Gerard - 51/simon c.

Gerard Reve heeft zijn brieven altijd voor twee zaken gebruikt: als opwarmer voor het daadwerkelijke schrijven, en ter vereffening van zijn schuldgevoel wanneer hij niet aan zijn proza had gewerkt. Zijn brieven, hoe kort ze soms ook zijn, doen dan ook niet onder voor zijn bellettrie. Ze maken er een onlosmakelijk onderdeel van uit.

Vanaf 1 mei 1971 schrijft Gerard regelmatig aan Simon Carmiggelt. Dat is precies in de periode dat zijn vijf jaar omvattende schrijversblok voorbij lijkt te zijn. Zijn correspondentie met Carmiggelt kan wellicht worden gezien als een breekijzer om dat blok te slechten. Gerard schrijft Carmiggelt om de week, soms twee keer in de week.
Waarom Carmiggelt?
Gerard zelf zegt dat zijn brieven aan Carmiggelt ‘een soort literaire verantwoording’ zijn: 'Kijk, dit doe ik met het vak dat ik van jou geleerd heb.’
Maar de stelling lijkt ook verdedigbaar dat hij Carmiggelt gewoon nodig had. Gerard, met de crises die hij had doorgemaakt, had behoefte aan iemand om te tonen wat hij kon; iemand in wie hij vertrouwen had, wiens oordeel hij hoog achtte en die hem niet meteen om de oren zou slaan met allerlei ethische bezwaren. Zo iemand was Carmiggelt. Vroeger zocht Gerard zijn heil bij 'vrienden’, aan wie hij eveneens hartstochtelijk schreef, maar in de Nederlandse literatuur was eigenlijk niemand te vinden met wie hij op goede voet stond en tegenover wie hij toch enige afstandelijkheid had. W. F. Hermans en Gerard waren geen vrienden meer, zo ze het ooit waren geweest. Tussen Gerard en Harry Mulisch was de sfeer ronduit vijandig te noemen. Met Jan Wolkers had hij geen enkele affiniteit. Maar met Carmiggelt, zijn oude leermeester, met wie hij nog nooit een ernstig conflict had gehad, kon hij zich goed verstaan. Gerard herkende veel in Carmiggelt. Beiden hadden problemen met de drank, met de ouderdom ook; er was een lichte overeenkomst in politiek denken, vooral waar het communistenhaat betrof; verder waardeerde Gerard Carmiggelts schrijverschap: beiden bewonderden dezelfde soort literatuur, ze hadden min of meer dezelfde poetica, en ze deelden de opvatting over wat goed Nederlands was.
Gerard schreef Simon zo nu en dan, een brief die Simon dan omwerkte tot een Kronkel, keurig met bronvermelding. Soms ook verzorgde Gerard de hele Kronkel; dan had Simon ook eens een makkelijke dag. Gerard vroeg nooit geld voor die stukjes.
Carmiggelt was weliswaar ouder dan Gerard, maar onderhand toch een generatiegenoot geworden; ze hadden min of meer dezelfde kennissen. Carmiggelt kende de familie, was een kennis van Karel en had Vader Vanter meegemaakt in de begintijd van Het Parool.
In de eerste brief die Reve aan Carmiggelt schrijft, vraagt hij Simon hem zijn mening over het eerste verhaal dat in Soma zal verschijnen, en hij zegt: 'Ik ben van de alcohol en de kalmerende middelen af, en daardoor permanent matig gedeprimeerd en zwaarmoedig in plaats van, op en af, geestdriftig en dan weer door woeste Angsten verteerd.’ Hij weet dat Carmiggelt dit herkent - die is immers ook van de drank af - en vervolgt: 'Ik ben vaak panies bevreesd, dat ik nooit meer zal kunnen schrijven.’
Die angst is reeel, blijkens het schrijversblok van vijf lange jaren.
De brieven aan Carmiggelt - later zou een complete bundeling volgen onder de naam 'Brieven aan Simon C. 1971-1975’ - zijn van uitzonderlijke kwaliteit. Gerard stort zijn hart uit, filosofeert, geeft raad en hij is vooral bezig zichzelf te vormen.
De kwaliteit van de brieven viel ook Johan Polak op. Ook zag hij - althans naar eigen zeggen - dat Reves nieuwe verhaal, dat later met de brieven gebundeld zou worden in 'De taal der liefde’ - een 'Vorausdeutung’ was op later, wellicht nog superieurder proza. Of in de woorden van Johan Polak: 'Gerard schreef in “De taal der liefde” een verhaal van het heden naar het verleden. Hij schetste wat er was gebeurd in de jaren dat hij niet schreef. De brieven aan Carmiggelt waren een weerslag van wat Gerard nu dacht, en ik meende door die brieven in “de taal der liefde” te stoppen, een hechtere compositie te krijgen van waaruit later “Lieve jongens” beter begrepen zou worden.’ De uitgever zei mij dit tijdens een Gerard Reve-avond in Paradiso in 1991, toen zij weer eens ruzie hadden. Polak was in die dagen trouwens genereus bezig zijn ongemakkelijke vriend 'te verkopen aan de Noren, om die te bewegen Gerard de Nobelprijs te geven’.
Als 'De taal der liefde’ in februari 1972 verschijnt, is het meteen een enorm succes. Elke maand verschijnt er een nieuwe druk. Gerard komt ook op de televisie met Antoine Bodar, maar de meeste publiciteit krijgt hij toch door het laatste hoofdstuk uit 'De taal der liefde’, waarin de hoofdpersoon een ontmoeting heeft met Hare Majesteit de Koningin: 'Ik tref de Koningin aan bij het inplakken van postzegels in een album. Daar geneert ze zich voor, en doet het album snel weer dicht als ik binnenkom. Ze zegt: “Het is me het boek, dat u geschreven hebt!” ’
'De taal der liefde’ eindigt dan ook met de veelbetekenende zin: 'Dank U, Majesteit.’ (Wordt vervolgd)