Gerard - 49 de politiek

‘De nieuwe mythen zijn overal aan te wijzen. De wetenschap is er allerminst vrij van, kunst en vooral kunstkritiek krioelen ervan, maar een gebied dat van mythen volslagen overwoekerd ligt is: de politiek’, schrijft Gerard Reve in het artikel ‘Desmaskee der demaskering’.

Hij vervolgt: ‘Zo ben ik er van overtuigd dat de bewust verworpen mythe van de erfzonde (…) onbewust voortleeft in de mythe van de zogenaamde “schuld van het Westen” jegens de arme, voormalig koloniale volken, wier deplorabele toestand (zie bijv. China, Indonesie) toch zonneklaar aan niets anders te wijten is dan aan eigen indolentie en eigen onwil, orde op zaken te gaan stellen inplaats van zich bezig te houden met parades, “confrontaties” of de verwoesting van bibliotheken, ambassades, tempels, kerken en musea.’

Zonneklaar eigen indolentie - het zijn dit soort uitspraken die hem later in het troebele licht van een racistische maatschappijbeschouwing zouden plaatsen. Maar in 1967 wordt het alleen nog gezien als niets meer en niets minder dan een zeer rechtse mening.
Het stuk is bijzonder omdat Gerard in het jaar dat hij katholiek wordt ook een vergelijking trekt tussen het marxisme en de kerk en opmerkt: 'De parallelliteit is verbijsterend: De Partij kan nooit dwalen - hoogstens hare gezagsdragers; Oude en Nieuwe Testament zijn vervangen door respektievelijk Het Kapitaal van Marx en Staat en Revolutie van Lenin. De Kerk heet onze moeder, de Partij noemt zich, nauwelijks bescheidener, de “vroedvrouw van de geschiedenis”; het heil van de Partij zal de oude Adam herscheppen, want haar priesters noemen zich “de ingenieurs van de nieuwe mens”. De Partij heeft haar martelaren, heiligen en heilige plaatsen (Highgate Cemetry, Lenin Mausoleum), haar hagiografieen, heksenprocessen en processies, haar ikonen, haar kleine rode catechismus, en haar - natuurlijk talrijke, gevaarlijke en uiterst arglistige - vijanden.’
Gerard noemt nog een pagina lang de diverse overeenkomsten op. Dit alles ter adstructie van zijn stelling: 'Hoe feller en compromislozer de bewuste afwijzing van de bekende mythe, hoe onvoorwaarderlijker en dieper de onbewuste overgave aan dezelfde mythe in een andere gedaante, waarin hij door de betrokkenen niet meer als mythe wordt herkend.’

In het artikel trekt de schrijver weer fel van leer tegen het antisemitisme - wat hij overigens sinds de de Tweede Wereldoorlog altijd consequent heeft gedaan:
'Zelfs dat gruwelijke erfgoed van het christendom, het antisemitisme, is in volle kracht aanwezig: de haat jegens de “perfide joden” die het heil uit Christus verwerpen en daarom moeten worden vervolgd en uitgeroeid, uit zich, behalve in de onderdrukking en achterstelling van de joden in Rusland zelf, bovendien in een uitzinnige hetze tegen Israel, dat een nationaal bestaan prefereert boven het wel erg precaire heil uit Lenin; de oude verzinsels, van de Protocollen der Wijzen van Zion, van de joodse samenzwering tegen de mensheid en van het monsterverbond van “joden en plutocraten” hebben in de communistische mythe een nieuwe gestalte gekregen, maar hebben bijna woordelijk de terminologie van Julius Streicher en Joseph Goebbels hun verwoording gevonden: “handlanger van het internationale oliekapitaal”.’
Terwijl Gerard op deze manier zijn haat tegenover en afschuw van het communisme ventileert, houdt zijn Geleerde Broer Karel in zijn hoedanigheid als hoogleraar Slavische talen een serie voordrachten over de grondslagen van het marxisme-leninisme. Deze lezingen zouden twee jaar later, in 1969, uitmonden in het boek 'Het geloof der kameraden’. De oude Vanter corrigeerde dit boek en werd zodoende gedwongen het te lezen - ook hij viel toen, na zijn kinderen, af van zijn communistische geloof.
Gerard krijgt steeds meer de behoefte zich af te zetten tegen 'Rood Nederland’ - hij wil daartoe graag in de Haagse Post geinterviewd worden. Weer een fel verzet tegen de revoluties in het algemeen en de inval in Tjechoslowakije in het bijzonder. Het baart hem zorgen. Hij begrijpt niet dat zijn kunstbroeders zich niet meer tegen het communisme verzetten. De ontwikkelingshulp blijft hem een doorn in het oog. Hij meent, zoals hij in 1968 in een brief aan R. P. van Gorsel ('Brieven van een aardappeleter’) uitlegt, dat men geen geld moet geven, maar moet lenen. 'De primitieve mens keert zich eerder tegen zijn weldoener - die hij als zijn meerdere ziet - dan tegen zijn vijand, die hij als zijn gelijke kan beschouwen. Het is zeer significant, dat onder Soekarno en zijn gangsterbewind alle haat en terreur zich keerden tegen het land dat Indonesie onafhankelijk heeft gemaakt. (…) Hulp moeten wij verlenen op zakelijke voorwaarden, en uit eigenbelang, en wij moeten ook steeds op dat eigenbelang eerlijk blijven wijzen.’

Ondertussen, in 1969, wordt 'De avonden’ verboden in de Openbare Bibliotheek van Rijssen. Dit wordt na protesten teruggedraaid: het boek kan alleen op schriftelijke aanvraag worden verstrekt; alleen al 'de figuur’ Gerard Kornelis van het Reve zou 'kwetsend kunnen zijn voor katholieken en gereformeerden’.
De uitreiking van de P. C. Hooftprijs (de kus aan minister Marga Klompe) geeft ook weer stof voor politieke opwinding. Harmsen van de Boerenpartij vond dat de minister te veel waardering voor de schrijver liet blijken. In een interview spreekt hij over een man met 'vieze homoseksuele obsceniteiten’. Klompe ontkent dat ze reclame heeft gemaakt voor Reves manier van leven.

Gerard blijft de mensen verbazen. Tijdens een forum in Heerlen over homofilie, beweert hij dat het organiseren van dit soort bijeenkomsten een modeverschijnsel is. Even later zegt hij dan ook zijn lidmaatschap van het COC op, dat hij 'veel te links’ vindt worden. In 1970 begrijpt Gerard dat hij niet meer op de PvdA kan stemmen en ook niet op de KVP. In een brief aan Klaas de Wit: 'Wat de politiek betreft: ik stem op de Vereniging voor Vrijheid en Democratie (VVD), omdat het de enige niet-confessionele partij is, die haar stem durft te verheffen tegen de groeiende terreur van het gepeupel, en tegen de aanbidding van het imbeciele jeugd-gangsterdom. Ik ben voor de verdediging van de grote grondwettelijke vrijheden, en acht die bij de liberalen veiliger dan bij D'66 (die het districtenstelsel willen herinvoeren) of bij de P. van de A. (die tegen de Nato en voor erkenning van de Duitse politiestaat van Ulbricht is).’ Gerard vindt verder in Nederland alles 'verbrokkeld, verdeeld, onduidelijk en fragmentarisch’.

In die periode ondertekent Gerard dan ook vrijwel elke brief met 'Dood aan de Arbeiders!’ of 'Dood aan de Phytt Ckhong! Leve het Kapitalisme nu! God en Kunst.’
Het zijn parodieen op de slogans die je overal in Rusland kunt zien en waarover Broer Karel in 'Het geloof der kameraden’ zegt dat die leuzen je iets leren over de agressie van het communisme. Karel: 'Men zal niet licht, in de trein voorbij Dordrecht rijdend, een bord zien staan met “Leve de Heidelberger catechismus!”, of in Wassenaar “Leve het vrije spel der maatschappelijke krachten. De aandeelhouder wint!” Zelfs aan de gevel van de Partij van de Arbeid hangt bij mijn weten nog geen spandoek “Weg met Willem Drees en Willy Brandt! Leve de DDR!” ’
(Wordt vervolgd)