Gerard 54 negers

‘U vindt het waarschijnlijk wel gezellig, als ik u geheel exclusief schrijf’, begint Gerard Reve een ingezonden brief aan Het Parool, waarin hij reageert op de manier waarop de pers over de affaire- Kortrijk heeft geschreven. De pers, gesteund door de televisie, liet niets heel van Gerard; in verschillende radioprogramma’s werd aandacht aan de affaire besteed, waarbij uiteraard Harry Mulisch vaak aan het woord kwam - hij had het altijd al gezegd.

Maar Gerard pikt het niet en schrijft Het Parool. ‘Weet u wat het is?’ schrijft hij. 'Ik heb besloten mij geheel uit de wereld van het politieke amusement terug te trekken, omdat wat ik doe te hoog gegrepen is. De sarcastische humor van mijn optreden in Kortrijk lag er meters dik op, maar de Nederlander heeft ongeveer zoveel humor als een Duitser die melk drinkt. Daarmee rekening houdend, tooide ik mij, om een en ander te relativeren, met de vier meest uiteenlopende insignes: de twee halfzachte (het christelijke kruis en het heidense runeteken der capitulanten) en de twee totalitaire (sikkel-en-hamer en hakenkruis). De pers heeft uit de foto’s van het evenement bijna algemeen dat plaatje uitgekozen, waarop alleen het hakenkruis te zien was, en maakt ook in de verslagen vrijwel algemeen slechts gewag van het hakenkruis. Bij wie de kwade trouw? En ik ben in het geheel geen racist, en ik ben in het geheel niet tegen negers, zoals iedereen in Nederland drommels goed weet.’
In de brief legt de schrijver tevens uit dat hij tegen het Nederlandse regeringsbeleid is: 'Ik ben tegen de aan misdadigheid grenzende halfzachtheid van de Nederlandse regering, die uit een soort misplaatst schuldgevoel massaal migranten toelaat voor wie er nog in Nederland geen werk en geen woonruimte en geen toekomst is; maar dat heeft met racisme niets te maken. Ik heb trouwens, in Engeland en in Nederland, tweemaal jarenlang een zwarte liefdesvriend gehad.’
En dan besluit Gerard: 'Dat ik katholiek blijf, weet u inmiddels al. Na rijp beraad vind ik het toch het Ware Geloof, zonder al die malle democratisering of inspraak of soortgelijke onzin. Opium van het volk, maar als echte dichter ben ik er aan verslaafd. Eigenlijk ben ik dus een vriend van de negers. Ik vind Nederland een mal land en de Nederlanders een mal volk, en toch houd ik op een of andere manier van u allemaal. Ik weet niet hoe of dat komt.’
Het is een mooie brief, maar de verwensingen in de pers - vooral in de brievenrubrieken - houden niet op. Dat is de reden dat Reve weer een brief naar Het Parool schrijft. De brief heeft iets van een excuus.
'Van verschillende zijden wijst men mij er op, dat de voordracht van mijn gedicht “Voor eigen erf” te Kortrijk, in de Nacht van de Poezie mij in opspraak heeft gebracht, omdat de vertoning het doel wel bereikt, maar tevens verre voorbij geschoten is. Men neemt in Nederland alles in de eerste plaats letterlijk, en ik betreur het, daarmede in onvoldoende mate rekening te hebben gehouden. Zo is mijn strijdkreet: “Dood aan de Arbeiders! Leve het Kapitalisme!” nooit letterlijk bedoeld geweest, omdat de arbeider recht op leven heeft als ieder ander, en het kapitalisme vele gebreken aankleven. Door deze kreet heb ik echter wel bij miljoenen de aandacht getrokken, en daarna gehoor gevonden voor mijn betoog, dat het massale misbruik van de sociale voorzieningen, goedgepraat door de vakbonden en de rode pers, ons land te gronde zal richten. Zo ook is het gedicht “Voor eigen erf” een primitieve - vermoedelijk in al te vulgaire bewoordingen gestelde - alarmkreet, bedoeld om een paar miljoen mensen rechtop te doen zitten en naar mij te laten luisteren. Ik bedoel niet letterlijk wat in het gedicht staat, want ik ben geen racist en de neger heeft mijns inziens recht op een plaatsje onder de zon, gelijkwaardig aan die van de blanke. Ik heb echter door dit brute middel bij miljoenen gehoor gevonden voor mijn betoog, volgens hetwelk de immigratiepolitiek van de Nederlandse regering tot een ramp zal moeten voeren.’
De brief besluit met: 'Wat ik heb willen betogen, is in feite in het geheel niet tegen het rechtmatige belang en het levensgeluk van de zwarte medemens gericht. Ik ben ervan overtuigd, dat ik tot de verheldering van een zeer ernstige problematiek heb bijgedragen, en de belangen van de negers zowel als van blanken naar beste vermogen gediend heb.’
Ook in het Algemeen Dagblad van 20 mei 1975 beweert Gerard te hebben willen polariseren. Maar dat epistel is weer heel anders van toon. 'De realiteit is, dat blanken en zwarten gescheiden moeten worden, voordat het te laat is en voordat de neger, in het beste geval, een nog niet gemolesteerde vierderangs en sociaal ontredderde burger wordt in een zogenaamde gemengde samenleving. De neger is erfelijk minder begaafd dan de Europeaan en de Aziaat (zoals enige tijd geleden bleek uit een opmerkelijk artikel in het blad Intermediair) en verliest in een open wedijver de strijd, en verhuist onherroepelijk naar de sloppen en de achterbuurten. Alle volken en rassen hebben recht op een gelijkwaardige plaats onder de zon. Het leven en het levensgeluk van de neger hebben dezelfde waarde en verdienen dezelfde eerbied als die van de blanke, maar in een gemengde samenleving kan van werkelijk levensgeluk en van werkelijke levensvervulling noch voor de neger, noch voor de blanke sprake zijn. Negers en blanken dienen elk hun eigen, van elkaar onafhankelijke staat te hebben. De negers uit de West behoren thuis in de West en niet in Nederland, en de sociale en economische problematiek van de West-Indische neger kan wellicht wel in de West, maar in geen geval in Nederland worden opgelost.’
Heeft Harry Mulisch toch gelijk? 'Erfelijk minder begaafd’, dat is zonder meer een racistische uitspraak, een eufemisme voor 'negers zijn dom’. En in de brief valt verder nauwelijks enige ironie te ontdekken.
Waarom heeft Reve wel deze brief in zijn verzamelbundel 'Schoon schip’ opgenomen en niet de twee vorige brieven, die toch een genuanceerder beeld geven? En waarom heeft hij naar Het Parool en het AD verschillende brieven gestuurd met een verschillende verdediging van zijn standpunt?
Later zal de schrijver weer herroepen dat hij racist is. Het is duidelijk dat hij met de materie speelt. Hij weet donders goed tegen wie hij wat zegt. Het heeft er alle schijn van dat hij geen racist wil zijn, maar het ondanks zichzelf wel is.
Drs. mr. A. A. Haakmat, die later een grote rol in de Surinaamse politiek zou spelen, ergert zich bovenmatig aan de brieven van Reve. Hij erkent hem als een goed auteur en lijkt zelfs wel oog te hebben voor zijn ironie. Maar: 'Reve vooral moet als niet onbelangrijk schrijver weten (a) dat hij meer en dieper invloed kan uitoefenen op anderen, en (b) dat (racistisch) bevooroordeelde personen uit de hem dagelijks overspoelende informatie slechts datgene oppikken en vasthouden wat met deze oordelen overeenstemt en deze daardoor kan versterken. Daarom zijn racistische, fascistische e.d. uitingen altijd gevaarlijk, ongeacht of ze serieus genomen moeten worden, als grap bedoeld zijn of als middel dienst moeten doen voor het bereiken van van welk nobel doel dan ook.’
Het lijkt er soms op of Gerard houdt van de haat die hij tegenkomt.
(Wordt vervolgd)