Gerard - 57 nomen est omen

Na ‘De taal der liefde’ volgde er weer een brievenboek: ‘Het lieve leven.’ Maar tegelijkertijd ontstond er ook weer een enorme belangstelling voor Gerard Reve als schrijver. Men ging zich meer en meer voor de persoon interesseren. Gerard noemde zich ondertussen ‘Markies van het Reve’. Al van jongs af aan vond hij zijn naam vervelend. Eerst was het Simon, nu Markies. Met een knipoog naar Markies de Sade, want Gerard wilde zijn sadistische inslag niet verhullen.

Dat ‘Markies’ ergerde Willem Frederik Hermans, die in de jaren zeventig onder het pseudoniem Age Bijkaart een rubriek had in Het Parool. In 1976 schreef Bijkaart een column die interessant is vanwege de biografische gegevens en de reactie van Gerard daarop.
'Er bestaan schrijvers die zo weinig vertrouwen op de kwaliteit van hun boeken, dat ze om beroemd te worden, er geen bezwaar tegen hebben het te proberen door op te scheppen over daden die ze nooit hebben gepleegd’, begint Hermans zijn column. En hij beschrijft hoe Gerard probeerde naam te maken door in het Engels te publiceren. 'Met behulp van vrienden die hij stelselmatig doodzweeg lukte het hem zogenaamd zelf een paar verhalen in het Engels te schrijven en een daarvan kreeg hij geplaatst. Daarna wou hij nog een tweede verhaal in dat tijdschrift publiceren. Bang misschien dat ze hem toch niet interessant genoeg hadden gevonden, deed hij dat verhaal vergezeld gaan van een lange brief aan een redacteur waarin hij voorgaf wegens krankzinnigheid opgesloten te worden in de psychiatrische kliniek te Santpoort. Deze brief beschouwde hij zozeer als een geslaagde krijgslist dat hij vol trots en geheel ongevraagd er een doorslag van stuurde. Het was in een tijd waarin documenten van krankzinnigen afkomstig overal in de mode waren geraakt, o.a. onder invloed van de film The Snakepit.’
Hermans vertelt dat hij geschrokken was van de brief. Maar hij kwam zijn schrik te boven toen hij merkte dat het een mystificatie betrof. 'Wel is toen in mij de kiem gelegd van de conclusie dat deze man niet tot de soort schrijvers behoorde die door mij dienden te worden bewonderd.’ Dat was een harde zin: Gerard en Willem Frederik Hermans waren ooit vrienden, maar er was al eerder sprake van een verwijdering geweest.
Hermans maakt zich vervolgens in het artikel druk om het feit dat Gerard nu de titel 'Markies’ voert.
Gerard vindt het niet aardig wat Hermans schrijft, maar moet er wel om lachen. 'Met enige hilariteit heb ik kennis genomen van het korte smaadschrift jegens mijn persoon. Achter de naam Age Bijkaart (nomen est omen) verschuilt zich om een of andere laffe reden de Nederlandse schrijver W. F. Hermans, broer van de minder dan middelmatige verrekijkkomiek Toon Hermans. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan.’
Gerard gaat niet direct op de argumenten in, maar schrijft: 'Bijkaart Hermans zat van 1945 tot 1948 in Canada stinkdieren te villen en kletst dus maar wat. Als ik een charlatan en een oplichter zou wezen, zou het dan aan Hare Majesteit de Koningin behaagd hebben, mij tot Ridder te slaan in de Orde van Oranje Nassau? (1974).’ En om de verwarring nog groter te maken schrijft Gerard: 'Mijn adellijke titel is aanvechtvaar. Het is een Russische titel, afgeschaft door de staatsgreep van Lenin in november 1917, die aan de democratische revolutie van maart 1917 een bloedig einde maakte. De titel wordt gestaafd door bergen documenten, en is wel ministerieel erkend geworden, maar nooit opgenomen in de Keizerlijke Almanak van Rang en Titel die in de herfst van 1917 in Sint Petersburg had moeten verschijnen. Ik ben van plan de gehele zaak in mijn nieuwe boek eens rustig uit de doeken te doen.’
Het is duidelijk, Gerard wil niet echt een polemiek met Hermans. Hij maakt er een lolletje van: 'Ik gebruik mijn titel zelden of nooit, en in geen geval voor onoorbare doeleinden. Engelsen, maar vooral Amerikanen worden er door geimponeerd, en dat kan weleens zijn nut hebben. Een kunstenaar moet in de eerste plaats (Aagje Bijkaart moge zich dit voor gezegd houden) zorgen voor kwaliteit, maar als je in de wereld van de kunst niet af en toe een keel opzet, kom je nergens.’
Markies van het Reve dus.
Een jaar eerder, in oktober 1975, had Gerard al een officieel verzoek gericht aan de Raad van State om zijn naam veranderd te krijgen. Want zijn 'driedelige achternaam’ ervoer hij als een 'blok aan zijn been’. Hij zei daar toen over: 'Het is wel geen zaak waar ik iedere minuut onder gebukt ga, maar het is bijzonder vervelend.’ Aanvankelijk weigerde de staatssecretaris van Justitie de naamswijziging. Hij vond 'Van het Reve’ niet 'hinderlijk’ of 'onwelvoeglijk’. De schrijver was volgens hem ook geen bijzonder geval dat een koninklijk besluit rechtvaardigde.
Gerard vond dat onzin. 'Het gaat erom dat ik ongerief heb van die samengestelde naam en waarom zou de Nederlandse staat mij niet de lol van die verandering doen. Niemand heeft er schade van.’ Gerard vond de hele kwestie 'dwarsliggerij’, en zegt: 'Wat een besparing van geld, tijd en moeite zou het niet geweest zijn als het verzoek meteen was ingewilligd. Een Nederlandse ambtenaar werkt een weekend over om je dwars te zitten.’
Gerard licht de reden van zijn naamsverandering toe als hij gehoord wordt door de Raad van State en dat wekt - volgens de kranteberichten - nogal wat hilariteit in de zaal. Een staatsraad zegt hem dat er in het buitenland veel Nederlanders wonen met 'moeilijk namen’. Gerard vindt dat geen argument om hem niet toe te staan van naam te veranderen en zegt dat hij toch beschouwd moet worden als een uitzondering nu hij naar het buitenland gaat emigreren 'als voorbeeldig Nederlander die altijd een vroom en oppassend leven heeft geleid’.
De Raad gaat overstag. Gerard mag zich voortaan officieel Gerard Reve noemen.
Hij is daar zeer content mee. Afgezien van de grap zich een jaar 'Markies’ te noemen, heeft hij zich verder altijd voluit Gerard Reve genoemd.
Het gaat goed met Gerard in die tijd. Hij schrijft zeer regelmatig. De hernieuwde belangstelling van een nieuwe generatie doet weer veel stof rond zijn persoon opwaaien. Het gaat hem voor de wind.
(Wordt vervolgd)