Gerard - 40 het ware geloof

Zijn broer Karel zegt in menig interview dat Gerardje als kind zo mooi kon voorlezen uit de Openbaringen. Ook weten we dat hij als klein jongetje wel kerken bezocht. En de behoefte aan ritueel is in al zijn eerste boeken merkbaar. Maar ‘in de loop van de tweede helft der jaren vijftig ontstond bij mij een bepaalde belangstelling voor het rooms-katholicisme’, schrijft hij in ‘Moeder en zoon’. In de jaren die daaraan vooraf gingen, kwam hem het katholicisme voor als ‘iets onbenulligs en belachelijks’. Katholieken vond hij ‘kneuzen’, maar ‘een leer die zulk een gebrekkige, verkitschte, infantiele en soms aan godslastering grenzende vertolking kon doorstaan, moest wel, naar inhoud, iets verkondigen van grote dwingende kracht en evidente geloofwaardigheid’.

Gerard verdiept zich in het ware geloof, maar merkt dat dit gepaard gaat met een diepe schaamte. ‘Wat zouden de mensen niet allemaal zeggen? (…) Christus nog aan toe: als ik alleen al dacht aan mijn arme ouders, die altijd het goede met mij voor hadden gehad!… Of aan mijn Geleerde Broer, die alles wist, dus ook dat het roomse geloof een hoop malle onzin voor oude wijven was… Aan mijn vrienden en kennissen… Aan al die menslievende kollegaas van me… Ik zag al de smoelen voor me, verdrongen van afkeer, hoon of in het beste geval medelijden, wat nog erger was… Hadden die roomse ouwelvreters misschien niet ergens een speciale heilige, voor krankzinnige schrijvers, die het nog kon verhinderen?’
Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig onstond er een verwijdering tussen Karel en Gerard. Want met Karel, zegt Gerard in 1982 in een interview met Tom Rooduijn, valt met betrekking tot het katholicisme 'geen zinnig woord te wisselen’. 'Omdat hij heel geleerd is, maar niks weet en nog nooit ergens van gehoord heeft. In interviews zegt hij dat hij niet begrijpt dat ik homoseksueel ben. Nou, ik ben toch niet de enige op de wereld. En dat ik katholiek ben geworden is helemaal krankzinnigheid ten top. Achthonderd miljoen mensen hangen dat aan, maar ik ben geschift. Alleen hij is goed bij zijn verstand. Jaren geleden was er een zitting hij hem thuis, met wel twintig, dertig professoren en lectoren en zo. Ik was toen net katholiek geworden en dat was natuurlijk heel genant. Men begon er een debat over dat nergens op sloeg. En de volgende dag was het Pinksteren. Toen vroeg ik aan die hele intellectuele bent: “Weet u eigenlijk wat Pinksteren is?” En niemand wist het. Het zijn mensen die alles menen te weten, maar nog nooit in hun leven ergens werkelijk over nagedacht hebben.’
Weer was hij de onbegrepene.
Vooral de katholieke dogma’s ontoerden hem: 'Het waren dingen die ik altijd al, in het diepst van mijn wezen, mijn gehele leven met mij had medegedragen. Ik had ze nooit openlijk uitgesproken of op schrift gesteld, maar het was alsof mijn diepste innerlijk thans een spiegel schouwde. Het was niet het andere, wat ik ontdekt had, maar het meeste eigene: ik was het zelf.’
Het zal duidelijk zijn: Gerards denkbeelden die hem vroeger angst en schaamte inboezemden, vinden hun plek. Er ontstaat een context - het katholieke geloof - waarbinnen zijn eigen gedachten en emoties, die hem voorheen onbegrijpelijk voorkwamen, niet alleen betekenis krijgen, maar ook aanvaard kunnen worden.
Zijn 'verlossing’ wordt een feit. De doodsangst van Gerard valt ook binnen dat kader; immers, 'de werkelijke verlossing van de mens is de dood’. De demonen en geesten die hem teisterden, kunnen nu worden opgesloten. Dat betekent niet dat hij er geen last van heeft - hij zal zijn hele leven last houden van angsten. Het betekent wel dat hij af is van de vrees dat hij werkelijk gek zou zijn. Als hij dat is, staat hij in een grote traditie. Niet alleen die van het katholicisme, ook die van de romantiek.
Wat wekte destijds zijn schaamte? Waarmee kwam hij in conflict met zijn ouders en Geleerde Broer? Het was het bestaan van een God. Gerard Reve kende de redeneringen van Karel en hun ouders. Hij zal het met hun logische conclusies misschien zelfs wel eens zijn geweest. Alleen hij voelde het anders. Ook hier manifesteerde zich zijn verslaafdheid aan de paradox. Zoals een geschreven verhaal wel en niet bestaat (het geschreven verhaal is niet het verhaal zoals het plaatsvindt of heeft plaatsgevonden; het is verzonnen, maar is daarom wel echt), zo is ook Gerards God echt. Voor hem. 'De waarheid liegen’, noemde Carmiggelt dit eens, en dat zou tevens een credo van Gerard kunnen zijn. Het wel of niet bestaan van God is voor hem niet eens belangrijk. Belangrijk is dat het in zijn systeem van voelen en denken alles een plaats gaf. Het gaf hem een kapstok waaraan hij zijn denkbeelden kon ophangen en waardoor hij, in betrekkelijke gemoedsrust, verder kon leven. Wat hem dol maakte, was dat hij niet kon uitleggen, aan Karel noch aan diens (voor een deel ook Gerards) vrienden, dat de logica een gepasseerd station was.
Katholieken zijn misdadigers? Vast wel. Christenhonden zijn naief? Ongetwijfeld. Alle uitspraken van de atheistische vrienden waren even geldig, en Gerard kon ze ook nog eens onderschrijven. Maar daar ging het hem helemaal niet om. Hij aanvaardde dat er een conflict was tussen de logica en het gevoel; de oplossing die hij had bedacht om dat conflict te bestrijden was om een systeem te bedenken dat orde in zijn gevoel kon aanbrengen. De katholieke dogma’s deden dat. Gerard heeft altijd systeem willen brengen in zijn paradoxale leven. Hij houdt van orde. Hij is daarin zelfs burgerlijk. Hij schaamt zich voor zijn homoseksualiteit en vindt eigenlijk dat je daar niet mee te koop moet lopen. Van opzichtige relnichten moet hij niets hebben. Maar tegelijkertijd voelt hij zich wel degelijk homo, en dat wil en kan hij niet verbloemen.
De oplossing die Reve vond, formuleerde hij eens tijdens een televisieprogramma vanuit de Heilige Hart Kerk in Amsterdam. Hij stelde: 'Ik speel de rol die ik ben.’ Mooier kon hij de waarheid niet liegen. Het katholicisme gaf hem de ouders die hij wenste, plus een rustgevend model om naar te leven.
Het fraaist is dat, in enkele alinea’s, misschien wel verwoord in een brief uit 1971 aan zijn 'Lieve Broer’: 'Ik vind langzamerhand iets van een evenwicht. Ik heb nu een erg regelmatig, geordend leven, waardoor ik enorm produktief geworden ben. Ook over het Wereldraadsel heb ik nu ideeen, waarmede je leven kunt. Jarenlang dacht ik, dat de toetreding tot de grote Kerk een malle domheid van me geweest was, maar nu begrijp ik alles pas, vijf jaar later, en zie “dat het zeer goed was”. Desgevraagd zal ik het je wel uitleggen. De Moederkerk vervangt Partij en Moeder, voor mij, geloof ik, met nog een voordeel, dat zij toegeeft een religie te zijn, wat de partij weigerde en weigert, en bovendien de Kunst zeer goed gezind is en ook goedkeurt wat geen nut heeft. Zij werkt met Openbaring en Genade, en dat vind ik fijner dan het Dialekties Materialisme en de Klasseloze Maatschappij. Het is geen menselijke werkelijkheid, de kommunistiese filosofie. Het is alles “Ersatz”. Het kommunisme plundert je, en zuigt je leeg, de H. Moederkerk voedt je, met Melk en Brood en (Pleegzusterbloed) Wijn. Ach, wat een mooie Mysteriedienst, oud als de mensheid, en het is overal vlak om de hoek - je vraagt naar de kroeg, want daar is het altijd tegenover - en kost je per jaar heel wat minder dan je huishuur of je automobiel.’
Onderaan de brief staat nog een treffend P.S.: 'Ik wilde wel naar je kijken, op de televisie, maar ik was bang dat ik er weer niet van zou kunnen slapen, en deed het daarom dus maar niet.’
In hoger beroep wordt de vermeende Godslasteraar, na een fraaie pleitrede - op essayistisch gebied verreweg het belangrijkste dat hij ooit heeft geschreven - vrij gesproken.
Het is anderhalf jaar nadat de SGP'er Van Dis zijn kamervragen heeft gesteld. (wordt vervolgd)