidt de diagnose.
Ton Hulst, verslaggever van De Telegraaf, reist op 1 september naar de psychiatrische afdeling van het Wilhelminaziekenhuis en krijgt zowaar de schrijver te spreken. 'Er is met mij niets aan de hand’, zegt de patient. 'Als je onder behandeling van een zenuwarts komt, zeggen de mensen al gauw dat je in een dwangbuis ligt en gek bent, en als je per dag een paar glazen wijn drinkt, wordt er beweerd dat je een delirium hebt. Ik ga morgen weer naar huis in Greonterp en ik ben van plan direct weer hard aan het werk te gaan.’ De verslaggever meldt dat Gerard er 'volkomen gezond’ uitziet en zelfs al enkele keren 'uit het ziekenhuis’ is geweest.
Maar hoe kwam dat nou zo allemaal?
'Ik was al geruime tijd bijzonder gespannen en daarbij had ik het ook nog erg druk. Steeds maar was er iets te doen: drukproeven corrigeren en zaken met betrekking tot mijn laatste boek afdoen. Bovendien zat ik met de spanning over het proces in november over mijn godslasterlijke uitlatingen. Al die dingen gaan aan je weerstand knagen, vooral ook omdat ik er tientallen keren per dag over opgebeld werd. Ruim twee weken geleden zat ik in de trein naar Heerenveen, toen ik plotseling afknapte. Ik was er beroerd aan toe, vooral ook doordat het in de trein onmenselijk warm was. Ik kwam pas in Beilen weer een beetje bij m'n positieven en toen bleek ook, dat ik in het verkeerde treinstel zat. In Beilen ben ik de trein uitgestrompeld en heb ik me naar een arts laten brengen. Hij heeft me onderzocht en daarna naar het ziekenhuis in Assen laten overbrengen, waar ik ter observatie ben opgenomen. Ik ben niet gek geworden, zoals wordt gezegd, en ik heb ook geen zelfmoord willen plegen. Ik heb zelfs geen andere mensen naar het leven gestaan.’
De waarheid staat in een brief aan zijn vrienden Jobs en Lennie Meijer. 'Assen, 15 Augustus 1966, kamer 8. Afdeling E. Wilhelmina Ziekenhuis. Mijn papier is op, en ik weet niet hoe ik zo gauw aan nieuw moet komen. Ik ben hier namelijk opgenomen voor een delirium, dat mij jongstleden Vrijdag in de trein van Utrecht naar huis overviel.’
Afgezien van de 'spanningen van het proces’ en de bezigheden naar aanleiding van de publikatie van 'Nader tot U’ waren er nog een aantal redenen waarom Gerard het niet meer aankon en te veel alcohol gebruikte. Hij was verliefd geworden op een jongen van 17, ene 'Robert B’ uit Den Haag, die hem had geschreven over zijn vermoedelijke homoseksualiteit. Gerard, van wie iedereen mocht weten dat hij homo was, kreeg regelmatig zulke brieven. Aan Kees Trimbos, een vooruitstrevende arts, had hij wel eens gevraagd hoe hij zulke brieven moest beantwoorden. Gerard, die wist hoe beklemmend zo'n 'geheim’ kan zijn, behandelde de brieven uiterst serieus en, zoals hij zelf zegt, 'voorzichtig’ - al heb ik zelf helaas nooit zo'n brief onder ogen gehad.
Robert B. stuurde Gerard enkele brieven, waaruit deze opmaakte dat de zaak uiterst 'precair’ lag. Het huwelijk van Roberts ouders was niet goed. Vader was een grote vijand van de zoon en de zoon was erg dol op zijn moeder. Gerard adviseerde hem zijn ouders toch in vertrouwen te nemen. Dat pakte redelijk gunstig uit: de moeder van Robert wilde graag eens met Gerard kennismaken. Aldus geschiedde.
'Mijn motieven zijn natuurlijk niet zuiver, maar zijn het ook nog nooit geweest, in geen enkele kwestie. Hij wil dat ik “zijn vader word”, & dat appelleert aan mijn koesterende, beschuttende en manlijk tedere gevoelens. Zijn adoraatsie streelt voorts mijn zondige ijdelheid en mijn onbewuste illusie nog een jonge man te zijn. En verder ben ik gewoon, omdat ik hem aantrekkelijk vind (het meisjesachtige, tengere soort jongetjes waar ik altijd enorm geil van word) verzot op hem geworden. Maar ik ben vastbesloten geen dwaasheden te begaan, en wil mijn verliefdheid op een andere wijze kultiveren en bijvoorbeeld combineren met afzweren van Drank’, schrijft Gerard aan Josine Meijer. Hij vervolgt: 'Ik heb Robert bij zijn tweede - aan zijn moeder bekende - bezoek er uitdrukkelijk op gewezen, dat ik schandaal aan de vooravond van mijn proces allerminst kan hebben.’
Teigetje - Gerard noemt hem in zulke zaken 'naief’ - vindt alles best. Maar de platonische verhouding grijpt dieper in dan Gerard lief is. Een paar dagen later schrijft hij dat hij aan 'een allerdiepste depressie en zwaarmoedigheid ten prooi is’, want: 'De geschiedenis met Robert heeft mij genadeloos gekonfronteerd met de, door mij altijd zo vrijblijvend opgevrijde, Dood. Ik ben doodop, & verlang echt naar de Dood, maar het kan niet; niet tegenover mijn oude wrakke vader, niet tegenover Hanny, & niet tegenover Willem, uiteraard. Jullie, onhebbelijk als ik ben, vergeet ik zelfs te noemen.’
Gerard heeft een psychiater in de arm genomen: 'Ik heb een gesprek met de psychiater gehad, dokter Levie. Wel een wijs man. Ik voelde me gevleid door het vertrouwen, dat hij uitdrukkelijk verklaarde in mij te stellen, & ik voelde aan alles dat ik, met alle risico’s die ik blindelings genomen had, zedelijk juist had gehandeld. Maar ik moest van hem, de arts, horen wat ik natuurlijk allang wist: als ik van Robert houd - ik bedoel: iets om hem geef - dan moet ik afstand van hem doen.’
Een week voordat Gerard in zijn delirium raakt, schrijft hij nog eens aan Josine Meijer. Hij meldt dat hij Roberts moeder heeft gesproken en dat die alle vertrouwen in hem heeft. De vader zal worden ingelicht door dokter Levie. En: 'Ik zal hem als Zoon evenmin opgeven als een dier haar jong, & zal dat ook niet doen. Maar het zal een kuise, romantiese verering moeten worden - moeilijk, maar toch ook groots, inspirerend & mogelijk ook zegenrijk voor beide partijen. Ik hem hem nog nooit intiem beroerd, noch zelfs naakt gezien. Dat moet zo blijven. Zou het anders gaan, dan zou de betovering verbroken worden, en zou ik hem voorgoed verliezen. Ik besef dat in de komende omgang veel verdriet zal liggen, maar alle kontakt verbreken is nog gruwelijker, en, voor mij, ook geen reele mogelijkheid.’
De verhouding met Robert was misschien de druppel die de emmer deed overlopen, maar niet het enige wat Gerards geest beroerde. Er was in de maanden voorafgaande aan het proces nog iets gebeurd dat tot een golf van publiciteit had geleid. (wordt vervolgd)