Truus de Leur. Eduard van Beinum: Musicus tussen musici

Gerespecteerd niet verafgood

Truus de Leur

Eduard van Beinum: Musicus tussen musici

Thoth, 352 blz., € 39,90

Eduard van Beinum (1900-1959), tussen Mengelberg en Haitink chef-dirigent van een destijds nog niet koninklijk Concertgebouworkest, had een wonderlijk talent: gevoel voor het perfecte tempo. Ooit maakte hij een opname van Schuberts Derde symfonie, die door de sluwe losheid van de slag een onvoorstelbaar eigentijdse lichtheid ademt. Dat danst als een kind. Wat wordt daar argeloos, quasi-naïef muziek gemaakt; zonder twijfel helemaal zoals de jonge Schubert het bedoeld had. Vijftig jaar oud, in niets verouderd. Zeldzaam.

Intussen is er niets extreems aan de vertolking. Geen overdreven expressief vertoon, geen raar fortissimo-gebeuk, geen laat-romantisch gloeiend strijkerskorps. Hij is gewoon ontzettend goed. Alleen de kenner hoort hoe knap het is wat daar gebeurt. Terwijl van Mengelbergs klaroengeschal de grootste dwaas onder de indruk raakte.

Daarmee is naast zijn muzikale raison d’être ook de tragiek van Eduard van Beinum aangegeven. Hij was een ordelijke grootmeester in de schaduw van een grote voorganger, die op hem neerkeek. Hij kreeg een goede pers, maar verafgoding zou hem nooit ten deel vallen. Zijn stigma van doorsneeburger, waar hij zelf aan bijdroeg door zichzelf «een gewone Gelderse boer te noemen», zat zijn heiligverklaring duurzaam in de weg. Van Beinum was geen artiestentype, geen interessante diva. Hij scheen er wel buitenechtelijke verhoudingen op na te houden, hij hield van autorijden en een rokertje, maar je zag zijn kleinere en grote escapades niet zo aan hem af als bij een Otto Klemperer, die spanning opriep met zijn mooie, vreemde, boze kop en nurkse Beethovens. Daar broeide wat; een leven als een boek.

Een ster werd Van Beinum evenmin in zijn gloriejaren na de Tweede Wereldoorlog, al mochten ze hem van Londen tot Los Angeles als gastmaestro graag lijden. Privé ging hij het liefst uit rusten op het land. Hij toog op jacht, reed paard en had een hond die Bob moest heten, vond Van Beinum: «Een goede roepnaam in het jachtveld, lekker kort.» Hij had een Hollands buitenhuisje op de Veluwe, was als chef de primus inter pares die het liefst met musici verkeerde en de hoge heren meed. Bij het Concertgebouworkest zeiden ze ooit dat je ónder Mengelberg speelde maar mét Van Beinum. Ook sterven deed hij op zijn eigen, simpele manier. Niet aan een opgewonden auto-ongeluk, zoals James Dean. Niet als een Zarathustra in de bergen, zoals Mengelberg. Gewoon in het Concertgebouw, in het harnas, aan een hartkwaal die al jaren lag te broeden op de grote klap.

Wat moet je met zo’n dirigent, als zijn Schubert je niet mooi genoeg is? Truus de Leur schreef zijn biografie. Eduard van Beinum: Musicus tussen musici is een vuistdik boek, prachtig uitgegeven door Thoth, en met twee interessante toegiften. Achterin een cd-rom met alle technische gegevens over de concerten die Van Beinum van 1931 tot zijn dood bij het Concertgebouworkest dirigeerde (dank voor de service). Voorin, nog belangrijker, een dvd met een uitvoering van Beethovens Eroïca. Die opname geeft namelijk antwoord op de vraag waarmee deze alinea begon. Beeld en geluid zijn waardeloos, maar het orkest speelt fabuleus. Daar staat geen musicus tussen musici, geen tussenpaus die zijn orkest van Mengelberg naar Haitink manoeuvreerde. Daar staat wel degelijk een grote dirigent vol grote woede, vol grandeur.

Wat moet je met zo’n man? Zijn clou doorgronden. Het beeld liegt niet. Dat was geen goeie muzikaal begaafde boer met dubbelloops geweer en trouwe jachthond, roepnaam Bob, waakzaam aan zijn zijde. Dat was een reus.

Vond Truus de Leur de wolf onder de schaapskleren? Nee. De vraag is of dat met behulp van de gearchiveerde feiten kan, en het lijkt er niet op dat het haar bedoeling is geweest. De Leur – zorgvuldig en bescheiden, ouderwets van stijl – is niet de helleveeg die een goedmoedig man dresseert tot Manfred of Macbeth. Ze schreef geen psychologische biografie. Ze maakt geen drama van Van Beinums hartkwaal, die hem al op jonge leeftijd dwong zijn krachten te sparen en hem de energie ontnam om zich als grote dirigent zo vastberaden en heerszuchtig op te stellen als hij van nature had gekund. Dat stelt ze vast, en daarbij blijft het.

Wat ze wel doet, is met grote vasthoudendheid het materiaal aandragen dat ten minste de dramatische contouren van dit leven zichtbaar maakt. Een overweldigende hoeveelheid citaten uit recensies, brieven en interviews, zowel met Van Beinum als met vele, vaak nog levende oog getuigen uit binnen- en buitenland, werpt nieuw of heller licht op diverse facetten van Van Beinums muzikale persoonlijkheid. Zijn repetitietechniek, zijn muzikale opvattingen, zijn liefde voor Mozart, zijn vriendschap met Matthijs Vermeulen, zijn diplomatie in de omgang met musici, zijn ethos, de bijna ongeloofwaardige eenvoud van zijn al te menselijke inborst: als karakterportret schiet het boek tekort, maar als informatiebron voor zo’n portret heeft deze pil geweldig veel te bieden, dankzij een werkdrift die niet luid genoeg kan worden geprezen.

Toch zal, ondanks dit lijvige dossier, de echte doorbijter hem moeten zoeken in zijn werk. De Leur schetst een man met een ambitie die zich op geen andere manier kon uitdrukken dan door middel van geluid, zoals in die verterende Eroïca van hem. Het bepaalt de indruk die haar boek op me gemaakt heeft: de vermoede achtergrondmuziek (de woede en de drift, de suggestie van hartsgeheimen) moet je er zelf bij verzinnen. Misschien is het een goed idee eens een roman aan hem te wijden. Kees van Beijnum zou het kunnen, die heeft kijk op mensen.

Het leven van Van Beinum is half streekroman, half Hollywood. Hij wordt in 1900 geboren als telg uit een doodgewoon Arnhems muzieknest. Vader speelt tuba en contrabas in de Arnhemse Muziek Vereeniging. Broer Co is violist. Thuis wordt ongetwijfeld meer gespeeld dan gesproken. Eduard speelt viool, altviool en piano. Door zijn behendigheid op al die instrumenten is hij van jongs af aan bestemd voor de muziek. Hij is een knaap met grote plannen. Op zijn veertiende hoort hij het Concertgebouworkest Tsjaikovski spelen. Tegen zijn moeder zegt hij, op de toon van Dik Trom: «U zult nog eens meemaken, dat ik voor dit orkest kom te staan.»

Zo zal het gaan. Alle ontwikkelingsstadia die voorafgaan aan zijn komst naar het Concertgebouworkest, van zijn conservatoriumopleiding in Amsterdam tot zijn eerste banen, zijn relatief kortstondig en gericht op één doel: het verwerven van de voor het grote werk noodzakelijke expertise. In de Amsterdamse St. Nicolaaskerk – «ik leer snel», zegt de sollicitant Van Beinum – is hij een tijdje organist en dirigent; later is hij koor- en soms orkest dirigent in Schiedam en in Zutphen. Intussen begeleidt hij zijn aanstaande Sepha Jansen in vioolsonates van Beet hoven, geeft hij recitals en concerten, wat hij ook als dirigent nog lang zal blijven doen: muziek is voor Van Beinum altijd samenspelen.

In 1927 volgt zijn benoeming bij de Haarlemse Orkest Vereeniging, de voorloper van het inmiddels opgeheven Noordhollands Philharmonisch Orkest. Hij maakt er grote indruk met repertoire van Bach tot Hendrik Andriessen, met zijn gave een orkest van niks te laten klinken als een klok; hij vindt zijn draai. Dan gaat het snel. In 1929 debuteert hij bij het Concert gebouworkest met Haydn, Rimsky-Korsakov en de Orgelsymfonie van Saint-Saëns. Een jaar later is hij terug met Weber, Bosmans, La Mer van Debussy en de Vierde symfonie van Brahms. In 1931 wordt hij aangesteld als tweede dirigent van het Concertgebouworkest. Naast Mengelberg. Exit Haarlem, op naar de roem.

De eerste Amsterdamse jaren moeten zwaar voor hem zijn geweest. Concertgebouw en het Concertgebouw orkest zijn als Het Concertgebouw NV nog één organisatie. Van Beinum onderhoudt moeizame betrekkingen met het bestuur van het Concert gebouw en met de artistiek leider, Rudolf Mengelberg. Bij die deftige regenten steekt zijn naturel gewoontjes af. Het is daar baas boven baas. Zijn functie heeft vernederende kanten. Als tweede dirigent is hij de assistent van Willem Mengelberg. Kan Mengelberg niet repeteren, dan moet hij inspringen. De Leur: «Dat hield in dat de NV in principe op ieder moment een beroep op hem kon doen. Gastdirigenten maakten als regel geen gebruik van zijn diensten, Willem Mengelberg wél en vaak onverwachts.» Baas boven baas.

Verder zijn de repertoiremogelijkheden voor Van Beinum vrij beperkt, omdat Willem Mengelberg alle grote klussen naar zich toetrekt. Maar daar hoort Bruckner in die periode nog niet bij, zodat hij bij zijn eerste optreden als tweede dirigent gewoon diens Achtste symfonie kan dirigeren. Beethoven en Tsjaikovski staan als Chefsache op rantsoen; maar op het gebied van de Franse en de Nederlandse muziek kan hij zijn gang gaan, en ook Haydn en Mozart zijn tolvrij. Verder valt Mengelberg wel eens uit, wat Van Beinums actie radius ondanks zijn lage status vergroot.

Maar hij moet orde houden en dat valt hem zwaar; de discipline binnen het orkest laat zeer te wensen over. En het feodale standsbewustzijn van zijn superieuren speelt hem parten als hij in de loop van de jaren dertig steeds vaker als gastdirigent wordt gevraagd. «De Baas», zoals chef Mengelberg genoemd wordt, beklaagt zich in een hilarisch schaamteloze hufterbrief aan het orkestbestuur over de storende absentie van zijn knecht: «Ik moet een assistent hebben. Als v. Beinum weigert moet ik een andere hebben. Ik moet een assistent hebben, die als ik te laat ben, met instemmen begint, opdat het orkest niet hoeft te wachten. V.B. is er nooit. En het is zijn plicht in de repetities te zijn. In de agenda staat v. B. bij de dirigenten. Hij is toch IIe dirigent.»

In 1938 wordt Van Beinum, nadat vanuit Den Haag door het Residentie Orkest aan hem is getrokken, bij het Concertgebouworkest tot eerste dirigent benoemd. Maar kort daarop breekt de oorlog uit. Van Beinum komt er in morele zin vrijwel ongeschonden uit. Hij ziet de joden vertrekken en hij dirigeert in 1941 nog wel in Dresden, maar hij weigert in 1943 rigoureus zijn medewerking aan een concert voor de nationaal-socialistische Frontzorg. Hij schrijft het bestuur van het Concertgebouw NV een brief waarin hij duidelijk maakt dat het «mij niet mogelijk is dit concert te dirigeren (…)» en dat hij dus niet van zins is met het Frontzorgtuig in overleg te treden. «Voor het geval dit overleg of het dirigeren van genoemd concert van mij wordt gevorderd, dien ik nu voor alsdan mijn ontslag bij U in als eerste dirigent van het Concertgebouworkest.» Dat verzoek wordt ingewilligd; goed gebruld.

Fascinerend hoe de loopbaan van Van Beinum zich na de Tweede Wereldoorlog als een olievlek uitbreidt naar de kroondomeinen van het internationale muziekleven, terwijl in Nederland de slagschaduw van de geniale collaborateur Mengelberg maar moeizaam wegtrekt, ondanks alle waardering voor zijn opvolger. Schrijnend is het contrast tussen Van Beinums populariteit in Londen en de onbarmhartige manier waarop zijn kunstenaarschap door de criticus Arntzenius in Elsevier’s Weekblad door het slijk wordt gehaald. Arntzenius noemt hem in 1949 «profiteur nummer één» van «de terechtstelling van Mengelberg»; een dirigent wiens talenten «onrijp en onbeproefd» zijn gebleven; «want de keerzijde van zijn lichtheid is luiheid en de keerzijde van zijn flair is gemakzucht». Dat die luiheid waarschijnlijk pure overlevingsdrift is geweest, omdat Van Beinum met zijn wankele gezondheid elke inspanning moest wegen, weten in die tijd alleen zijn intimi.

In het licht van Arntzenius’ betoog is het interessant te lezen hoe geliefd Van Beinum zich in de jaren vijftig in de VS wist te maken, waar een kolos als Fritz Reiner hem persoonlijk uitnodigde voor een gastdirectie bij zijn Chicago Symphony Orchestra. Waar het Los Angeles Symphony Orchestra hem in 1955 benaderde voor het music directorship, dat hij met beide handen aangreep. En dat hem nog een paar schitterende muzikale jaren bracht in een voor zijn gezondheid ideaal klimaat en een milieu waarin zijn joviale muzikaliteit kon bloeien als nooit eerder.

Toch blijft de Mengelberg-verheerlijking Van Beinum achtervolgen. In 1954 wordt hem na een Amerikaanse tournee van het Concertgebouworkest gevraagd: «Meneer Van Beinum, hoe speelt u dat klaar om na zo’n reis telkens weer het op te brengen om zo’n concert te geven als in Boston?» Toen zei hij: «Dat zal ik jou eens vertellen: dat komt omdat ik hier niet tweehonderd paar ogen in mijn nek heb van mensen die denken: daar stond Mengelberg.»

Maar het echte probleem was niet Mengelberg. Het probleem was dat Van Beinum zijn tijd waarschijnlijk ver vooruit was. Niet alleen als de geboren democraat die hij in een tijd van grote maestro’s was en die hij al zijn roem ten spijt hardnekkig bleef, maar ook als de dirigent die Schuberts Derde symfonie kon laten klinken met de stijlgevoeligheid die even delicaat als imposant vooruitliep op de authentieke uitvoeringspraktijk van deze dagen. Daarom is het goed dat Truus de Leur dit boek heeft geschreven: het markeert het langverwachte eerherstel van een beschamend onderschatte grootheid. Nu op naar de volgende stap: een vie romancée. Want hier valt wat te halen.