Gerard Reve en het geloof der kameraden

In vrijwel alle herdenkingsartikelen die dezer dagen over ons worden uitgestort, wordt gemeld dat Gerard Reve een rasechte provocateur was. Soms wordt dit min of meer vergoelijkend gezegd, soms ook als beschuldiging. Zelf heeft hij bij herhaling verklaard dat allerlei racistische en reactionaire uitspraken bedoeld waren om de verkoop van zijn «prachtboeken» te bevorderen. Veel lezers gniffelden dan ook wanneer hij al die zwarte «prachtvolken» naar het Takki-Takkiwoud wilde deporteren, of wanneer hij stelde dat alleen de bourgeoisie echte kunst heeft voortgebracht en het «zogenaamde proletariaat slechts in staat [is] om de menigte te vormen die publieke eksekuutsies met welgevallen gadeslaat». Diverse linkse literatuurcritici vonden dit echter absoluut niet om te lachen en stelden dat dit rechtse geraaskal geen pose was, maar dat zijn reactionaire gezindheid al was gebleken uit de stijl waarin De avonden was geschreven.

Maar of men deze rechtse praatjes nu beschouwde als «grappige» provocaties of dat men Reve beschouwde als halve of hele fascist, over het algemeen werd er weinig aandacht besteed aan de oorsprong van Reve’s hartgrondige afkeer van links, die zich vooral na 1970 begon te manifesteren. Uiteraard is wel vaak gewezen op het communistische milieu waarin hij opgroeide, maar dan ging het meestal om de dogmatische, gewichtigdoenerige en kleinburgerlijke vader, tegen wie de gevoelige en romantische adolescent zich afzette. Maar de invloed gaat veel verder.

Op de communistische retoriek van de oude Vanter (zoals de schuilnaam van Gerard van het Reve sr. luidde) hebben de gebroeders Van het Reve heel verschillend gereageerd. Karel kreeg erdoor een levenslange afkeer van grote woorden en holle leuzen, terwijl Gerard de retoriek overnam en vervolmaakte tot zijn hoogstpersoonlijke heilsleer, het revisme.Vaak is beweerd dat Reve in zijn schildering van het communistische milieu van de jaren dertig zwaar heeft overdreven en dat hij de kameraden van zijn vader heeft afgeschilderd als een stelletje imbecielen, malloten, charlatans, oplichters en krankzinnigen, die ook fysiek uiterst weerzinwekkend waren. Feit is echter wel dat de communistische partij een benepen sekte was, die nogal wat mensen aantrok die in de maatschappij geen succes hadden. Ook werd Reve, in de beschrijvingen van de gruwelen die de kapitalisten bedreven jegens inlanders en fraai gebouwde arbeiders, voor het eerst geconfronteerd met sadistische pornografie. Bovendien was het, zoals Bauke Marinus het in De Groene Amsterdammer van 1 oktober 2004 heeft beschreven, in een communistisch zomerkamp dat de twaalfjarige Reve werd misbruikt door een pedofiel.Nu had zoiets ook bij de padvinderij kunnen voorkomen, maar dat gold niet voor de behandeling die zijn vader ten deel viel, nadat hij in 1939 uit de partij was gezet, omdat hij zich kritisch had uitgelaten over het non-agressiepact tussen de Sovjet-Unie en het Derde Rijk. Oude kameraden groetten hem niet meer, meden hem als de pest en verspreidden tijdens de bezetting het gerucht dat hij met de nazi’s heulde. Nog in 1981 vond Theun de Vries het nodig deze smerige laster te herhalen en de oude Vanter van collaboratie te beschuldigen.Evenals zijn broer Karel kwam Gerard erachter dat het communisme niet deugde. Zij ontdekten dat «renegaten» die een generatie ouder waren dan zij – mannen als hun uitgever Geert van Oorschot, diens vriend Jacques de Kadt en Parool-_oprichter Frans Goedhart – met recht en reden iedereen wantrouwden die sympathie jegens de Sovjet-Unie en haar westerse meelopers koesterde. Evenals deze oudere anticommunisten ergerden zij zich mateloos aan de generatie die in de jaren zestig opstond en die koketteerde met alles wat «links», «revolutionair» en «antiburgerlijk» was, en die waar het om het communisme ging schrikbarend en schaamteloos naïef was.Hoe bij Reve in de jaren zestig deze afkeer van luidruchtig en leeghoofdig links geleidelijk toenam – waardoor hij in de jaren zeventig Hans Wiegel ongevraagd te hulp schoot met pakkende verkiezingsleuzen als «Een stem op Rood is een stem op de Dood» – wordt duidelijk uit de vorig jaar verschenen briefwisseling met Geert van Oorschot. In de jaren zestig maakte Reve deel uit van de redactie van het door Van Oorschot uitgegeven tijdschrift _Tirade, waarin geregeld bijdragen verschenen van de uiterst scherpzinnige essayist en ex-politicus Jacques de Kadt.In 1964 deden zich binnen de redactie enkele conflicten voor, omdat redacteur Charles Timmer, een groot kenner van de Russische literatuur en befaamd vertaler, bezwaren had tegen de bijdragen van De Kadt. Timmer was geen communist, maar wees er wel steeds op dat ook in het Westen niet alles geweldig was en ergerde zich aan het onverzoenlijke anticommunisme van De Kadt. Nadat deze ruzie was bijgelegd, ontstonden er het jaar erop problemen omdat de jonge redacteuren Aad Nuis en Joke Kool-Smit geregeld stukken van De Kadt wilden weigerden. Van Oorschot, die geen deel uitmaakte van de redactie, was sinds de jaren dertig bevriend met De Kadt en beschouwde hem als zijn politieke mentor. Een blad waarin De Kadt niet kon publiceren, wilde hij helemaal niet meer uitgeven.Reve koos partij voor Van Oorschot en voor De Kadt, in wiens oordeel hij meer vertrouwen had dan in «het vormeloze alarmisme, de verheerlijking van pauperdom […] en die rumoerige progressiviteit die niets kost». Na het zoveelste conflict diende hij zelfs zijn ontslag als redacteur in. Hij deed dat in een uitgebreide brief, waarin hij zijn eigen standpunt weergaf. Hij beschouwde zichzelf als «uiterst gematigd links, of liever gezegd, progressief rechts». Hij was ervan overtuigd «dat verbetering van de menselijke samenleving heel wel mogelijk is, maar niet van vandaag op morgen, en niet door geweld, massa-meetings, redevoeringen van 6 uur, roof, moord, en agressie-oorlogen, maar door veel moeite, en door saaie, geduldige, weinig spektakulaire en weinig uiterlijke waardering wervende arbeid». Het communisme moest bestreden worden, «altijd en overal», omdat het tot nog meer armoede, ellende en bloedvergieten dan het kapitalisme leidde. «Op vele plaatsen in de wereld is geen andere keuze mogelijk dan tussen deze twee: kapitalisme met veel onrecht en verdrukking, en kommunisme zonder enig recht behalve om, na bijna een halve eeuw, zoals in Rusland, voor een pondje bloem een halve dag in de rij te mogen staan.»Dat Reve dit respectabele en bezonnen standpunt later niet meer naar buiten bracht, maar in plaats daarvan uiterst provocerende en extremistische kreten slaakte, heeft wellicht iets te maken met de even arrogante als luidruchtige wijze waarop de generatie van de jaren zestig zich politiek manifesteerde. Wanneer die jongeren niet naar een verstandig en erudiet man als De Kadt luisterden, waarom zouden ze dat dan wel naar een kunstenaar als hij doen? Bovendien, met kreten als «Dood aan de arbeiders» trok hij veel meer aandacht, en de schoorsteen moest toch roken.Het zou grote onzin zijn om Reve postuum te huldigen als een groot politiek denker, maar voor een gluiperige stalinist als Theun de Vries of een pedante fellow traveller als Harry Mulisch geldt dat in veel sterkere mate. Bovendien was hij een groter schrijver.