Gerard van Westerloo, 27 januari 1943 – 5 mei 2012

Ik wacht op een boek met interviews. ‘Vertellingen’, noemde Gerard van Westerloo ze zelf liever. Het bevindt zich aan boord van het schip dat mijn spullen naar India brengt, waar ik sinds kort correspondent ben. Het komt over een week of twee aan.

Medium gerard van westerloo

In het ene doosje boeken dat ik mezelf heb toegestaan, zit ook Sprekend ik van Gerard van Westerloo. Het bevat 21 vertellingen - gesprekken met onbekende Nederlanders. Mensen met een verhaal, zoals we allemaal een verhaal hebben, een verhaal leven, al beseft niet iedereen dat. Hoe je mensen hun verhaal zelf kunt laten vertellen, en hoe je hun woorden vervolgens rangschikt tot een aangrijpend relaas, is een kunst waarin Van Westerloo uitblonk.

In Sprekend ik staat de vertelling van misschien wel de enige Nederlander die vocht in de Vietnamoorlog. Wie het vluchtig leest, denkt dat het een verhaal is over een Nederlandse sniper ingelijfd bij het Franse Vreemdelingenlegioen, die jaagt op een Vietminh-commandant. Maar klankkleur, ritme en melodie maken het tot een verhaal over overleving en levenslust. Als ik het heb gelezen kan ik de wereld weer even aan.

Op bevrijdingsdag overleed Gerard van Westerloo aan een hartstilstand. Hij werd 69 jaar. Hij was een groot journalist die werkte op het snijvlak van klassieke journalistiek en literatuur, al had hij daar zelf niet zo de mond van vol.

Van Westerloo vond dat een journalist de tijd moest krijgen om tot de kern van de zaak door te dringen. Dat gold niet alleen voor de klassieke onderzoeksjournalistiek, maar juist ook voor andere genres - reportages, het portret, interviews. Hij had die Nederlandse Vietnam-veteraan een uurtje kunnen spreken, driftig meeschrijvend, en het snel opgetikte verhaal door hem laten controleren op de onvermijdelijke fouten. Spannend verhaal, snel klaar. Hij kon ook de tijd nemen om de essentie te ontdekken. De man verscheidene keren bezoeken. Hem het verhaal nóg eens laten vertellen. En het pas opschrijven als hij wist wat er schuilging achter de woorden van de geïnterviewde, waardoor het een levensverhaal werd in plaats van het zoveelste oppervlakte-interview.

Het is wel de methode-Van Westerloo genoemd. Hij werd geroemd en gelauwerd voor zijn lange politieke en maatschappelijke reportages die hij onder meer publiceerde in Vrij Nederland en M, het vroegere magazine van NRC Handelsblad. Een selectie werd gebundeld in Niet spreken met de bestuurder. Befaamd zijn onder meer het relaas over de Amsterdamse tramlijn 16 en zijn portret van de PvdA-Tweede-Kamerfractie. Pas in 2006 - veel te laat eigenlijk - won hij de Tegel, Nederlands belangrijkste journalistieke prijs, voor een van zijn reportages.

In 1997 werd Van Westerloo hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer. In gedenkstukken wordt die episode afgedaan als een mislukking. In het najaar van 1998 vertrok hij met slaande deuren. Inderdaad, het ging Van Westerloo niet goed af, het leiden van een koppige weekbladredactie. Nog voor hij aantrad verkondigde hij in interviews dat wat hem betrof de onafhankelijkheid van De Groene (De Groene is zijn eigen uitgever) niet heilig was - maar dat was en is die wel bij de redactie. En het plan dat hij ontwikkelde om het blad te vernieuwen, met onder meer lifestyle-onderwerpen voor de jonge vrouw, lag mijlenver af van de eigenwijze rol die voor De Groene Amsterdammer is weggelegd in de wondere wereld der weekbladen.

Maar Van Westerloo bereikte meer dan hem wordt toegerekend. Hij zorgde ervoor dat vier jonge medewerkers een vaste aanstelling kregen, waardoor De Groene voor vergrijzing werd behoed. Zijn rustige, bedachtzame journalistiek had grote invloed op de jonge honden binnen de redactie, die zagen dat je ook zonder verstrekkende kennis van Wagner en Schopenhauer een diepgravend weekblad kon maken. Ik was een van hen.

Van Westerloo gaf me het vertrouwen dat nodig was om bij de kleine Groene Amsterdammer de oorlogsverslaggeving te introduceren. Als ik maar ‘mooie stukken’ schreef en goed op mezelf paste. Hij leerde me ook te kijken. Echt te kijken. Dat deed hij door me korte interviews te laten maken met mensen die ‘vies’ werk verrichtten. Een duivendoder, een rioolreiniger, een ongediertebestrijder. De verhalen moesten in hun woorden geschreven zijn, quote-unquote. Dat lukte me pas nadat Van Westerloo me had leren zien hóe ze hun verhaal vertelden. De gebaren die ze maakten, enthousiasme, verveling, verdrongen verdriet. En opeens kregen hun woorden werkelijk betekenis. Als ondertitels bij een film.

De belangrijkste les die ik leerde van Van Westerloo is er een die elke journalist ter harte zou moeten nemen. Toen ik net terug was van een reis naar Kosovo vertelde Van Westerloo me hoe hij in 1985 in Caïro was om een portret te maken van de Nederlandse ambassade. Terwijl hij daarmee bezig was werd het Italiaanse cruisseschip Achille Lauro door Palestijnse terroristen gekaapt. Ze doodden een gehandicapte joodse Amerikaan. Het lukte Van Westerloo om samen met een crisisteam van de Nederlandse ambassade korte tijd aan boord te verblijven. Daar zag hij een wand met foto’s van passagiers, genomen door de scheepsfotograaf, tegen betaling verkrijgbaar. Op een daarvan stond een groepje mediterane mannen - de kapers, dat wist Van Westerloo zeker.

‘Wat zou jij gedaan hebben’, vroeg hij. ‘Zou je die foto hebben meegenomen?’ ‘Natuurlijk!’ riep ik. De kaping was wereldnieuws. Van Westerloo vertelde dat hij het niet had gedaan, ook al zou het hem een wereldprimeur hebben opgeleverd. Want dat zou onherroepelijk tot het ontslag hebben geleid van de ambassademedewerkers wier vertrouwen hij had gewonnen en die hem stiekem mee aan boord hadden genomen.

Ik kan niet wachten totdat zijn boek arriveert.


Beeld: Bob Bronshoff