Gerard - 43/alles of niets

Tja, die relatie tussen Frans Pannekoek en Gerard Reve. In maart 1969 lijkt het Gerard beter als hij Pannekoek niet meer ziet. Hij heeft daar legio redenen voor. Hij kan niet meer tegen de toestand van ‘sociaal failliet en pauperdom’ die de kunstenaar ‘zelf zoekt, en zelf schept’ - ‘Het doet me te veel aan de sof thuis denken, een jaar of dertig geleden.’

Niettemin blijft hij Pannekoek een talent vinden: ‘Je kan iets, maar je wilt niets.’ Kortom, Gerard verwijt hem luiheid: 'Alle moeite is je te veel. Zoiets onnozels als even een lay-out, met schaar en plakpot, op een middag samen frobelen - alleen dat al vond je beneden je waardigheid.’ Gerard vertelt hem dat hij moet ploeteren: 'Kunst is in de eerste plaats gestage, moeizame arbeid, dat heb ik je al vaker aan je verstand willen brengen. Ik spuug op alles wat bohemien wil zijn en denkt dat het sjiek is om in een troep te leven. Ik heb me er altijd aan geergerd, dat je te beroerd bent om ergens serieus moeite voor te doen. Alles is je te veel, ook bijvoorbeeld als een gewone sterveling de vaat omwassen, als Pamphylia er niet is. (In Pingjum staat weder een stapel van een halve meter hoog aan elkaar te rotten en op elkaar vast te roesten: kommen, borden en bestek op het aanrecht). Ik vind het verschrikkelijk, dat ik dit alles moet schrijven. Natuurlijk ben ik een “behoedzaam kommies”, en een benauwde burger, maar je weet dat ik gelijk heb. Het is alles jouw keuze, waarop je recht heb, maar ik wil er niet meer mede gekonfronteerd worden.’
Het is weer eens 'alles of niets’ bij Gerard. En ook als hij een liefdesverhouding beeindigt, is dat steeds om dezelfde reden: de ander wil altijd van alles een beetje. De overeenkomst tussen de brieven waarin Gerard zijn verhouding met Wimie min of meer verbreekt en de afscheidsbrief aan Frans Lodewijk Pannekoek is opvallend. Ook Wimie verwijt hij dat hij, Gerard, geen vlees of vis krijgt: 'Ik vind dat we eens volwassen moeten worden. Als je niet weet wat je wilt, en als je niet, heel precies, weet wat jij onder monogamie wilt verstaan, en als je niet weet of je een baan wilt hebben, een opleiding wilt volgen, of met mij samenwerken bijv. aan vertalingen en thuis blijven waar we ons gevestigd hebben - als je dit alles, na al die jaren, niet haarfijn weet te formuleren, dan moet je niet terugkomen, want dan wordt het een ramp, en vermoord ik je, want omdat ik van je houd kan ik niet van je af, zodat mijn enige bevrijding jouw dood zou zijn. Ik hoop dat dat duidelijk is. Ik eis geen nauwkeurige uitgewerkte moraal, en als je bepaalde dingen op moreel gebied niet zeker weet, akkoord, maar dan wil ik weten wat je van mening bent dat het praktische patroon van ons bestaan moet zijn, heel gewoon.’
Duidelijkheid, helderheid, alles of niets.
Precies zo zal het later gaan als Gerard zijn verhouding beeindigt met Ernest de R. (Joseph Cals) met wie hij in de jaren zeventig een relatie had. Dan heet het: 'ik ben op, & ik wil een besluit & een oplossing, omdat ik de situatie zoals zij is, niet meer aankan. Je zegt nooit of je het een of het ander wilt. Ik denk je het beste & het liefste & het grootste toe wat ik maar bedenken kan, maar doe alsjeblieft de stap die ik je vraag: laat me los en laat me vrij, of treedt met mij voor het Altaar.’
Alles of niets, duidelijkheid.
Pannekoek begrijpt dat hun wegen moeten scheiden en schrijft een afscheidsbrief. 'De tijd van het in krantenpapier gewikkelde kruikje Kabouter in de achtertas van je HMW-bromfiets, waarmee je ’s ochtends vroeg al op weg ging om tijdig bij mijn bed te komen staan dansen en om het daarna in onderbroek gezeten, in het ochtendzonnetje op het grasveld voor het huis te kunnen opdrinken; profeterend over kunst en religie; liefst lul uit broek om goedmenende fietsende voorbijgangers te choqueren, is nu voorgoed voorbij. Ik moet je wel danken voor wat je voor mij hebt gedaan met je grote geheime kracht, waarvan maar weinig mensen eigenlijk idee hebben, waarmee je mij hebt kunnen lanceren als Kunstmaan aan ons Nationale Artistieke Firmament; tot op de voorpaginaas van verschillende dag- en weekbladen. Mocht er een God zijn dan heb jij wel met hem samengewoond; mocht er een Dood zijn (en die is er vast en zeker) dan heb jij hem wel tot op onmenselijke diepte onderzocht; zo'n Ezel kon het niet wezen of jij hebt hem bezeten & bereden.’
Het is een treurige brief en nadien is het tussen de twee mannen nimmer goed gekomen.
Ondertussen blijven er allemaal rellen en relletjes rond Gerard ontstaan. Aan Simon Carmiggelt - die regelmatig brieven van Gerard afdrukt in Het Parool - schrijft hij op 20 mei 1969: 'Ik heb wel vernomen dat kunstbroeder Jan W. (Jan Wolkers - th) een tentoonstelling heeft gehouden, waarop hij zijn vrouw zich naakt heeft laten uitkleden, terwijl hij een laken geel schilderde. Het zorgeloze Kunstenaarsvolkje. En terwijl zijn vrouw daar hartstikke naakt stond, heeft hij gekleurde balletjes op een bord heen en weer geschoven. Zo heb ik tellen geleerd. Maar hetgeen wat of dat ik mijn eigen afvraag is dit: “Wat heeft dat geelgeschilderde laken en die telballetjes en die naakte dikgevreten vrouw van hem, wat heeft dat allemaal voor nut voor de werkende massaas van het naar vrede en vrijheid strevende internationale wereldproletariaat van alle landen?”’
Uiteraard neemt Wolkers even nadien wraak. Hij noemt Gerard 'een derderangs oudehoer’ en zegt over 'Nader tot U’: 'Ik zou eigenlijk best zo'n smerig boek willen schrijven.’ Het interesseert Gerard niet.
'De God van je tante’ verschijnt, het boek over het Ezelsproces van Jan Fekkes. Ook dat geeft weer aanleiding tot veel artikelen en beschouwingen. Jan Hein Donner neemt in Vrij Nederland de 'ironicus’ Van het Reve onder de loep, zelf ironisch schrijvend: 'Niet ter zitting aanwezig, maar wel vaak genoemd, was de voormalige minister van Justitie mr. J. Donner, die destijds zijn wetsontwerp met veel scherpzinnigheid in de Tweede en Eerste Kamer verdedigde. Ik ga hier niet met mijn vader discussieren, maar het zal de lezer duidelijk zijn dat wij beiden - zijn geesteskind: de wet op de godslastering, en zijn lijfelijk kind: ik - niet goed met elkaar op kunnen schieten.’ Donner ziet de ironicus als iemand die voortdurend worstelt met de schaamte. En hij signaleert dat het met ironici zelden goed afloopt.
Ook dat kan Gerard niet veel schelen. Het is nog maar de vraag of hij zichzelf ziet als ironicus. Hij is in ieder geval in die jaren zestig nog steeds redelijk gelukkig. En dat vindt zijn bekroning als hij van minister Klompe een brief ontvangt, waarin ze hem meedeelt dat hij de belangrijkste literaire prijs in Nederland krijgt.
(wordt vervolgd)