Gerard - toneel

Gerard heeft zijn leven altijd graag in ‘perioden’ onderverdeeld, net zoals kunsthistorici gewend zijn te doen met schilders als Picasso en Mondriaan. Hij maakt zelf een onderscheid in Grijze, Gele, Violette en Groene Perioden, waarbij de jeugd, tot na zijn huwelijk, eigenlijk gezien wordt als de eerste Grijze Periode.

‘Ik heb niet om die Perioden gevraagd. Ze behoren als het ware bij de kunstenaar, tenminste als deze niet jong sterft. Aan een kunstenaar die geen Perioden heeft, hebben wij niets.’
Hedwig Speliers heeft op zijn beurt een onderscheid gemaakt in: De Hollandse periode (1946-1949) Zes jaar schrijfstilte (1950-1955) Depressieve periode (1956-1962) Europese periode (1963-…)
Deze belachelijke indeling is door Sjaak Hubregtse volledig onderuitgehaald in een artikel dat de tweede periode van Gerard behandelt. Hij geeft de voorkeur aan een onderscheid in een Hollandse Grijze Periode en een Engelse Grijze periode. Wat is het nut? Je kunt de schrijver net zo goed indelen aan de hand van de vrouw(en) en vrienden die hij heeft gehad, of desnoods aan de hand van de boeken die hij heeft geschreven. Aangezien hij echter zelf een indeling van zijn leven geeft (zonder overigens te zeggen wanneer de ene periode eindigt en de andere begint; hij meldt alleen dat hij in de Violette Periode meer dronk dan goed voor hem was), meen ik dat het zinvol is inderdaad Reve’s eigen kleurenperioden aan te houden.
In zijn tweede, dus Gele, Periode stort Gerard zich op het schrijven voor toneel. En meteen leidt dat weer tot een affaire, bekend onder de naam 'affaire-Moorlandshuis’.
In 1959 aanvaardt Gerard een opdracht van de Gemeente Amsterdam om een toneelstuk te schrijven. Hij gaat samen met regisseur Han Bentz van den Berg aan de slag. Als Gerard het stuk heeft ingeleverd, buigt de Jury voor Toneelopdrachten zich over het manuscript en besluit ze dat het stuk moet worden aanvaard. Eenstemmig geestdriftig is men echter niet. 'De opzet en de sfeer van het stuk acht de jury opmerkelijk genoeg, maar de auteur heeft haars inziens de door hemzelf aangegeven mogelijkheden niet ten volle benut. De karakters zijn schetsmatig en winnen ook niet aan duidelijkheid naarmate de handeling voortschrijdt; de taal maakt op verschillende plaatsen een geforceerd plechtige, gewrongen, onechte indruk; een stijlprocede dat de auteur in zijn verhalend proza met succes toepaste, blijkt voor een toneeldialoog een onjuist effect op te leveren. Sommige scenes zijn naar het oordeel van de jury zozeer in hun opzet blijven steken en psychologisch zo weinig verantwoord, terwijl ook de techniek van het epos en de dramatische ontwikkeling zo veel gebreken vertonen, dat de jury zich met enige verwondering heeft afgevraagd of de samenwerking met een erkend begaafd regisseur als Han Bentz van den Berg niet tot een beter resultaat had kunnen leiden. Dat de jury Uw College niettemin eenstemmig adviseert het stuk te aanvaarden, vindt zijn oorzaak in het feit, dat zij hier toch de min of meer uitgewerkte opzet van een belangrijk stuk aanwezig acht, een spel met een eigen, typisch Hollandse sfeer, waarin enkele goede speelscenes voorkomen.’
Aldus het niet misselijke oordeel van coryfeeen als Elise Hoomans, Marie Hamel, H.A. Gomperts, Ed Hoornik en Gabriel Smit.
Dan gebeurt er iets merkwaardigs. Gerard stuurt dit stuk ook op naar de Vereniging van Letterkundigen teneinde mee te dingen naar de Mr. Hendrik Gerard van der Vries-prijs. En ziet: die wint hij ook, terwijl toch eveneens auteurs als Harry Mulisch (met 'Tanchelijn’) en Dimitri Frenkel Frank (met 'Blaffen tegen de maan’) hadden meegedaan.
De jury van de Van der Vries-prijs: 'Het beste van de ingezonden stukken was “Moorlandshuis”, een tragedie waardoor men terstond werd geboeid, in de eerste plaats omdat dit nu een Nederlands stuk is dat een eigen Nederlands karakter heeft, zonder de benardheid van de “streekroman”, een stuk met een sterke sfeer, geschreven door een sterken persoonlijkheid.’
Aldus Anna Blaman, Emmy van Lokhorst, B. Stroman en Hans Andreus.
'Het stuk speelt vlak na de oorlog’, meldt het juryrapport. 'Het Moorlandshuis staat in de duinen dicht bij zee, de helft is kapot gebombardeerd, en dat huis speelt in het stuk op fascinerende wijze mee met de tragedie van de bewoners.’
Maar ondanks de prijs wordt het drama niet gespeeld. Gerard vindt het zelf niet goed genoeg. In een brief aan de jury schrijft hij: 'Het manuscript dat ik heb ingezonden en dat het u, leden van de jury, heeft behaagd voor bekroning aan te bevelen, heb ik zelf nimmer als een voldragen werkstuk beschouwd, al heeft het in opzet en structuur reeds het niveau, dat ik steeds nastreef. Het behoeft bewerking en herziening.’ Hij vraagt alle betrokken instanties zijn toneelstuk aan hem terug te sturen - zodoende heeft niemand er verder kennis van kunnen nemen.
Sjaak Hubregtse, destijds goed bevriend met Gerard, acht de kans dat Gerard het stuk ooit nog eens aan zijn Geliefd Publiek zal tonen, vrijwel uitgesloten. Terwijl hij twee jaar later wel 'het vrijwel unaniem negatief beoordeelde’ drama 'Commissaris Fennedy’ in het openbaar heeft gebracht.
In 1961, als Gerard zelf allerlei toneelvertalingen maakt, schrijft hij aan Wimie: 'Verder heb ik Hans Boswinkel geschreven om nader nieuws. “Commissaris Fennedy” moet nu eindelijk maar eens opgevoerd worden, ik kan niet alsmaar een toneelauteur zonder opvoering blijven.’
Gerard en het toneel. Evenals over proza had hij over toneel strenge, klassieke opvattingen. Toneel hoorde volgens Gerard aan bepaalde aristotelische wetten te voldoen. Mia Meijer en Klaus Beekman vertellen in 'Kort revier’ dat als je alle stukken leest die Gerard over toneel heeft geschreven (voor onder andere Tirade), je inderdaad veel te weten kan komen over de eisen die hij aan het theater stelt.
Bijvoorbeeld: 'Meervoudige handeling is alleen toegestaan, wanneer er een hoofdhandeling is en de overige handelingen hiervan afschaduwingen of weerspiegelingen zijn, of wanneer een aantal ongeveer gelijkwaardige handelingen gemakkelijk onder een noemer zijn te brengen. (Vader tuigt de kerstboom op, Moeder bakt een taart, Zus maakt huiswerk, Zoon bouwt uit onderdelen een vliegtuigmodel: Huiselijk Geluk.’
Tijdens het schrijven van 'Commissaris Fennedy’ trof Gerard zijn kunstbroeder Harry Mulisch aan. Mulisch: 'Toen ik hem eens tegenkwam op het Rokin en vroeg hoe het ervoor stond, zei hij dat het al aan dertien wetten beantwoordde. Toen het ook aan de veertiende beantwoordde, werd het opgevoerd.’
'Commissaris Fennedy’ gaat over rassendiscriminatie. Toevallig ook het onderwerp waarover zijn Geleerde Broer Karel bij de Vrolijke Brigade als dertienjarige zijn eerste, opgevoerde toneelstuk schreef.
Gerards stuk werd allerwege gekraakt: 'Mensen zonder vlees of bloed’ (Spierdijk), 'Personages blijven te schetsmatig’ (Gomperts), 'Te veel onwaarschijnlijkheden: rassendiscriminatie, huwelijkstragedie, gefnuikte ambities, haat van de vader tegenover de zoon en omgekeerd, seksuele aberraties, katholieke gemoedsbezwaren, verkeerd toegepaste christelijke symboliek.’ (Jeanne van Schaik-Willing)
En toch heeft Gerard in die tijd nog grootse plannen op dramatisch terrein. Hij is aan het toneelstuk 'De evangelist’ begonnen. (Ooit afgemaakt, maar ook nooit uitgevoerd.) En verder wilde hij ook voor toneelgroep Studio aan het werk.
Maar de grote hoeveelheid slechte recensies deden hem toch uiteindelijk inzien dat een en ander niet zo eenvoudig lag: 'Ik heb mij jarenlang met de theorie van het toneel beziggehouden en weet er aardig wat van, maar kennelijk ben ik niet in staat bruikbaar toneel te schrijven.’ (Wordt vervolgd)