Gerechtigheid

Luister naar dit artikel

Niemand weet meer hoe de oorlog was. Misschien zijn er nog een paar getuigen van honderd jaar oud. Ik heb de verhalen nog rechtstreeks van mijn ouders gehoord. Dat ik ‘verhalen’ schrijf suggereert dat het er vele waren, maar het waren slechts enkele, korte anekdotes. Soms niet meer dan één regel: ‘We hebben daar elke dag honger gehad en dat was niet leuk.’

Oorlogen verdwijnen om ruimte te maken voor nieuwe veldslagen. De Tweede Wereldoorlog was de maatstaf van mijn morele oordeel. Ook dat is niet meer vol te houden. Nooit meer Auschwitz! Wat bedoelde ik daarmee? Nooit meer een industriële vernietiging van mensen? Natuurlijk. En het is ook mooi om die overtuiging in het openbaar te belijden.

Maar mijn gedachten zijn wreed en worden naarmate ik ouder word meedogenlozer. Ook al in het kleine.

In de tram schofferen jongeren een oudere dame. Het is niet eens heel erg wat ze zeggen. ‘Tyfus kankerwijf!’ Het is een scène die al vaak beschreven is; mijn mond zit dichtgeplakt met de pleister van angst, want je bent bang voor de pijn die jou kan worden aangedaan – als het al bij pijn blijft. En ik moet aanzien hoe zo’n oudere vrouw nog meer beledigingen naar haar kop krijgt.

Zo ontwikkelt zich bij mij de wens naar een klein handzaam wapen. Een zweep. Of pepperspray. Ik weet ook wel dat het de didactiek is van de domoor, maar om die jongens pijn te doen – iets meer dan nodig is – zou me bevredigen. Mijn zelfbeheersing is schijn. Maar noodzakelijk.

Wraak, het is een zwarte tor die vaak door mijn gedachten kruipt. Hoe machtelozer ik door mijn leeftijd raak, hoe groter mijn behoefte aan een vorm van gerechtigheid die ik wil afdwingen met pijn. ‘Ik zal je leren, klootzak!’

Onderzoek leverde laatst op dat mijn oom, gesteund door mijn vader, na de Tweede Wereldoorlog op zoek is gegaan naar degene die mijn grootvader had verraden waardoor die werd geliquideerd.

Ik vond een brief uit 1946 waarin mijn oom schrijft: ‘Als ik hem vind, vermoord ik hem, ook omdat hij met die spleetogen heeft samengewerkt.’

Wraak, het is een zwarte tor die vaak door mijn ­gedachten kruipt

Mijn oom was gedeporteerd naar Japan om daar in de mijnen te werken. Totaal gestoord met meer dan duizend angsten teruggekeerd, overigens. En die spleetogen… Als je een foto van hem zou zien, zie je een duidelijke Indo. Eén streepje verwijderd van spleetogen en een kleur die overeenkomt met die van de Japanners. Die zin bevat meer familiegeschiedenis dan ik kan uitleggen.

De machteloosheid werd niet in balans gebracht door de vrede, er moest nog een afrekening plaatsvinden. Daar had je moreel recht op!

Op het laatst vond mijn vader dat er van moord moest worden afgezien. Je zou kunnen denken: nobel. Maar de waarheid is dat hij zijn broer altijd onhandig vond. Die zou er niet mee wegkomen. En God, die ook nog een piepkleine rol speelde in mijn vaders universum, zou het er ook weleens niet mee eens kunnen zijn.

Zo’n oorlogsverhaal van één regel: ‘Toch jammer dat mijn broer die man niet heeft vermoord.’

Jammer.

Die ‘jammer’ was een zak vol, en niet alleen met spijt.

Mijn vader die – tot 1952 – als assistent-resident ook rechter in Indië was, kreeg weleens met moordenaars te maken. Zo was er een eerwraakzaak van een jongen die meende dat de vrouw die hem beloofd was, verliefd was geraakt op een ander. Hij doodde het meisje. Waarna de broer van het meisje, opgezet door de moeder, die jongen weer doodde. Helaas weet ik niet hoe mijn vader hierover heeft gevonnist. Wel was er zijn stille verzuchting: ‘Soms moet je een straf intuïtief opleggen.’

Ondertussen lees, hoor en zie ik hoe er tegenwoordig van alle kanten gegoocheld wordt met ethische problemen. Er zijn zelfs hoogleraren ethiek.

Hebben die de Tweede Wereldoorlog meegemaakt? Hebben die weleens ‘knijp’ gezeten? Hebben hun vaders weleens een moord beraamd? Ik snap ook nooit iets van hun ethiek terwijl die er toch moet zijn voor jongens zoals ik. Heeft Auschwitz nog invloed op hun denken? En krijgsgevangenschap?

Ik snap degene die zegt: ‘Ik koop een geweer, ik verstop me in het bos en ik ga wraak nemen voor de pijn die mij is aangedaan.’ Ben ik daarvoor te beschaafd? Misschien moeten we onze beschaving wel voeden met doodsangst.