De cartoonaffaire vertoont overeenkomsten met de zaak-Rushdie

Geregisseerde woede

Waarom is de islami tische toorn over een serie Deense cartoons pas vier maanden na publicatie ontbrand? Er is een overeenkomst met de internationale opwinding rond Salman Rushdie, een kwestie die ook pas na maanden zijn volle omvang bereikte.

De Rushdie-affaire begon in 1989 met een boekverbranding door soennitische moslims in het Britse Bradford. Daarbij was het waarschijnlijk gebleven als ayatollah Khomeini in het boek geen diplomatieke stok had gezien om zowel het Westen als zijn soennitische rivalen in buurland Saoedi-Arabië mee te slaan. Volgens sommige bronnen gebruikte de aftakelende geestelijk leider zijn «onuitwis bare» fatwa tegen Rushdie tevens als middel om over zijn graf heen te blijven regeren. Een reconstructie leert dat dezelfde politieke krachten en hefboomeffecten ook in de spotprent-affaire werkzaam zijn. En aan de oorsprong van alle opwinding staat wederom een schrijver wiens verwondering en weloverwogen visie het islamofascisme in het hart raken.

De 46-jarige Kåre Bluitgen is de bekendste en wellicht meest geëngageerde kinderboekenschrijver van Denemarken. Hij bracht zijn jonge jaren door in Midden-Amerika en was in 1980 getuige van de moord op aartsbisschop Romero door een doodseskader in San Salvador. Zeven jaar later wijdde hij er zijn eerste boek Ernesto aan. Andere boeken van Bluitgen gingen over apartheid, economische ongelijkheid in de wereld en de moordpartijen in Sabra en Shatila. Stuk voor stuk «volwassen» thema’s, waarbij de strekking was dat het goede niet vanzelf in de wereld komt, maar alleen indien mensen hun best doen om het te bewerkstelligen zonder er zelf beter van te worden.

Bluitgen leefde de laatste jaren in Nørrebro (het Bos en Lommer van Kopenhagen) en stuurde als sociaal-democraat zijn kinderen uit overtuiging naar de «zwartste» school in de omgeving, waar overigens ook hij (parttime) en zijn vrouw (fulltime) werken. Hij schreef in 1998 een leerboek getiteld Nye Danskere («Nieuwe Denen») over de gevolgen van globalisering, migratie en cultuurvermenging die hij in de praktijk tegenkwam. Bij zijn laatste project stuitte hij echter op een schier onoverkomelijk probleem. Hij kon geen illustrator vinden voor zijn boek over het leven van Mohammed. Veel moslims mogen het afbeelden van de Profeet dan beschouwen als godslasterlijk, maar Bluitgen is geen islamiet en hij wilde de Profeet in de hoofdrol laten zien.

De eerste drie illustratoren die hij benaderde weigerden hun medewerking omdat ze bang waren net als Theo van Gogh door een godsdienstwaanzinnige islamiet te worden vermoord. Pas de vierde zegde zijn medewerking aan het boek toe, maar onder voorwaarde van volstrekte anonimiteit. Nadat Bluitgen hierover vorige zomer zijn beklag deed, besloot de hoofdredacteur van de conservatieve Jyllands-Posten eens te toetsen hoeveel illustratoren wél bereid waren de Profeet af te beelden.

Het resultaat was zoals bekend een collectie slechte cartoons die op 30 september allemaal tegelijk op een pagina werden afgedrukt. Het is onterecht om die gebrekkige kwaliteit als uiting van kwade wil te zien. Eén van de cartoons drijft nota bene de spot met de Jyllands-Posten zelf, in plaats van met Mohammed. De slechte kwaliteit is nu juist een symptoom van de angst die het islamitisch terrorisme in westerse samenlevingen heeft gezaaid. Zoals uit rondvragen in Denemarken en andere Europese landen is gebleken, zijn goede karikaturisten en illustratoren letterlijk doodsbang om de Profeet af te beelden. «Het gaat niet om moslims, joden of christenen», houdt Bluitgen niet op te verklaren: «Het gaat erom dat het recht op vrije meningsuiting al is uitgehold zonder dat we het wilden inzien, en dat we moeten vechten om het te heroveren.»

Aanvankelijk lokten de cartoons geen enkele reactie uit. Dat veranderde na een week, toen Deense verslaggevers bij fundamentalistische mullahs in Kopenhagen en Aarhus informeerden wat zij ervan vonden. Een tot dan toe obscure imam, Achmed Aboe Laban, wierp zich op als «verzetsleider» en organiseerde de eerste demonstratie van Deense moslims tegen de cartoons. Zijn buurtmoskee werd het zenuwcentrum van protestacties, journalisten uit de hele wereld interviewden hem als «spreekbuis» van de Deense moslims. «We hoeven geen zielen te winnen, de jongelui lopen hier vanzelf de deur plat», verklaarde hij trots. Een andere imam, Raed Hlayhel, die zich een jaar eerder onmogelijk had gemaakt met de uitspraak dat Deense vrouwen door hun kleding en gedrag vragen om verkrachting, nam revanche met de uitspraak dat «elke moslim door de spotprenten tot in het diepst van zijn ziel beledigd is!»

Premier Anders Fogh Rasmussen liet de protesten van zich afglijden en raadde de boze moslims aan zich tot de rechter te wenden. Aboe Laban gaf echter blijk dat hij lering had getrokken uit de Rushdie-affaire. Hij ondernam met enige geestverwanten een reis naar de Egyptische en Saoedi-Arabische hoofdsteden, alwaar hij de kwestie van de cartoons in een zo kwaad mogelijk daglicht stelde. Volgens Egyptische bronnen voegde de Deense delegatie zelfs nieuwe cartoons toe aan het portfolio, waaronder een waarop de Profeet met een varkenssnuit werd afgebeeld. Elf landen – waaronder Egypte, Turkije, Syrië en Libië – protesteerden per brief bij Rasmussen en eisten van hem excuses namens Jyllands-Posten, maar ook namens Deense radiozenders en andere media die onwelgevallige dingen zouden hebben gezegd en geschreven. In december voegden zich daar nog enige landen bij, waaronder Saoedi-Arabië.

Door van Rasmussen het onmogelijke te eisen, namelijk een verontschuldiging voor de vrije meningsuiting in zijn land, lieten de regimes blijken de zaak propagandistisch verder te willen uitbuiten. De agitatie doorliep diverse stadia, telkens aangejaagd door de politieke prio riteiten van de betrokken machthebbers. De grote publieksopwinding begon reeds in oktober in Egypte, waar de regering-Moebarak te kampen had met de groeiende populariteit van de Moslim Broederschap en derhalve in verkiezingstijd graag zijn islamitische geloofs brieven wilde tonen. Na het bezoek van de Deense imams bracht de Egyptische pers berichten over «honderden Deense cartoons tegen de Profeet», een «door de staat gecensureerde koran» (wellicht een verwijzing naar Bluitgens kinderboek) en een «film die moet aantonen hoe vreselijk de islam is» (mogelijk een referentie aan Submission I en II).

In de Egyptische pers werd ook voor het eerst opgeroepen tot een boycot van Deense producten. De Egyptische mediacampagne was voor moslims in Denemarken reden om zich te distantiëren van Labans missie. De Organisatie van Pakistaanse Studenten in Denemarken liet bijvoorbeeld bij monde van voorzitter Hadi Kahn weten dat Laban niet namens hen sprak. Al gauw was de Egyptische minister van Buitenlandse Zaken Achmed Aboel-Gheit de enige die het vuurtje nog aanblies. Begin januari leek een Deense «nadere verklaring» aan het adres van de Arabische Liga, die in het gehele Midden-Oosten zou worden verspreid, de laatste olie op de golven te werpen.

Juist toen werd de kwestie echter opgepakt in Saoedi-Arabië, en wel nadat er door gebrekkige organisatie bij de hadj in Mekka honderden doden uit merendeels arme islamitische gebieden waren gevallen. Dat was niet voor het eerst, en de doden werden in alle media in islamitische landen breed uitgemeten als toonbeeld van Saoedische onverschilligheid voor het lot van de gewone gelovigen. Vanaf dat moment brachten de Saoedische media dagelijks boze verhalen over de Deense cartoons. De niet geringe propagandamiddelen van de wahabitische sekte werden ingezet om de boodschap in de hele islamitische wereld te verspreiden. Opeens worden nu Deense producten geboycot, Deense vlaggen verbrand, Deense gebouwen beklad en wordt Deens personeel bedreigd.

Uitgerekend in Damascus, waar geen enkele manifestatie denkbaar is zonder instemming van de alomtegenwoordige autoriteiten, ging afgelopen weekeinde de eerste Deense ambassade door «spontane» volkswoede in vlammen op. Die in Beiroet volgde een dag later, maar als bewijs voor de hoopgevende veranderingen in Libanon trad de minister van Binnenlandse Zaken af en bood het land zijn verontschuldigingen aan Denemarken aan.

Daarentegen was de Gazastrook het toneel van de treurigste «protestactie» van allemaal. Gemaskerde mannen, bewapend met machinegeweren en granaatwerpers, omsingelden het kantoor van de Europese Unie en uitten allerhande dreigementen tegen Europese landen en burgers.

Het waren geen Hamas-aanhangers, zoals sommige westerse media meenden, maar aanhangers van Fatah, die zojuist de verkiezingen van Hamas hadden verloren en er zeker van wilden zijn dat een nieuwe Hamas-regering geen gebruik zou kunnen maken van financiële steun van de Europese Unie. Als het ging om de wederopbouw van de bezette gebieden is Denemarken altijd een van de welwillendste gevers geweest. Zo boycotten de Palestijnen – niet voor het eerst – vooral zichzelf.