Gerard - 56 jongens

‘Hij is de zoon van die rare minister, van indertijd (1951, 52), & heet J. C. (Joseph Cals - thh). Zo zie je hoe alles zichzelf wederom recht zet. (“Jede Schuld racht sich auf Erden”).’
Met Joseph Cals, de schilder, breekt er een periode voor Gerard Reve aan waarin hij probeert zijn verhouding met Tijger en, in mindere mate, Woelrat te vergeten. Cals had op de advertentie gereageerd die Gerard in Vrij Nederland had geplaatst. ‘Uw brief is van alle die ik ontvangen heb de enige menselijke’, schrijft Gerard.

Hij raakt snel op de nieuwe jongen verliefd, die ‘Jakhals’ wordt gedoopt, een naam waarin zijn voor en achternaam verborgen zitten. Tien dagen na hun eerste ontmoeting schrijft Gerard: 'Ik verlang erg naar je. Het is mij alsof ik droom, hoe heet het. En er moet 1 God zijn: jij bent ook 1.80 m lang, weegt ook 79 kg, en bent van mijn leeftijd, alleen wat jonger, & bent ook suikerziek & homofiel.’
Het is dan oktober 1972.
Anderhalf jaar later loopt de verhouding ten einde: 'Lieverd, we hebben beiden een verschrikkelijke troep doorgemaakt, maar ik zoude de ervaring van de afgelopen anderhalf jaar niet gemist willen hebben. Mijn ontmoeting & verhouding met jou zie ik als 1 Genade. Ik hoop, dat je niet meer kwaad bent. Zul je nooit te trots zijn om alles te vragen, wat je nodig hebt? Misschien toon ik me dan bemoeiziek of panies of op de eerste plaats erg schriel. Ik ben gul, maar doodsbang om iets uit te geven. En ik vind heel veel dingen een zondige luxe, zoals taxies.’
Aan Josine Meijer schrijft Gerard: 'Weet jij een goede handleiding om magie te bedrijven? (Bijvoorbeeld om Tijger terug te toveren.)’
Gerard is in zijn verhoudingen altijd trouw in de geest gebleven, maar wat minder trouw qua lichaam; al na een paar maanden met Jakhals wordt hij vreselijk verliefd op een jongen die hij 'Duinkonijn’ noemt - maar ook die verhouding loopt snel af.
Na de verhouding met Jakhals meldt Gerard dat hij ook 'nogal wat zin in meisjes’ heeft. 'Mijn zondige lust gaat uit naar een ca 15 of 16 jarig meisje, dochter van heel nette mensen hier 1 paar huizen vandaan. Ze flirt & lacht geweldig, & het schijnt wel alsof haar ouders mij een goede partij vinden: groot schrijver, grote auto, groot huis (inderdaad het grootste & imponerendste van het gehele dorp) & grote bankrekening. Daarbij een groot interview in 1 groot Frans landelijk dagblad (Le Dauphin Libere), naar aanleiding van mijn decoratie.’
In werkelijkheid volgt de ene verliefdheid op de andere.
Juni 1974: 'Ik ben wederom verliefd, dit maal op een jongen die nauwelijks jonger is dan ik. Hij heet Albert E. & is volgens eigen opgave geboren te W. (Noord Brabant). Hij is een erg lieve & eerlijke jongen, of hij moet het toppunt van doortraptheid zijn als ik dat niet ben. Hij beeldhouwt of boetseert een beetje, & heeft geloof ik jaren lang voor priester gestudeerd. Ik verdenk hem ervan dat hij uit pure geldelijke nood wel eens de hoer heeft gespeeld, zij het in het opene & eerlijke, zonder afpersing of iets dergelijks bedoel ik.’
Maar Albert E. is ook geen blijvertje. Er komt weer een nieuwe aan.
September 1974: 'Natuurlijk ben ik erg blij met Ernst E., geboren te A. op 10 November 19.., maar er blijven vragen. Hij is erg lief & gul en heeft veel voor een ander over, maar verzet zich, zoals zijn gehele generatie, tegen (te veel?) orde & regelmaat & vastigheid. Lui is hij bepaald niet, maar hij wil zich niet graag vastleggen.’
De schrijver is weer helemaal hoteldebotel. 'Ernstjan is een moeilijk, maar in de hoofdzaken toch erg gemakkelijk & redelijke jongen. Hij is, op zijn minst, een van mijn grote liefdes geworden, & wordt misschien wel “de” Grote Liefde. Slechts mijn liefde met Tijger is met deze, in diepte & intensiteit, te vergelijken.’
Maar in januari 1975 is het al weer afgelopen: 'De gehele idylle is nu voorbij. Nu ja, ik ben hem niet kwaad gezind geworden & het is best 1 lieve jongen, maar hij is al te destruktief en te onbepaald. Veel verdriet gehad, ik, maar het was kort, & binnen 1 etmaal bekeken.’
En in diezelfde brief lezen we: 'Thans heb ik de Jongen van mijn Leven, hoe is het mogelijk, niet? Er moet 1 God zijn. Hij kan lezen en schrijven, is 2e jaars student medicijnen, krijgt altijd 8en & 9ns & is zo ongeveer net zo intelligent & energiek als ik, maar mogelijk iets minder krankzinnig. Hij heet Erik B., wonende te A. Alles is bij hem voorwaarts gericht. Ik heb het gevoel, dat ik een grootse & vruchtbare periode van mijn leven binnentreed. Het is niet zo zeer de romantische liefde, maar vooral een totaal nieuw levensgevoel, dat ik sedert het midden van dit jaar ervaar: de gewaarwording, dat ik nu pas het leven in volle diepte & in alle dimensies zich zie ontvouwen.’
'Mijn definitieve verloofde’, zegt Gerard in die tijd tegen Hanny Michaelis over Erik.
'Je definitiefste verloofde’, antwoordt Hanny.
Maar in februari 1975 is het al weer afgelopen met Erik. 'Het is niet goed. Donderdag opeens erg ziek geworden, met een koorts tot 39,9. Daarbij belde Erik op en begon mij te vertellen, dat we “er maar mede op moesten houden”. Ik heb wel wat klappen gehad, maar dit was weder 1 geheel nieuwe dosis. Ik heb de indruk, dat iedereen op herrie & konflikt uit is geweest of is: Woelrat, Jakhals, Ernst & nu Erik.’
Een maand later, in maart 1975, is er al weer een nieuwe jongen: 'Mijn nieuwe Jongen is meer van mijn leeftijd (23), heet Vincent S, een uit een Joodse moeder geboren halfjood. Hij heeft een snor. Een Jodenjongen met een snor - wie had dat ooit kunnen denken! Ik kan me bij hem ontspannen, want deze jongen vertelt mij niet iedere minuut, wat er allemaal niet goed aan mij is. HIj is lief, aanhankelijk, trouw, enz. & ik hield op slag van hem toen hij binnenstapte, en had meteen ook de moed hem te zoenen.’
In augustus 1975 kan ook Vincent vertrekken: 'Met Vincent heb ik veel hoop en een gloed van liefdesverwachtingen gehad, maar ook heel veel verdriet. Hij kent niet de orde en de regelmaat, die voor mij onontbeerlijk zijn, en die ik, zo niet weet te handhaven, dan toch nastreef. Soms kan ik uit het leven echt niet meer wijs.’
Maar dan, in diezelfde brief, beschrijft Gerard iets wat later van groot belang zal blijken te zijn.
'Op het ogenblik logeert hier de jonge kunstschilder Matroos V. Het is een jongen die heel hard werkt en niet van de bijstand leeft, maar verkoopt en opdrachten krijgt. Het werk is erg “eigentijds”: collages, montages, etc. Ik ben erg op hem gesteld, maar in het geheel niet bekoord van hem, hij daarentegen wel van mij. Het klopt nooit, de wereld, de schepping, er deugt niets van: God was dronken, dat is wel duidelijk. Hier werkt hij (de was, dweilen, schrobben, vegen, de afwas, muren afkrabben en schilderen) de gehele dag: hij kan niet stilzitten. Ik ken hem al ongeveer een jaar. Een erg lieve en fijngevoelige jongen, wiens totale ongeletterdheid - hij heeft alleen lagere school en kan amper schrijven - mij niet stoort. Hij kan niets van wat hem ontroert onder woorden brengen behalve op uiterst aandoenlijke, onbeholpen wijze, maar hij leeft voor de Kunst, en heeft daar alles - moeite, zorg, verdriet, ontberingen, graag voor over. Hij werkt mij nu, na 9 dagen, niet op de zenuwen, en dat wil wat zeggen.’
Matroos Vos, zo noemt Gerard Joop Schafthuizen. (Wordt vervolgd)