Gerard - 41 roem

De tweede helft van de jaren zestig betekenen voor Gerard Reve de grote doorbraak. Hij wordt een mediafenomeen, zij het niet altijd in positieve zin. Tijdens het Ezelsproces worden affiches verwijderd met Reve’s gedicht ‘Leve de marine’. De zaak loopt met een sisser af.

De gereformeerde hoogleraar en internist G. A. Lindeboom publiceert vervolgens het schotschrift ‘God en Ezel’, waarin Gerard wordt afgeschilderd als een 'bestiale necrofiel’. In het katholieke dagblad De Tijd, eveneens op de bres voor de goede zeden, wordt de schrijver na het voorlezen van een verhaal over zijn verliefdheid op een Indische jongen tamelijk zwaar gekapitteld: 'Donder nou eens op met dat gezeur en gekwebbel want dat maakt de heterofiele kijkers tot gluurders tegen wil en dank.’
Als Gerard belastingproblemen heeft en een proces begint, is dat ook nieuws dat de kranten haalt. 'Het Amsterdams gerechtshof heeft bepaald dat de schrijver G. K. van het Reve geen inkomstenbelasting behoeft te betalen over de Amsterdamse novellenprijs (f2500,-) die hem in 1963 is toegekend.’
En dan heeft hij een communicatiekanaal in de vorm van de televisie. Hij was al bekend geworden door het satirische televisieprogramma 'Zo is het toevallig ook nog eens een keer’. Een gesprek dat hij in het televisieprogramma 'Ja, nee, geen mening’ heeft met de socialistische dominee Buskes zorgt voor even veel commotie. Guus Vleugel had een lied geschreven dat 'Tango met God’ heette en de dominee vond dat weer enigszins godslasterlijk.
Gerard verdedigt Vleugel. Vanzelfsprekend.
Zijn verhouding met 'Teigetje’ (Willem van Albada) lijkt een gelukkige. De naam Teigetje had Gerard gehaald uit 'Winnie de Poeh’. Gerard ontmoette Teigetje in 1963. In een brief aan ene Berthe P., gedateerd 23 december 1963, schrijft hij: 'Ik ben gefascineerd door een magere, leptosome, niet echt lelijke, maar toch weinig filmsterachtig er uitziende, 22-jarige pharmaciestudent, die vier maanden geleden door een foto in een dagblad op mij verliefd werd en eergisteren onbeholpen, moedig, eigenlijk op ongehoord krankzinnige wijze, mij zijn aanzoek kwam doen. Er gaat iets van die jongen uit, dat mij niet loslaat. Hij is nerveus en een beetje neuroties, allicht, maar niet gek op psychopaties. Het werd steeds gekker, want ik denk waarom doet die jongen mij zo aan Wim denken, en waarom hypnotiseert hij mij als het ware? Waarom heet hij eveneens Wim, speelt hij viool, en is zijn linkeroog slecht?’
Een maand later, op 20 januari 1964, schrijft Gerard aan Josine Meijer: 'Ik benijd mijn biografen allerminst…’ Want: 'Op Willem (II) van A. word ik steeds doller.’ Er zijn echter wel een paar 'beslommeringen’: '1) Zijn ouders - gelukkig is hij 22, en woont hij in Utrecht op kamers - 2) de jonge Indiese Nederlander R., die eerst erg verdrietig was, maar nu weer aardig opknapt; 3) Willem II zelf, die geweldig vertederende gevoelens koestert jegens voornoemde R.; kortom te moeilijk om allemaal op te sommen. (…) Daarbij heb ik ruzie met Wimie die, toen ik hem vandaag eens naar zijn bank opbelde, meedeelde, dat hij liever alle relaaties wilde “discontinueren”.’
Gerard is beroemd, misschien is hij eind jaren zestig wel de beroemdste schrijver van Nederland. 'Maar ach, wat is roem?’ vraag hij zich af in een interview, 'wat is onsterfelijkheid? Onsterfelijkheid betekent: 25 jaar vrijwillig gelezen worden, en daarna nog eens 25 jaar gedwongen, op de scholen: en je slechtste, sentimenteelste bladzijde opgenomen in een bloemlezing voor het onderwijs. Alles is toch ijdelheid en een kwelling des geestes. God is de enige werkelijkheid - al het andere is een begoocheling. Maar ja, je moet voort, en aan het werk, of je er zin in hebt of niet. We zijn niet voor onze lol op de wereld.’
Met zulke uitspraken irriteerde Gerard met name de zogenaamde 'intellectuelen’ in Nederland die zich maar bleven bezighouden met de vraag of Gerard nu godsdienstwaanzinnig en een racist was, of wellicht allebei. Ze konden geen vat op hem krijgen. Men reageert zoals Maurits Duivenis in 'De avonden’ op Frits van Egters reageerde: 'Ik weet nooit of je me zit te bedonderen. Daar krijg ik nooit hoogte van.’
Is Gerard gelukkig? Misschien wel. In Greonterp (negen gezinnen) komt elke dag Douwe Lolkema de klokkentoren luiden. Huize Algra heeft Gerard omgedoopt in Huize Het Gras, naar Jesaja 40:8: 'Het gras verdort, de bloem valt af, maar het Woord onzes Heren houdt eeuwig stand.’ Zijn verstandhouding met de dorpelingen is goed; hij heeft alle honderdenacht inwoners al op een borrel getrakteerd.
Hij ziet het leven inmiddels anders: 'Het leven begint bij veertig, dat is stellig waar, maar alleen als men de Dood toelaat en hem een rechtmatige plaats toekent. Tot je veertigste leef je expansief, van je geboorte af. Na je veertigste leef je anders: niet meer van je geboorte af, maar naar je Dood toe.’
De roem die hij zich heeft verworven, kan hij overigens maar slecht aan; het houdt hem af van zijn eigenlijke werk: het schrijven. Maar hij weet ook dat hij de publiciteit nodig heeft.
Het tobben is misschien wat minder psychotisch dan vroeger, maar het is er nog wel. Zoals hij altijd heeft gedaan en zal blijven doen, probeert Gerard eind jaren zestig zijn leven te schematiseren om er een ordening in aan te brengen. Hij beweert dat als hij een familiewapen zou bezitten, er dan maar een devies voor hem geldig zou zijn: 'Alles of niets’.
En hij analyseert vervolgens 'zijn bevrijding’. Hij zegt: 'In mijn leven hebben drie grote bevrijdingen plaatsgevonden: de artistieke, de sexuele en de religieuze. Mijn artistieke bevrijding kwam, toen ik besefte, dat je geen profeet bent, maar een vakman, die bepaalde koopwaar levert. Ik wil een eerlijk zakenman zijn, die zijn klanten het allerbeste geeft dat hij maken kan, zodat hij zich over zijn produkt niet behoeft te schamen. De rest is onzin. Ik heb een winkel. Al het andere is aanstellerij en grootspraak. De sexuele bevrijding dan. Je kunt voor jezelf hebben aanvaard dat je homosexueel bent, en je kunt je leven daarnaar inrichten, maar die aanvaarding op zichzelf is voor mij nog niet de bevrijding geweest. Die kwam pas in 1962 op het schrijverscongres in Edinburg, waar die communistische aap eventjes tegen de homosexualiteit in de literatuur van leer ging trekken. Ik besefte dat, indien ik niet zou spreken, dat dan mijn leven verbeurd en zinloos zou zijn. En ik heb mijn stem tegen dat reptiel verheven. God zij dank.
En dan mijn religieuze bevrijding. Ik ontdekte een bepaalde verwantschap, een parallelliteit van mijn religieuze voorstellingswereld met die van de Rooms Katholieke Kerk. En, na al die jaren dat ik al in feite tot die geloofsgemeenschap had behoord, vond ik het fatsoenlijk nu ook maar toe te treden.’
(wordt vervolgd)