Gerard - 52 tjoeki tjoeki

De prozaische ontmoeting met Hare Majesteit de Koningin baart veel opzien. Sommige recensenten vinden Gerard flauw, maar Nico Scheepmaker gaat meteen kijken of het waar was wat de schrijver beweerde en stuit inderdaad op een foto van Gerard en Juliana, gemaakt op het Boekenbal in 1956. Gerard en de Koningin!

Al in 1966, vlak na de publikatie van ‘Nader tot U’, liet Gerard zich interviewen door het studentenblad Bikkelacht. De redacteuren Hans Knegtmans, Rogier Proper en Frits Boer (de laatste was een huisvriend van Teigetje en Gerard) waren in hechtenis genomen wegens majesteitsschennis; het betrof een collage die Beatrix in een zinneprikkelende pose toonde. Uiteraard wordt Gerard in het tijdschrift aan de tand gevoeld over het koningshuis, Claus en de monarchie in het algemeen. 'Wie tegen Claus demonstreerde, demonstreerde eigenlijk tegen de democratie’, betoogt Gerard. En hij gaat verder: 'Zeker, Claus was in de weermacht en in de Hitlerjugend. Maar niet vrijwillig. Ik geef toe, dat het argument dat hij om die redenen ongeschikt zou zijn om mede-symbool te worden van de Nederlandse nationale eenheid, een sterk argument was. Maar de overweldigende meerderheid van het Nederlandse volk toonde zich bereid dat bezwaar niet te doen gelden. En men kan, precies van de andere zijde uit redenerend, ook betogen dat dit huwelijk tot een symbool kon worden van verzoening met de vroegere vijand.’
Gerard verwijt het koningshuis dat het begeleid en bestuurd wordt door 'bizantinistiese lakeien - mensen, paradoxaal genoeg, die voor het wezen van de monarchie en het onvervangbare symbool dat zij is, geen enkele achting of werkelijk begrip hebben’. Gerard ergert zich aan het 'fiktieve Nederlands’ dat gebezigd wordt als men over het koningshuis spreekt. Het is altijd 'Hare Majesteit de Koningin’, in plaats van 'Koningin Juliana’.
'Nog een voorbeeld’, vervolgt Gerard, 'de koningin komt ergens in een bedrijf, en men heeft daar, voor haar alleen, een toilet gebouwd, dat na haar vertrek weer wordt afgebroken. Iedereen hoort het koningswater kletteren en niemand durft te lachen. Zulk een maatregel getuigt niet van respekt. De koningin is maar een gewoon mens, maar daarnaast symbool. Als symbool mag zij - afgezien natuurlijk van de algemene normen van gastvrijheid en wellevendheid die men jegens haar als gewoon mens in acht dient te nemen - geen onreine wc vinden. Wat ware eenvoudiger geweest dan een van de toiletten extra fris schoon te maken en, op slot, voor de koningin te reserveren.’
Ook vertelt hij een verhaal dat later bijna letterlijk in zijn boek zou voorkomen: 'Zo werd ik een jaar of wat geleden zijdelings benaderd of ik op een avond, in een particuliere woning in Baarn of Soestdijk of daar in de buurt, ten aanhore van “een zeer hooggeplaatst persoon” een lezing wilde houden. Ik kreeg geen honorarium, maar wel 25 gulden vergoeding voor reiskosten. Ik ben ervan overtuigd, dat de koningin zelf van de financiele regeling van de zaak zelf niets afwist, maar het illustreert wel wat ik bedoel: de koningin is zo hoog, dat niemand ergens iets voor hoeft te betalen. Ik wil best voor niets voor de koningin uit eigen werk komen lezen, maar dan moet zij eerst duizend gulden in het steunfonds van de Vereniging van Letterkundigen storten.’
Er is nog een reden waarom 'De taal der liefde’ veel opzien baart. Er zou een sterk racistische passage in staan, en wel in een brief aan Simon Carmiggelt. Er bestaat veel misverstand over de betreffende passage. Hij zou beginnen met: 'Nu moeten we nog van die Surinaamse en Curacaose & Antilliaanse troep af. Ik ben er erg voor, dat die prachtvolken zo gauw mogelijk geheel onafhankelijk worden en ons niks meer kosten, zodat we ze allemaal met een zak vol spiegeltjes en kralen op de tjoeki tjoeki stoomboot kunnen zetten, enkele reis Takki Takki Oerwoud, meneer.’
Nederland was geschokt. Was Gerard een racist?
Het is een vraag die tot op de dag van vandaag allerlei revianen bezighoudt.
In ieder geval is bovenstaande passage vrijwel overal onvolledig weergegeven. De hele passage luidt: 'De mensen krijgen te veel verbeelding, de laatste tijd. Vroeger was dat anders. Toen waren we nog wat, en vormden we een wereldrijk, maar toen gedroegen we ons juist bescheiden! Het is, al met al, hoe smartelijk een verlies ook, toch maar goed dat we Indie kwijt zijn. Nu moeten we nog van die Surinaamse en Curacaose & Antilliaanse troep af. Ik ben er erg voor, dat die prachtvolken zo gauw mogelijk geheel onafhankelijk worden en ons niks meer kosten, zodat we ze allemaal met een zak vol spiegeltjes en kralen op de tjoeki tjoeki stoomboot kunnen zetten, enkele reis Takki Takki Oerwoud, meneer! Zo denk ik erover, zet u dat maar gerust in uw krant. Hoewel, voorlopig nog maar niet. Eerst moet mijn boek af. Zoals je weet, is door de beschuldiging van “racisme”, enkele jaren geleden aan mijn adres geuit, de verkoop van mijn boeken verveelvoudigd. Ik ben niet enkelvoudig genoeg van geest, en ook veel te intelligent, om een racist te zijn, maar die beschuldiging, en het lukratieve effect daarvan, hebben mij aan het denken gezet. Ik behoef maar een of ander persoon sprekend in te voeren, die zich laatdunkend uitlaat over allerlei inferieure kokosnotenplukkers en voor de eer van “onze meisjes en vrouwen” opkomt, en het Geld vloeit mij toe. Het zwarte goud. Ik geloof, dat die hetzers, dat die zelf racisten zijn, maar het niet kwijt kunnen. De hoofdhetzer gaat in zijn eigen boek in ieder geval tegen homofielen te keer.’
Een bijzondere passage, vol tegenstellingen.
Gerard is inderdaad geen racist. De beschuldiging is belachelijk - hij heeft zich altijd verzet tegen daadwerkelijk racisme, vooral als het zich voordeed in de vorm van onderdrukking van homo’s of antisemitisme. Deze passage is niets anders dan een pastiche. Zeker, Gerard vond dat Suriname en de Antillen onafhankelijk moesten worden, zoals hij vroeger ook voor de onafhankelijkheid van Indonesie was (wat overigens in 1948 alleen de communisten vonden). Je kunt het betreuren dat we Indie kwijt zijn - en daarmee ons vertoon van macht - maar de beslissing om onafhankelijk te worden wel respecteren. Het pasticherend taalgebruik, inclusief de spiegeltjes en kraaltjes, laten juist zien dat Gerard donders goed weet waarover hij het heeft; het past in de reverie van 'hadden we Indie nog maar, en nu worden we overheerst door inlanders’. De schrijver pasticheert antiek koloniaal gebeuzel. Het is hetzelfde als een komiek uit het Gooi die een mop vertelt in plat-jordaans en dan spreekt over 'wijven’, 'je ouwe moer’ en 'reteknijper’. Die komiek is dan niet opeens een vrouw-onvriendelijke werkloze geworden die z'n dagen doorbrengt met het plegen van ongewenste intimiteiten.
Met de genoemde 'hoofdhetzer’ bedoelde Reve overigens zijn kunstbroeder Harry Mulisch. (Wordt vervolgd)