Germanisering van de Spaanse zaak

Pas toen Spanje modern was geworden, keek het land naar zijn verleden en bleek dat tijdens Franco en daarvoor een paar draadjes los waren blijven zitten. Met The Spanish Holocaust trekt Paul Preston hard aan een aantal van die draadjes.

Paul Preston, The Spanish Holocaust: Inquisition and Extermination in Twentieth Century Spain. W.W. Norton Company, 720 blz., € 35,99

Op z’n laatst sinds ­Gerald Brenan, vader van de moderne hispanistiek, van de kust van Noord-Spanje naar de bergen ten zuiden van Granada wandelde, zich aldaar vestigde en over Spaanse cultuur c.q. politiek begon te schrijven, bestaat er een sterke hispanistische traditie in de Engels-Amerikaanse cultuurwetenschap. Die traditie heeft dermate magistrale werken opgeleverd dat heel de huidige Spanjekunde, ook die van het moederland, er de invloed van heeft ondergaan. Dat geldt in de eerste plaats het onderzoek naar de twintigste-eeuwse Spaanse gebeurtenis der gebeurtenissen, de burgeroorlog. Gerald Brenan zelf zette wat dat betreft spoedig na afloop ervan de toon met The Spanish Labyrinth, voor het eerst verschenen in 1943. Dit boek werd gevolgd door een lange reeks: The Spanish Civil War van Hugh Thomas in 1961, The Spanish Republic and the Civil War van Gabriel Jackson in 1965, The Spanish Revolution van Stanley Paine in 1970 en The Coming of the Spanish Civil War van Paul Preston in 1978. In het verlengde van deze werken verschenen honderden andere. Weliswaar gaan de meeste hiervan over details en zijn mede daarom slechts in kleine kring bekend, maar ze hebben wel degelijk bijgedragen tot het beeld. Dat beeld, hoe moeilijk ook in enkele woorden te schetsen, is mede daarom redelijk helder en min of meer eenduidig.

De Engelstalige geschiedschrijving van de Spaanse Burgeroorlog verwierf buiten Spanje te meer zoveel faam omdat ze spoorde met een politieke consensus. Die consensus is in de eerste plaats het resultaat van de ervaring met de Tweede Wereldoorlog en gebaseerd op een gedachte zonder voorbehoud: dat alles wat met het fascisme van doen heeft weerzinwekkend is en verbannen dient te worden naar de krochten van de geschiedenis. Dat geldt dus ook het Franco-regime. Het was niet meer dan een restant uit een tijdperk waaraan in 1945 overal in Europa een eind was gemaakt. Behalve op het Iberisch schiereiland, daar werd het om internationaal-politieke redenen getolereerd. Het zou, aldus een dominante en naar bleek niet onjuiste gedachte, vanzelf verdwijnen.

In Spanje (en Portugal) zelf leefde ondertussen een precies tegenovergesteld beeld van het jongste verleden. De (tweede) Spaanse Republiek was een ramp geweest en een burgeroorlog onvermijdelijk. Daarin was het inderdaad hard toegegaan, maar niet harder en meedogenlozer aan de ene dan aan de andere kant. Meer nog: het was de barbarij van links die de reactie van rechts opgeroepen had. Daarin hadden Franco en de zijnen het land bevrijd van een plaag. Tussen 1939 en 1975 verscheen een lange reeks werken, met om te beginnen de achtdelige serie van Joaquín Arrarás uit 1939-1948 (Historia de la cruzada española), waarin dit op de een of andere manier betoogd werd. Niemand binnen de landsgrenzen die het (publiekelijk) tegensprak.

Buiten Spanje, niet in de laatste plaats onder de vrij grote gemeenschap politieke emigranten, werd de volledige franquistische geschiedschrijving afgedaan als propaganda en kletskoek. Dat eerste oordeel is zonder twijfel terecht. Propaganda was zij. Dat het eigen beeld eveneens politiek gekleurd was, zagen de emigranten en hun medestanders ondertussen niet of nauwelijks. Dat hoefde ook niet. Het strookte immers met een internationale consensus die te meer zo sterk kon zijn omdat ze naadloos aansloot bij een oude traditie, ontstaan in het protestantse Europa van de zestiende en zeventiende eeuw, Engeland en onze Republiek voorop. Volgens die traditie zou Spanje altijd ‘middeleeuws’ zijn gebleven, dogmatisch, katholiek, star. Spanjaarden zouden boers zijn, trots, dom en bovenal wreed. Model voor dit beeld stond de hertog van Alva, een man die zijn broodheer (Filips II) waardig was. Franco had simpelweg het stokje van hen overgenomen.

Franco zag het in zekere zin zelf net zo, zij het dat hij de kwalificaties vanzelfsprekend omkeerde. Vandaar onder meer dat hij na afloop van de burgeroorlog vlak bij de plek waar Filips II en de andere Spaanse koningen begraven liggen door politieke gevangenen een enorm mausoleum liet bouwen, zogenaamd ter nagedachtenis aan alle gevallenen van de burgeroorlog, maar in feite ter meerdere glorie van hemzelf en de zijnen. In het hart van dat mausoleum ligt hij ook begraven, pal tegenover de tijdens de burgeroorlog geëxecuteerde voorman van de fascisten. De symboliek druipt eraf: Franco zou Spanje’s grootste tijd, die van Filips II, voortgezet hebben.

In 1975 stierf de man en liet een land achter dat ondertussen al behoorlijk gemoderniseerd was en niets liever wilde dan een eind maken aan eeuwen van politieke en culturele isolatie. Het verlangen naar een nieuwe toekomst was zelfs zo groot dat het geschiedenisboek nadrukkelijk en met instemming van zo goed als allen dichtgeslagen werd. Vandaar dat de franquistische geschiedschrijving op de rommelmarkt belandde en het internationale (lees: Engels­talige) beeld van de burgeroorlog binnen enkele jaren volstrekt dominant werd, ook binnen de Spaanse landsgrenzen. Grote vrede en een zonnige toekomst lagen in het verschiet. Zo leek het.

Een van degenen die te midden van de nieuwe pax hispanica een plek veroverde was Paul Preston, kind van de generatie die volwassen werd toen Europa op z’n kop stond en het Franco-regime meer dan ooit als een anachronisme werd gezien – en dat ook was. Naar eigen zeggen opgevoed in een omgeving die geobsedeerd was door de Tweede Wereld­oorlog studeerde hij begin jaren zestig eerst aan de Universiteit van Oxford, vervolgens aan die van Reading en liep colleges bij achtereenvolgens een andere grand old man van het Engels hispanisme, Raymond Carr, en de al genoemde Hugh Thomas. Beiden droegen ertoe bij dat Preston (zoals zo velen) de Spaanse burgeroorlog als een synthese van het vooroorlogse drama begon te beschouwen. Eenmaal hiervan overtuigd leerde hij zichzelf Spaans en vertrok naar Spanje. Dat gebeurde in 1969, nog onder Franco dus. Gedurende een jaar of vier woonde en studeerde Preston in Málaga, Barcelona en Madrid, kreeg vrienden in kringen van antifranquistische studenten en raakte er zo mogelijk nog sterker van overtuigd dat het in Spanje heersende regime bij uitstek het symbool was van een wereld die niet mocht zijn. Eenmaal terug in Engeland en aangesteld aan de Universiteit van Reading begon hij dit ook te onderwijzen en in een lange reeks boeken, met als eerste het genoemde uit 1978, te beschrijven. Inzet en overtuiging bezorgden hem faam en uiteindelijk een prestigieuze academische zetel aan de London School of Economics.

Het laatste product in de lange reeks burgeroorlogpublicaties van Preston is The Spanish Holocaust. Het is in zekere zin de kroon op het werk omdat het zich geheel en al concentreert op wat de auteur al meer dan dertig jaar beweert: dat het Franco-regime door en door slecht en bovendien onnodig wreed was. Wat dit betreft heeft hij, tegenspraak van tegenstanders ten spijt, in ieder geval de statistieken mee. Rechts maakte ongeveer drie keer zo veel slachtoffers als links, circa 150.000 tegenover circa 50.000. Over de precieze aantallen bestaat wel, over de verhouding geen twijfel.

Twijfel is er ook niet over het feit dat die slachtoffers van de zogenoemde witte terreur tot op de dag van gisteren ten onrechte ‘vergeten’ zijn. Het was zoals gezegd: Spanje meende in 1975 zoveel toekomst te hebben dat er voor het verleden geen tijd was. Die tijd kwam pas weer toen de grote veranderingen hadden plaatsgevonden en het land modern en westers was geworden. Toen bleek ook dat er onderweg toch een paar draadjes los waren blijven zitten. In de economische en politieke misère van dit moment maken zij deel uit van een onontwarbare kluwen.

Met The Spanish Holocaust trekt Preston hard aan een aantal draden uit die kluwen. Hij doet dit door honderden verhalen van wreed­heden en slachtoffers te vertellen: het boek is een aaneenschakeling van ellende, detail na detail na detail. Daarbij gaat Preston weliswaar niet voorbij aan de misdaden van links, maar hij legt toch bijna alle klemtoon op het optreden van rechts. Vanuit de slachtoffers bezien lijkt me dat volstrekt terecht. De slachtoffers van links zijn ten tijde van Franco wel herdacht. Meer twijfel heb ik over de historiografische c.q. ideologische invalshoek van het werk. Algemeen gezegd: Preston overdrijft, suggereert en moraliseert in plaats van systematisch te onderzoeken en te illustreren. Een voorbeeld hiervan is zijn gebruik van het begrip holocaust. Daarover zijn terecht al heel wat critici gevallen. Het impliceert een ontoelaatbare ‘germanisering’ van de Spaanse zaak.

Een ander, veel kleiner maar vermoedelijk veelzeggender voorbeeld is te vinden in het anekdotische verhaal waarmee hij zijn boek zowel begint als eindigt. Het gaat, niet toevallig denk ik, over een zoveelste telg uit het Alva-geslacht. Op de dag dat de burgeroorlog begon, schoot hij in koelen bloede zes van zijn (land)arbeiders dood (de bron waarop Preston dit baseert is overigens dubieus). Hun dood moest de anderen een lesje zijn. Aan het eind van zijn leven werd de man waanzinnig en vermoordde zijn twee zoons. Preston zegt niet waarom hij hieraan zoveel aandacht besteedt, maar de bedoeling is onmiskenbaar: Franco’s aanhangers waren stuk voor stuk brute idioten. Het is een suggestie waarmee velen moeite zullen hebben, ook ik en dat zowel om persoonlijke als om professionele redenen. Ik ken(de) velen die Franco steunden. De bruten en idioten onder hen zijn op een minimaal aantal vingers te tellen. En de historische wetenschap heeft me geleerd dat het leven zo simpel nooit is. Zo zijn alleen beelden.