In de kantlijn

Gerard Reve en de Dood

Gerard Reve dacht als kind al vaak aan de dood. Dat weten we bijvoorbeeld uit zijn boek Werther Nieland. Daarin beschrijft hij zichzelf als elfjarig jongetje. Als Elmer (= Gerard) voor het eerst naar Werther Nieland gaat, luistert hij aan de brievenbus, maar hoort niets doch ruikt wat: «Deze geur wordt door toverkracht gemaakt en in een fles bewaard, zei ik bij mezelf.» Iets later: «Even dacht ik dat de geur werd opgewekt om mij te bedwelmen en in een kist op te sluiten.» Als een paar bladzijden verder de vader van Werther Nieland plotseling iets roept waarvan iedereen bang wordt, zegt Elmer: «Ik keek naar de grond. De kist gaat open, dacht ik.»

De club die in Betondorp door Elmer wordt opgericht heet ook niet voor niets de C.V.D.G.: Club voor de Grafkelders.

Als de jongens in een «comestibleswinkel» drop gaan kopen, kijkt Elmer achter de toonbank: «Terwijl wij wachtten tot er iemand naar voren zou komen kwam ik tot de overtuiging, dat achter de toonbank een luik verborgen moest zijn, dat toegang gaf tot een uitgestrekte onderaardse ruimte. Hier woonden de aardwezens, die tussen de boomwortels, die als pilaren dienden, voortslopen. Ik hield mij, zonder dat Werther het zag, met beide handen vast aan een stang langs de toonbank, opdat ik niet onverwachts, zonder dat ik me kon verzetten, onder de grond zou worden weggesleept.»

[PAGINA 46-51, GERARD REVE EN DE DOOD – THEODOR HOLMAN]

Op zijn zeventiende dichtte Reve het vers «Morfine». Hij publiceerde het later in Verzamelde gedichten. Daaruit:

De wereld is nu blauw en rood,

daar achter vloeit de zee als lood

in trage golven.

(…)

De wereld wordt nu rot – gaat dood

op zee zie ik een grijze boot

geluidloos zinken.

Met Werther Nieland en De ondergang van de familie Boslowits wordt helder dat Gerard Reve de Dood als hoofdthema in zijn werk heeft. De doorbraak daarvan komt in de brievenbundels Nader tot U en Op weg naar het einde.

Op weg naar het einde: «(…) Hoe ouder ik word en hoe hartstochtelijker ik honger en dorst naar Gods Uiteindelijke Gerechtigheid, hoe onzinniger mij tevens elke concrete heilsverwachting voorkomt, en ook, hoe meer ik neig naar de overtuiging, dat de enige zekerheid die het leven ons biedt, die is van de Dood. Alsjeblieft. (De lezer houde mij deze ontboezeming ten goede: dat ik hier zelf, geheel zonder hulp, op ben gekomen (…).)»

En ook: «O, lieve mensen, ik houd van u, en ik omhels u allen hartstochtelijk, ondanks de geduchte afstand. Laten we elkaar niet haten, maar, integendeel, liefhebben, gezamenlijk op de Dood wachten, en het ons in de tussentijd aan niets laten ontbreken.»

In De avonden (1947) wordt niet direct over de dood gesproken. Wel is er die bekende zin die zelfs als motto kan dienen voor Reves laatste boek: Het Boek van Violet en Dood:

«‹Het is niet erg, om ongelukkig te zijn›, dacht Frits, ‹maar hoe moet het een mens te moede zijn, als hij weet, dat nergens buiten hemzelf schuld is aan te wijzen? Het graf gaapt, de tijd zoemt, en nergens is redding.›»

En in De avonden die allereerste droom, waarin al meteen de dood voorkomt. Wat heel weinig mensen weten, is dat Reve deze droom heeft herschreven. Omdat vrij weinig mensen de voorpublicatie in het blad Criterium kennen, volgt hier de eerste versie:

«De doodkist bleek buitengewoon zwaar en de dragers torsten hem met inspanning voort. Opeens zag hij, dat de bodem inzakte en langzaam ging uitpuilen. Wanneer de planken zouden breken, dacht hij, zou iets gruwelijks gebeuren. De dode immers had nog wel zijn vorm, maar was van binnen, dat wist hij zeker, verteerd tot een gele brij. Zou het lijk, bezwaard door de vracht gereedschappen, door de bodem van de kist vallen, dan zou het als een rotte tomaat op de grond stukbarsten.»

Reve was in zijn jeugd een depressief jongetje en was bijna «vroeg gestorven». Zijn vader vertelde in 1967 tegen Ischa Meijer: «Tja, Gerard wilde niet op school. Een goed hoofd, dat wel. Maar hij had geen zin, hè. Toen heb ik hem op de Grafische School gedaan. Daar werd-ie gepest. Hij gebruikte woorden als niet-te-gen-staande en zo. Daar werd-ie mee gepest. Enfin, op een dag begon hem dat te vervelen. Hij werpt een zethaak naar een van de leerlingen en vlucht de school uit. Laat-ie zich nou daar (wijst naar buiten) van de brug afgooien. Onzin natuurlijk. Hij kon zwemmen als ik weet niet wat. Daar komt-ie drijfnat binnen. Onder de wol gestopt. De dokter gehaald. Die zegt: Gerard wil zeker een uitblinkertje zijn (grinnikt). Nou, dat is wel gebleken, niet.»

Dat het wel degelijk een soort «zelfmoordpoging» was, bevestigt Reve in Oud en eenzaam: «Hoe vaak ik in mijn jeugd zelfmoord overwogen heb, weet ik niet meer, maar het moeten ontelbare keren geweest zijn, en het is daarbij ongeveer een wonder te noemen, dat ik daartoe slechts éénmaal een – stuntelige – poging heb ondernomen.»

Reve ziet de dood overal. Schrijvers als Harry Mulisch die de dood ontkennen vindt hij niks.

Afrekening

Het nieuwe prachtboek van de intellectueel H.M.

gaat niet over God, niet over Liefde,

en niet over de Dood.

Het gaat over een zeepbel die uiteenspat.

Men noemt dit werk: «sterk autobiografisch».

Hieruit blijkt wel dat de grote thema’s van Reve zijn: God, Liefde en Dood, of zoals hij het zelf mooier verwoordt:

Naarmate ik ouder word,

wordt wat ik schrijf,

hoewel fraaier verwoord,

steeds enkelvoudiger van inhoud:

Liefde (of geen liefde),

en ouder worden,

en dan de Dood.

Uit Nader tot U komt de beroemde passage over het Violet en de Dood – in een zin waarin een regel van een gedicht wordt geciteerd uit de bundel De holle man van Gerard den Brabander:

«Ik zal deze dingen moeten schrijven, of ik zal niet schrijven, en indien het mij, ‹kleine slaaf van poëzie en taal›, eens zou mogen gelukken Het Boek Van Het Violet En De Dood te schrijven en te voltooien, dan zal dit wellicht alleen mogelijk zijn, als ik het zou beginnen met geen ander dan juist dit nutteloos, bizar verhaal, dat mij, na zoveel jaren, nu ik reeds tot aan het borstbeen in het graf sta, nog steeds niet met vrede wil laten.»

De titel van het boek slaat op het gedicht Herkenning dat Gerard Reve in Nader tot U schreef: «O Dood, die waarheid zijt: nader tot U.»

Het gaat er met de dood steeds heftiger aan toe. In die zin dat elk verhaal over de Dood gaat. In een «interview» in het Libris-blad met Gerard Reve, dat hij hoogstwaarschijnlijk zelf heeft geschreven, zegt hij:

«Het allesoverheersende en altijd aanwezige thema van alle kunst is de Dood, die soms letterlijk, maar meestal als Tijd en Vergankelijkheid gevierd en bezongen wordt. De Dood is het mooiste onderwerp dat er bestaat, want hij laat de mens nooit in de steek, je kunt altijd op hem blijven rekenen.

De kleintjes kennen de Dood alleen uit sprookjes, waarin de opgegeten geitjes, en ook Roodkapje, na verslonden te zijn wederom levend worden. Later verneemt men meer over de Dood, maar hij blijft iets wat U niet, maar een ander wél overkomt. Rond het veertigste levensjaar (de menopauze van de vrouw, maar in zekere zin ook van de man) wordt de Dood zichtbaar en daarna beseft men dat men niet meer van de Geboorte af, maar naar de Dood toe leeft. Het wordt spartelen en jammeren, zich te jeugdig uitdossen en alles proberen te geloven wat de charlatans schrijven, te weten dat de wetenschap ooit de mens een onbeperkte levensduur zal schenken. En mijn vijanden dan? Meer dan de helft is al dood, dus als ik verstandig leef, zie ik misschien ook de andere helft vertrekken. Een ander laten voorgaan dat is beleefd, en hoort ook zo.»

De brievenboeken maakten veel indruk. Reve werkte in die tijd als redacteur van Tirade. Daarin schreef hij een gedichtje dat tot op heden onopgemerkt is gebleven en ook niet in zijn Verzamelde gedichten voorkomt:

O Mensch denck toch dat gij sijt sterfelijk.

En dat ja daarenboven

Uw leven ook, is maar een Rook

En als een licht vergaande smook

Een blomm die ommlicht leit

Vergaat tot dorrigheid

Of ook als Gras, dat gisteren was

En morgen Hooy is op den tas.

Ik heb zin om me te bezuipen:

ik heb al een klein beetje op.

Gerard Reve wilde begraven worden op het kerkhof van Machelen, België. Hij zou graag zien dat het een bedevaartplaats voor homoseksuelen wordt die schreiend viooltjes aan zijn graf komen leggen. Hij hoopte dat enkele zeeverkenners zijn kist zullen dragen waarbij ze het laatste stuk gesteund moeten worden door de Zusters van Liefde, terwijl er «Gehoorzaam aan U» wordt gezongen.

«De Dood», zei Gerard Reve laatst, «wordt eerst je vijand, dan je tegenstander, dan een reisgezel, vervolgens een vriend en uiteindelijk je minnaar.»