Gerard 45 - flikkerkerk

‘Ik moest voor de locatie zorgen, voor de meest passende omgeving voor Van het Reve. Nou, dat vind ik eigenlijk de St. Pieter in Rome, dus ik concentreerde me wel op kerken. Van het Reve had al laten weten dat hij dat een reuze geil idee vond. De Mozes-en- Aaronkerk leverde technische problemen. Toen hoorde ik dat de parochie van de Vondelkerk opgeheven zou worden. Wat een loos gerucht bleek, maar toen had ik die pastoor al benaderd. En die wilde zijn kerk best aan ons verhuren. ’t Heet trouwens helemaal niet Vondelkerk, maar Allerheiligste Hartkerk.’

Aldus Hans Keller van de VPRO, daags voor de uitzending van ‘De Van het Reve-show’, zoals die in de pers werd genoemd. Het was niet de bedoeling dat de locatie zou uitlekken, maar daar kon men niets aan doen. Het kostte namelijk nogal wat moeite om de kerk in de Vondelstraat in Amsterdam tot een studio om te bouwen. De kerk was onverwarmd, dus er moesten 'blowers’ komen die van te voren hete lucht de ruimte inbliezen. Er moest een vestiaire komen en er moesten juffrouwen worden gearrangeerd die de jassen wilden aannemen. Tevens werd een buffet met koffie en frisdranken gehuurd plus een toiletwagen. Om de kabels van de VPRO naar de televisiewagens te geleiden moest er een deur worden opengebroken die in geen honderd jaar was gebruikt.
Gerard zelf mocht het programma samenstellen.
Hans Keller en hij gingen zodoende naar een discotheek om daar alle nummers van de Zangeres Zonder Naam te draaien. De schrijver was een grote fan van haar. Hij koos 'Het liedje van de vlieger’ over een jongen die een gouden ansichtkaart aan de staart van zijn vlieger bindt om die naar zijn moeder in de hemel te sturen. De Zangeres zelf kwam uiteraard het betreffende lied zingen. Verder wenste Gerard een goochelaar in zijn programma (dit werd Ted Alton), hij wilde een aria horen (deze werd vertolkt door de bas Hermann Schey), plus een jongleur (Hans Hudson), een acrobaat op een geamputeerde fiets (Maurice Delmonte) en de Muziekvereniging Tot Aangenaam Verpozen En Nuttige Ontspanning. Het publiek bestond uit leden van de Maatschappij voor Letterkunde en studenten van de Universteit van Amsterdam en Leiden.
Aanvankelijk was een christelijke brassband gehuurd onder leiding van Meindert Boekel. Maar Boekel trok zich terug wegens 'technische bezwaren’. Zijn brassband, zei hij, had nooit geleerd te marcheren in een kerk, zoals Gerard Reve wenste.
Uiteraard kreeg ook pastoor H. Wortmann van de Vondelkerk het zwaar te verduren. Hij zei dat er tegenover G.K. van het Reve twee houdingen mogelijk zijn: bewondering en verguizing. En hij kwam tot de conclusie dat niemand werd gedwongen naar de kerk te komen en dat ook niemand werd gedwongen het televisietoestel aan te zetten. Dus stemde hij toe. Hij stond met dit standpunt recht tegenover zijn kapelaan G. Meershoek, die in het parochieblad verklaarde geen enkele verantwoordelijkheid voor het feest te willen dragen. Daarop antwoordde pastoor H. Wortmann met een bijbelcitaat, Lucas 6:37: 'Wees barmhartig gelijk uw Vader barmhartig is. En oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden. En veroordeelt niet en gij zult niet veroordeeld worden; laat los en gij zult losgelaten worden.’ Het dagblad De Tijd verweet pastoor Wortmann evenwel pastorale fouten en progressieve doordraverij.
Een uur voor de uitzending neemt prof. H.A. Gomperts het woord, de man die Gerard zal interviewen. Hij spreekt het publiek toe: 'Zoudt u onnodig geloop in de kerk achterwege willen laten? Omdat er dan zeer grote verwarring kan ontstaan, waar deze kerk niet op berekend is. Als u grote behoeften hebt te doen, kan dat buiten het gebouw. Daar staat een mobiel voertuig, dat stil staat om uw behoeften te ontvangen. Neemt u wel uw toegangskaart mee, anders mag u niet meer terug. Dat u het maar weet!’
De uitzending. Gerard doet enkele ferme uitspraken. 'De katholieke kerk is een poppenkast en in een poppenkast hoort een Jan Klaassen.’
'Je kan je eigen ophangen, je kan je eigen ook niet ophangen. Ik heb verscheidene malen voor de keus gestaan. Ik heb me eigen niet opgehangen. Je moet voort.’
Onder de toeschouwers zit broer Karel naast zijn langharige zoon David. Karel luistert aandachtig, met de hand achter de oorschelp, want de akoestiek is slecht. Karel knikt instemmend als Gerard zegt: 'Ik heb nog nooit een communistisch verzorgingshuis gezien.’
De eindtoespraak van Gerard is zeer ontroerend: 'Lieve vrienden, kunstbroeders, geachte aanwezigen. Het past natuurlijk dat ik u iets zeg. Een woord dat te maken heeft met dank en dankbaarheid. Er zijn mensen die over mij zeggen - of het vijanden zijn weet ik niet - hij is een acteur, een charlatan, een komediant, hij is een clown. Tegen die mensen zou ik willen zeggen: Ja, dat is waar; ik ben een acteur, ik ben een komediant, ik ben een charlatan en een clown. Maar het krankzinnige is dat de rol die ik speel, dat ik dat ben; en dat ik vanavond, dat geloof ik in diepe ernst, eigenlijk niets heb gezegd wat ik niet heb gemeend. En nu zou ik in enkele woorden willen zeggen wat ik over de laatste en uiteindelijke dingen geloof; los van het feit dat ik toevallig in een bepaalde religieuze denominatie sta - dat is niet zo gewichtig: dat ik geloof dat God, de liefde en de dood drie woorden zijn voor een en hetzelfde. En dat als er vrijheid is, een menselijke vrijheid, dat die ons gegeven is in de dood. En dat de zin en het doel en de betekenis van het leven de dood is. Zoals ik heb gezegd in mijn gedicht: “Nu weet ik, wie gij zijt,/ De Jongen die ik eenzaam zag te Woudsend en daarna,/ nog op dezelfde dag in een kafee te Heeg./ Ik hoor mijn Moeders stem./ O Dood, die waarheid zijt: Nader tot U.”’
Na afloop roept de overspannen kapelaan Meershoek: 'De Heer is opnieuw gekruisigd.’
Mgr. Zwartkruis, de verantwoordelijke bisschop, deelt de pers mede dat hij geen toestemming had gegeven voor de happening. Pastoor Wortmann verontschuldigt zich bij de parochianen.
Verontruste katholieken zetten een advertentie in de Volkskrant met een oproep om op het Begijnhof te bidden om 'eerherstel te brengen voor de beledigingen Gods Majesteit aangedaan door het misbruiken van een onzer Godshuizen met name de kerk van het Allerheiligst Hart’.
In het weekeinde na de uitzending wordt de Vondelkerk beklad met de teksten: 'Flikkerkerk’ en 'Ezelskerk’. Op het trottoir voor de kerk is een ezel gekalkt.
Wortmann zegt dat hij toch niet helemaal op de hoogte was gebracht van wat zich in de kerk zou afspelen. Meershoek laat weten 'totaal beschaamd en confuus te zijn’.
Pastoor Wortmann vraagt in zijn zondagspreek vergeving. De katholieken die zich gegriefd voelen, leggen bloemen bij het Maria-altaar op het Begijnhof en beleggen een bijeenkomst in Krasnapolsky. Daar wordt over Van het Reve gezegd: 'Eruit met die verrader! Wraak. Op de brandstapel met die smeerlap.’ Er waren vijfhonderd aanwezigen. Het rumoer is zo heftig dat een zaalwachter naar binnen loopt en roept: 'Stilte, stilte, er is hiernaast een operette aan de gang.’
(wordt vervolgd)