Gerard - 46/writer’s block

In 1966 verscheen ‘Nader tot U’, de tweede bundel Zendbrieven. Zes jaar later, in 1972, verscheen het volgende grote boek van Gerard: ‘De taal der liefde’. In die zes jaar schreef hij wel het een en ander, maar veel was het niet. Had Gerard in die tijd een writer’s block? Kan zijn. In ieder geval werd hij afgeleid. Van 1966 tot 1972 zijn er zo'n vijfendertig kleine en grote ‘affaires’ waarmee de schrijver de pers haalt.

Daaronder de Duitse vertaling van ‘De ondergang van de familie Boslowits’ (1966) , de 'rijmprent’ van het gedicht 'Leve onze marine’, die op last van de politie wordt verwijderd uit Athenaeum Boekhandel op het Spui in Amsterdam (1967), de eenmalige uitgave (drieduizend exemplaren) van 'A prison song in prose’ (1968) het verhaal dat Gerard al in 1960 had geschreven, de Zweedse vertaling van 'De ondergang van de familie Boslowits’ (1969) door Sven Delblanc en Marquerite Tronqvist, de Duitse vertaling van 'Nader tot U’ (1970), de verkoop van het huis in Greonterp (1971) en Gerard die in Veenendaal, waar hij is gaan wonen, een man beledigt en hem in het gezicht slaat. Het incident wordt door Gerard afgekocht - hij betaalt de man een ruime genoegdoening. Het winnen van de P.C. Hooftprijs kostte hem een jaar, zegt Gerard in een brief.
Pas in het jaar 1971 ging hij weer schrijven, daarvoor leek het niet te gaan. Een gedeelte van het boek 'Lieve jongens’ (dat in 1973 zou verschijnen) speelt zich af in 1967 of daaromtrent. Daarin de volgende passage over Gerard die bij Tijger in bed ligt.
'Wat moet er van ons worden, Tijger?’
'Je ziet het allemaal somber in, Beest. Morgen zie je het allemaal anders.’
'Ja?’
'Ja, hoor.’
'Ik schrijf niet meer. Ik kan helemaal niet meer schrijven. Ik kan nooit meer schrijven.’
'Dat is toch onzin, Beest. Dat heb je toch altijd gehad, die angst. Tussen het ene boek en het andere boek zitten toch altijd een paar jaar, dat je zoekt, en probeert, en denkt dat je het nooit meer vindt. Maar als je eenmaal begint, dan gaat het toch meteen weer?’
'Ik heb al ik weet niet hoe lang niets geschreven.’
'Je hebt wel eens drie jaar achter elkaar helemaal niets geschreven. En je boek, dat is goed, dat is een geweldig boek, en dat is pas net een jaar geleden verschenen.’
Tijger doelt op 'Nader tot U’. Inderdaad heeft Gerard van 1951 tot 1955 niets geschreven, en er zijn wel meer perioden aan te wijzen waarin hij nagenoeg geen pen aanraakte. Maar ditmaal houdt de crisis lang aan.
Heeft hij last van depressies? Ook. Hij heeft er zelfs veel. Ze gaan gepaard met aanvallen van razernij - zo weet men thans nog in Greonterp te vertellen. Gerard drinkt ook veel in die tijd. Zowel in de brievenboeken als in de prozaboeken (met name 'Lieve jongens’ en 'Bezorgde ouders’) wordt koning Alcohol als de grote boosdoener aangewezen. Aan Tijger wordt voortdurend verzocht de drank te verbergen. Er zijn echter geen deliriums meer die tot opname leiden. Wel wordt er her en der (met name in de brieven aan Carmiggelt en later in de 'Brieven aan Mijn Lijfarts’) gewag gemaakt van kalmerende injecties en grote hoeveelheden pillen.
Het zou kunnen dat Greonterp een kwalijke invloed op hem uitoefende. Wie nu Greonterp bezoekt, kan zich daar iets bij voorstellen. Het huisje staat in een dorpje dat zelf weer aan een doodlopende weg ligt. Op het huisje zitten nog steeds de twee plaquettes die Gerard er in heeft gemetseld; een met 'Huize Het Gras’, geflankeerd door een zandloper en een inktpot met veer, en een met de tekst 'Pati et Contemni’. Het huisje is klein. Ongeveer drie meter van Gerards voormalige voordeur begint een kerkhofje, dat thans op een graf na geruimd is. Gerard wilde in 1966 het kerkhofje met de kapel kopen. Buurman Douwe Lolkema luidt dan nog dagelijks de klok. Huize Het Gras is nu het een na laatste huisje van het straatje. Douwe Lolkema is dood. De familie Hofmeyer, destijds de andere buren van Gerard, wonen nog steeds op nummer 18.
De schrijver heeft in juni 1966 het hele dorp een feest aangeboden. Hij liet toen een helikopter - bestuurd door een kennis, de piloot 'Korper’ - allerlei pakjes boven Greonterp uitstrooien. Op die pakjes stonden teksten als: 'De luchtkoning van de Vier Winden der Aarde groet U eerbiedig.’ En aan de kinderen schreef Gerard: 'De vliegende Kabouter groet de lieve kinderen van Hofmeyer.’ De geste werd zeer op prijs gesteld. Aan de piloot schreef Gerard later: 'Kun je niet maken dat hij de volgende keer een Jongen neerlaat?’)
Er heeft zich tamelijk veel in het huis afgespeeld; Gerrit Komrij en zijn vriend Charles Hofman logeerden er, Frans Pannekoek kwam er regelmatig, en het verhaal 'De kunst’ speelt zich daar, in 'de Grote Salon’ af - een verhaal, zou je kunnen zeggen, over drank, dood en eenzaamheid. Hij verkoopt Het Gras als hij in Veenendaal gaat wonen. Samen met Tijger trekt hij in bij Woelrat en 'Maman’, de moeder van Woelrat.
Was het inderdaad de combinatie van drank, pillen en Greonterp? Wijlen Johan Polak vertelde: 'Gerard was er toen slecht aan toe. Ik had toen nog een goed contact met hem. Ik zag dat hij te veel dronk en te veel medicijnen slikte. Gerard deed eens een la open, hij woonde toen al in Veenendaal, en toen zag ik allemaal injectiespuiten liggen. Ik heb toen tegen Gerard gezegd: “Gooi dat alles weg en ga schrijven voor Soma.” Dat heeft hij toen gedaan. Dat is zijn redding geweest. En daarvoor was hij mij dankbaar. Daarom kwam “De taal der liefde” ook bij mij uit, en niet bij Geert van Oorschot.’
In 1969 leefde Gerard nog in onmin met Johan Polak aan wie hij toen schreef: 'Waarde Johan. Ik zou het liefst willen, dat je niet op de avond in de Allerheiligste Hart Kerk kwam, maar met een van je beroepsurningen elders in de stad de avond doorbracht. Mijn waarschuwing terzake Reptiel Rogier is gemeend. Ik zal op hem inranselen, en hem zo mogelijk doden. Jij hebt nooit iets begrepen, en zult ook nooit iets begrijpen. Dat hindert ook niets, als jij me maar, voorgoed, tot mijn Dood, met vrede laat.’
Feit is dat Gerard na 1971 weer 'hard aan het werk’ gaat, en met grote regelmaat boeken publiceert.
(wordt vervolgd)