Gerard - 39/het ezelsproces (3)

De president van de rechtbank neemt het woord na het voorlezen van de dagvaarding. ‘Mijnheer Van het Reve, geeft u toe dit zo te hebben gepubliceerd in het tijdschrift Dialoog?’ ‘Jawel edelachtbare.’ ‘Er zit een verschil in karakter in het fragment uit Dialoog en de passage die u in “Nader tot U” heeft geschreven. Dat weet u?’ ‘Jawel edelachtbare, maar het zelfde idee ligt er aan ten grondslag.’

‘Welke ideeen propageert u eigenlijk?’ vraagt de president.
Gerard antwoordt: 'Ik schrijf, ik propageer niets. En als ik mij de incarnatie Gods voorstel, dan doe ik dat in de vorm van het lieftalligste wezen dat ik ken. Dat hoeft geen mens te zijn. Het zou een lam kunnen zijn, maar een ezel vind ik nog liever. De door ieder mens gewenste intimiteit met de godheid heeft voor mij een duidelijk seksueel karakter.’
Het is de eerste uitspraak van Gerard in een proces dat de allure zal krijgen van een fundamenteel theologisch debat. En in theologie is hij goed thuis. Met veel bombarie was Gerard namelijk op de 27ste juni van dat jaar toegetreden tot de rooms-katholieke Kerk. Zelfs het NTS-journaal besteedde er aandacht aan. Gerard Kornelis van het Reve, de man die God als Ezel in zijn Geheime Opening wilde bezitten, werd katholiek? Men twijfelde aan zijn motieven.
De Volkskrant stuurt Klaas de Wit op Gerard af om te toetsen of hij wel een echte katholiek is. Klaas de Wit (23-2-'25) was een katholieke romancier en vriend van Gerard. De Wit had een boek over de H. Franciscus geschreven: 'Agape, de liefde tot leven en dood’. De auteur was zelf in 1947 bekeerd tot het katholicisme.
Voorafgaande aan De Wits artikel plaatst De Volkskrant een waarschuwing, want Gerard mocht eens schokkend overkomen: 'Bepaalde aspecten van zijn godsdienstige overtuiging, zoals in bijgaand gesprek zijn geformuleerd, zullen voor sommigen minstens verbazingwekkend zijn en strijdig met de algemeen aanvaarde belijdenis. Wie echter werkelijk goed leest en wie begrip heeft voor de eigen, literaire wijze waarop de schrijver zich uitdrukt, zal in het interview een indrukwekkend credo kunnen beluisteren, dat de Volkskrant haar lezers beslist niet meende te kunnen onthouden.’
Klaas de Wit vraagt of Gerard op de hoogte is van het feit dat Rome, volgens een leerstelling uit de vorige eeuw 'iedereen verkettert die niet uitdrukkelijk gelooft dat God door middel van de natuurlijke rede gekend kan worden. En nu kom jij, Gerard, aldoor met je uitermate persoonlijke credo, waarin je niet alleen iedere objectieve zekerheid van het geloof ontkent, maar deze zelfs als infantiele onzin en schadelijk bijgeloof opzijschuift. En toch laat je je openlijk in die Kerk opnemen als belijdend lid. Onder zulke omstandigheden is het toch niet verwonderlijk dat veel mensen jou zowel als de r.-k. kerk deze stap kwalijk nemen als op z'n minst een onduidelijk, en op zijn ergst een dubbelzinnig gebaar. Wat vind je daar zelf van?’
De schrijver vindt de vraag maar onzin. 'Er zijn dingen waarvan je beseft dat ze alles voor je betekenen, maar waarbij je je tevens met de beste wil van de wereld niets feitelijks kunt voorstellen. Neem maar eens de lichamelijke tenhemelopneming van Maria: wat moet je je daar concreet bij voorstellen? Of de Allerheiligste Drievuldigheid? Het kenmerk van een religieuze waarheid is dat zij een oneindig aantal interpretaties kan verdragen, behalve een: die van de letterlijkheid. Ach nee, ik geloof in alle oprechtheid dat wat ik voel en denk zeker niet met de geest, maar misschien zelfs niet met de letter van het kerkelijk leergezag in strijd is.’
Het interview maakt duidelijk dat Gerard een echte gelovige is en dat maakt zijn postitie tegenover de rechtbank tot een markante. Of zoals Nop Maas zegt: 'Het is nu niet een buitenkerkelijke, maar een gelovig christen die terechtstaat.’
Uiteraard ging Gerards bekering weer met een rel gepaard. Direct na zijn toetreding tot de katholieke kerk wordt hij door de Vara uitgenodigd voor het programma 'Uit Bellevue’. Voordat Gerard het woord krijgt, mag Harry Mulisch iets voorlezen. Hij beschuldigt Gerard van rassenhaat en anticommunisme en hij laat zich laatdunkend uit over Gerards toetreding tot de kerk. Maar Gerard laat zich niet verleiden tot een polemiek per televisie en weigert in te gaan op de beschuldigingen van Mulisch. Gerard wil evenmin ingaan op de beschuldiging van Hendrik Algra’s Fries Dagblad dat had gemeld dat zijn werk 'schaamteloos is, godslasterlijk en een bedreiging vormt voor de geestelijke volksgezondheid en een gevaar voor jeugdigen en labielen en een ziekelijke uiting is van een homo-erotische psychose, die in de sexuologie bekend staat als bestialiteit’.
'Ik wens u allen een goede zomer en een verkwikkende vakantie’, zegt Gerard.
'In 1966 werd hij rooms-katholiek, een opzienbarende daad, waarvan velen de oprechtheid niet wilden geloven’, meldt de Grote Winkler Prins Encyclopedie, deel 16, bladzijde 302. En niet zonder reden heeft Gerard dat als motto opgenomen in zijn boek 'Moeder en zoon’ dat pas in 1980 zou verschijnen, en waarin hij uitlegt hoe hij tot het katholicisme is gekomen.
Gerard werd inderdaad niet als oprecht katholiek gezien. Dat werd mede veroorzaakt door zijn uitspraken in de pers: 'Ze moeten niet denken dat ik nu in een veilige haven ben gevlucht. Dat ik het heb gedaan om zelf niet meer te hoeven denken. Integendeel. Ik ben terechtgekomen in een heksenketel. De rooms-katholieke kerk is in deze tijd een lichaam dat door de verschrikkelijkste koortsen en ziekten wordt geteisterd’, zegt hij tegen Aad van der Mijn in Het Parool.
Dat Gerards toetreding voor commotie zou zorgen, wist men. Toen het Algemeen Dagblad er lucht van kreeg, ging men aan de vooravond van de doopplechtigheid naar Lambert Simons, de goede herder van de kerk in de Rustenburgerstraat. Was hij niet bang voor commotie? Lambert Simon, in de brieven van Gerard meestal Lambert S. genoemd en in 'Moeder en zoon’ beschreven als 'een priester die een kudde van over de gehele stad Amsterdam verspreide kunstenaars en intellectuelen hoedde’, was inderdaad bevreesd voor een 'intensieve reactie’. Ofschoon een vooruitstrevend man liet hij toch weten Gerards werk 'niet voor iedereen geschikt te achten’. En hij vatte de problematiek van Gerards bekering aldus samen: 'Er is een wezenlijke ommekeer in de kerk gaande, waarvan wijlen monseigneur Bekkers de sprekende getuigenis is geweest.’ Gerard werd daarmee ingedeeld bij de verlichte katholieken.
Het Ezelsproces brengt ondertussen vele tongen en pennen in beweging. W. F. Hermans, alias Anastase Prudhomme S. J., valt Gerard aan in Het Hollands Maandblad. Een artikel dat werd herdrukt in Het Parool. Voor de rechtbank worden professor Smelik, professor Grossouw en professor Bomhoff gehoord, alsook de psychiater mevrouw Droogleever Fortuyn, ofte wel de dichteres Vasalis. Hun getuigenissen pleiten voor de beklaagde.
Op 3 november volgt de uitspraak. Een uitslag die Gerard niet echt bevalt: 'Rechtdoende verklaart bewezen hetgeen hierboven als bewezen is aangenomen; Verklaart het bewezene niet strafbaar en ontslaat verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.’
Gerard acht zich door dit vonnis 'niet voldoende vrijgepleit van het tenlaste gelegde’.
Gerard gaat in hoger beroep.
(wordt vervolgd)