Gerard - 48 politiek (1)

In de jaren dat Gerard Reve niet schrijft maar processen voert, de P. C. Hooftprijs wint en katholiek wordt, houdt hij zich ook - soms bewust, maar meestal ongewild - bezig met politiek.

Het lijkt ook of de politiek met argusogen kijkt naar de gedragingen van de schrijver. Het Ezelsproces was natuurlijk voor een groot gedeelte een politiek proces. Wie bemoeiden zich er niet allemaal mee: Algra (AR), Van Dis (SGP), Samkalden (PvdA), Vrolijk (PvdA), Beerekamp (CHU). Niemand van de KVP, overigens. Ondertussen beweerde Harry Mulisch dat Gerard een racist was en een vermaledijde anticommunist. Maar ook W. F. Hermans verzet zich tegen zijn collega-schrijver en Wolkers is eveneens tegen Gerard. Nee, onder zijn collega’s is Gerard niet populair. Ze vinden hem een ouwehoer. De intelligentsia - of wat daar voor moge doorgaan - heeft het ook moeilijk met hem. Algemeen aanvaard is weliswaar dat hij een knap schrijver is, maar zijn religieuze en politieke opvattingen vindt men te rechts of niet serieus.
Aan de andere kant fungeert Gerard als het boegbeeld dat ‘links’ wijst op de vele maatschappelijke tekortkomingen. Het Ezelsproces liet zien hoe groot de invloed nog was van de kerk op de politiek en ons maatschappelijke handelen. Zijn openlijk beleden homoseksualiteit bracht ook aan het licht hoe bekrompen Nederland nog dacht over de seksuele moraal.
En hoe het gesteld was met onze vrijheid van meningsuiting bleek wel toen - in die jaren zestig - bijvoorbeeld de officier van justitie uit de etalage van boekhandel Athenaeum in Amsterdam een affiche liet verwijderen met Gerards gedicht 'Leve de marine’. Men vermoedde dat het pornografie was.
Maar Gerard zelf? Hoe dacht hij werkelijk in die tijd?
Zijn vrouw Hanny Michaelis had destijds al gezegd dat Gerard in de jaren vijftig wat betreft communisten een zekere paranoia aan de dag legde, hoewel hij nog wel PvdA stemde. In 1958 had Gerard zich geweldig opgewonden toen Boris Pasternak de Nobelprijs kreeg (wat als een anticommunistische daad werd gezien). In de jaren zestig - opkomst Provo, de Vietnam-oorlog - zal Gerards standpunt zich verharden, of beter: verrechtsen.
Ho Sjih Min moordenaar!Dood aan de Phytth Ckhong!Weg met Piet Nak!Leve het kapitalisme. Dit gedicht stuurde hij in maart 1968 naar verschillende kranten. Het schokte links Nederland. Piet Nak had nog een voorname rol gespeeld in de Februaristaking en was in de jaren zeventig een geengageerd voorganger in anti- Vietnamoorlogdemonstraties.
Het is thans moeilijk aan te voelen waarom er zo heftig op het door de schrijver beleden kapitalisme werd gereageerd. Het kapitalisme werd in bepaalde vooruitstrevende kringen destijds ervaren als iets dat eigenlijk gelijk stond met het nazisme. En de oorlog in Vietnam werd eveneens gezien als iets verderfelijks. Gerard vond dat niet. Was Gerard inderdaad rechts? In een brief aan zijn vriend Wim B. schrijft hij in 1970: 'Je weet dat ik niet rechts ben, maar ongeveer wat men zou kunnen noemen een “centrum- socialist”. Maar wat ik dorst te beweren stempelde mij tot een “reactionair tot en met”. Nu ik dit allemaal opschrijf moet ik weer 25 cc chloraalhydraat innemen.’
In dezelfde brief zegt hij over de Vietcong: 'Ik heb een circulaire van het Comite Schrijversprotest ontvangen, die medicamenten en medische instrumenten willen financieren voor de Phytt Ckhong. Nu moet je weten, dat de Phytt Ckhong, als ze een dorp of stadje bezetten, het medische hulpteam, de verpleegsters, alles, uitmoorden, en volledigheidshalve ook de operatiekamer van het ziekenhuis bij hun terugtocht plegen op te blazen. Ook plaatsen ze op willekeurige plekken in Saigon tijdbommen, die willekeurige kinderen en voorbijgangers treffen.’ Gerard distantieerde zich van de actie en dat werd hem niet in dank afgenomen.
De provobeweging, Vietnam, de verlinksing van de samenleving - de schrijver kan het niet aan. Hij ziet er bedreigingen in en het ergert hem dat anderen dat niet zien.
'Algra verwerpt mijn werk op morele gronden, en is tegen rijkssubsidie te mijnen gunste, en daarin is hij mijn tegenstander’, betoogt hij. 'Maar tegenover het communistische, van middeleeuwse waarheidswaan bezeten schrikbewind, dat schrijvers in gevangenissen stopt en erger verdrukt dan het tsarisme ooit heeft gedaan, is hij mijn bongenoot. Zeker is er in Nederland een zekere tendens aanwijsbaar in die richting van het totalitaire - de zondagsrechtspraak bijvoorbeeld, en de waanzinnige hoge strafmaat jegens enkele provo’s - maar wij zijn nog geen politiestaat. Als de provo’s hun zin krijgen, wordt ons land dat wel. Hun activiteiten komen voort uit angst voor vrijheid, en uit een hunkering naar geweld. Zij zullen niet rusten, voordat ons land een dictatuur is. Ze zijn tegen het gezag, behalve wanneer dat gezag meedogenloos en ethiekloos is, want dan aanbidden ze het. Ze haten en verachten de politie en onze staat, omdat ze gepakt en berecht worden. Laten ze dan naar Oost-Europa gaan, misschien valt er een reisfonds voor hen op te richten. Ik vind het een domme troep zakken.’
Aldus Gerard Reve in Elsevier in 1966. Het waren uitspraken die men eigenlijk niet begreep, en die men zag als 'verzet’ tegen het milieu. Daar zit misschien iets in. Juist door zijn 'milieu’ wist hij hoe verderfelijk het communisme kon zijn. 'Mijn Geleerde Broer heeft mij prive nog wel eens dingen uit Moskou verteld, die hij wegens gevaar voor de betrokkenen niet gepubliceerd heeft. Ik lig er wakker van’, schrijft hij (op Karels verjaardag in 1970) weer aan Wim B., aan wie hij veel van zijn politieke ideeen kwijt kan.
Begin jaren zeventig overweegt Gerard zelfs, in een depressieve bui, om naar Amerika te verhuizen in verband met zijn 'veiligheid’. Hij laat het idee snel varen. Overigens had hij dit idee in het begin van de Koude Oorlog ook al eens gehad.
In de jaren zestig en zeventig schrijft Gerard tal van 'kritische stukken’, die vaak ook een politieke lading hebben. Zo publiceert hij een magistraal betoog over pornografie ('Dialoog’, 1965). De vervolging van pornografie is volgens Reve morele censuur: niets anders dan een restant van politieke censuur.
'Wie opkomt voor de vrijheid van drukpers, ook voor het verspreiden van pornografie, dient de verdediging van een der fundamentele menselijke vrijheden.’
Wie aan het begrip 'vrijheid’ komt, komt aan Gerard Reve. Dat is een constante, een kompas waarop hij altijd heeft gevaren. (wordt vervolgd)