Gerard, aan het werk!

Ik lees nu al zo'n kleine twee weken in Gerard Reves Brieven aan Josine M. 1959-1982. Nee, niet achter elkaar, maar zo'n twintig minuten per dag. Veel langer van dit gezeur en geklaag is, althans wat mij betreft, niet vol te houden.

Thans stelt de lezer de terechte vraag waarom ik desondanks met deze, 535 bladzijden omvattende, pil door blijf modderen. Omdat dit brievenboek, net als al die andere brievenboeken van Gerard Reve, voor een ramsjprijs bij De Slegte verkrijgbaar bleek, aldus de opkomst en neergang documenterend van de man die onmiskenbaar een van onze beste schrijvers is geweest.
Bovendien is hij altijd, in al zijn scheppingsfases, geestig geweest. ‘Ik kan onmogelijk alles wat te melden valt in deze brief verwerken, behalve dat ik kortelings diep tussen mijn billen door een grote mier gestoken of gebeten ben. Het leven is een kruisdraging.’
Daarnaast is hij soms interessant. 'Wat heeft een kunstenaar of een religieus mens aan Freud? Ik zoek niet naar wetenschappelijke werkelijkheid, maar naar formuleringen die het woordloze en onzegbare de eer en de plaats geven die het toekomt.’ Gerard Reve als poldervariant op Vladimir Nabokov, die de Weense Toverdokter eveneens het recht ontzegde onder de kunstenaarsschedel te graven. Goed gebruld, volksschrijver!
Het is een soort parelduikerij in Reves oeuvre, en het is jammer dat je, alvorens op de juwelen te stuiten, eerst al die kubieke meters drab door moet ploegen.
Gegeven is een goede schrijver met genoeg drama in zich (katholiek, homoseksueel, ex-communist) voor een oeuvre van shakespeareaanse omvang en potentie. Maar wat doet die man de hele dag, al jaren lang? De nar uithangen, timmeren, zijn Geheime Deel beroeren, metselen, slechte wijn zuipen, zijn franken tellen, astrologische orakeltaal uitslaan, over vieze jongetjes fantaseren, en bovenal de ene brief na de andere schrijven, aan wie ook ter wereld, alsof de telefoon voor niets is uitgevonden.
Dan wordt plotseling het Boek van Violet en Dood op de markt gebracht, het boek dat alle andere boeken overbodig zou maken. Het bleken andermaal praatjes voor de vaak. Geloof me, ik spreek uit teleurgestelde liefde, gevoed door de herinnering aan die twee bundels brieven die wel de moeite waard waren: Op weg naar het einde (1963) en Nader tot U (1966), die ik zo grappig en aangrijpend vond dat ik ze zelfs aan mijn schoonmoeder cadeau heb gegeven. Prachtboeken! Ware monumenten, in literaire en emancipatorische zin! Wat is er toch in die man gevaren dat hij sedertdien zo onvruchtbaar als een muilezel is geworden? Misschien is het toch dat katholicisme van hem, inmiddels een minder vruchtbare inspiratiebron dan hij altijd pleegt te beweren.
Vreemd trouwens dat zijn correspondentievriendin Josine M., die een verstandige vrouw was, nooit heeft gezegd: 'Gerard, het is uit met dat epistolaire gelul van je. Nu ga je aan het werk.’