Dit artikel is onderdeel van Het Groene Lab.

Het Groene Lab is de kweekvijver van De Groene en publiceert verhalen en essays van jong talent. Iets insturen? Mail ons via lab@groene.nl.

Geroyeerd door de Illuminati

Waarom geloven mensen in complotten? Klopt het dat wanneer mensen stoppen met geloven in God ze niet niets gaan geloven, maar alles? De Britse schrijver H.G. Wells formuleerde bijna een eeuw geleden een antwoord op die vraag in zijn roman Men Like Gods.

Pornoster Abella Danger, Wu-Tang Clan-rapper RZA, complotdenker David Icke en zangeres Erykah Badu vormen samen de popgroep Final Solution. Onder leiding van hiphopmastodont Jay-Z, die nauwe banden onderhoudt met de Illuminati, moeten zij de wereld redden dan wel vernietigen. Dat is althans het uitgangspunt van de recent verschenen novelle Paarden voor iedereen (2020) van schrijver en filmregisseur Kevin Boitelle en de Amsterdamse rapper, ondernemer en punkzanger Abel van Gijlswijk. De leden van de popgroep lopen niet voor hun verantwoordelijkheden weg. De opdrachten van Jay-Z worden gehoorzaam ten uitvoer gebracht. Slechts eenmaal trekt iemand diens goede bedoelingen in twijfel: ‘Wat nou als Jay-Z en zijn surrogaatfamilie echt babylijkjes eten als kebab en wij nu zonder consent worden ingezet als marionetten in een dimensie-wijd complot om jeugdcultuur te verneuken voor de eeuwigheid?’

De novelle leest als een persiflage van de complotdenker, een figuur die een steeds prominentere plaats in het publieke debat inneemt. De complotdenker laat zich niet eenvoudig persifleren: diens denkbeelden zijn doorgaans dermate fabuleus dat het lastig is om ze te overdrijven of in het absurde te trekken. Boitelle en Van Gijlswijk bedienen zich daarom van het bekende verhaal: satanistische pedofielen zijn bedeeld met de ‘sleutel des levens’ en hun wereldheerschappij wordt ondersteund door figuren als Greta Thunberg en Mark Zuckerberg. Die laatste wordt in de novelle overigens bijna geroyeerd door de Illuminati, omdat hij Sylvie Meis in een dronken toestand heeft lastiggevallen.

H.G. Wells’ Men Like Gods in paperback

Boitelle en Van Gijlswijk beschrijven de dagelijkse praktijk van het satanistische en kinderminnende conglomeraat. Hierbij schuwen de auteurs het absurde niet, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het Sylvie Meis-incident, maar dat absurdisme bereikt zijn hoogtepunten op de momenten waarop Paarden voor iedereen verhaalt over het uit de realiteit gegrepen Illuminati-complot. Daardoor treedt de vraag die doorgaans met berichtgeving over complotdenken gepaard gaat nadrukkelijk naar de voorgrond: Waarom geloven mensen in complotten? Hoe kan het dat deze uitspraak, toegeschreven aan de Britse auteur G.K. Chesterton, bewaarheid wordt: ‘When people stop believing in God, they don’t believe in nothing – they believe in anything’?

De Britse schrijver H.G. Wells formuleerde bijna een eeuw geleden een antwoord op die vraag in zijn roman Men Like Gods (1923). Het boek dateert uit een tijd van vertwijfeling. Nietzsche had God doodverklaard en voor het gemak ook medegedeeld dat feiten niet bestaan maar dat er slechts interpretaties zijn; een wereldoorlog had de samenleving ontwricht en een economische crisis had het vertrouwen in het liberalisme aan het wankelen gebracht. Verander de wereldoorlog in een pandemie en de parallellen met onze tijd tekenen zich duidelijk af (in die zin is de wensdroom over eenentwintigste-eeuwse roaring twenties, waar de media gretig op vooruitlopen, wellicht meer dan ijdele hoop).

In Men Like Gods belandt de goedmoedige journalist ‘Mr. Barnstaple’ per abuis in een parallel universum. Hij treft daar een Aarde-on-steroids aan, die qua ontwikkeling 3000 jaar voorloopt op de wereld van Wells en zijn tijdgenoten. Niet voor niets heet deze geoptimaliseerde wereld Utopia. De geschiedenis van Utopia volgt hetzelfde patroon als de geschiedenis op Aarde – inclusief de geboorte van een figuur als Jezus Christus, hoewel die op Utopia niet aan het kruis stierf maar op een ‘slowly turning wheel’ – maar op Utopia hebben religie en politiek de tand des tijds niet doorstaan. In plaats van kerken en overheden heerst een vredige en sociale anarchie, die is gestoeld op de Five Principles of Liberty.

Het eerste principe is het Principle of Privacy, dat bepaalt dat persoonlijke gegevens niet publiek zijn en dat instituten daar discreet mee moeten omgaan. Het tweede principe is het Principle of Free Movement: iedereen is vrij om te gaan en te staan waar hij wil en openbaar vervoer is gratis. Dan volgt het Principle of Unlimited Knowledge. Alle kennis die op Utopia voorhanden is, met uitzondering van de persoonlijke details die worden beschermd door het eerste principe, moeten voor iedereen eenvoudig toegankelijk zijn. Daaruit volgt ook het vierde principe: Lying Is the Blackest Crime. ‘Where there are lies there cannot be freedom,’ verklaart een bewoner van Utopia aan Mr. Barnstaple. Het vijfde principe borduurt daarop voort: Free Discussion and Criticism. Bewoners van Utopia mogen alles zeggen en bekritiseren, hoe respectloos of ongenuanceerd ook, onder de voorwaarde dat hun opmerkingen gevrijwaard blijven van leugens. Mr. Barnstaple hoort van een Utopian hoe groot het belang van deze principes is: ‘Every young Utopian had to learn the Five Principles of Liberty, without which civilization is impossible.’

Zoals historicus Peter Watson opmerkt in zijn boek The Age of Nothing (2014) ligt aan deze principes een verborgen zesde principe ten grondslag: een onwankelbaar vertrouwen in de wetenschap. De wetenschap staat in de samenleving van Utopia op het hoogste voetstuk. Een Utopia-bewoner stelt dan ook: ‘Our education is our government.’ Aan de periode uit de geschiedenis van Utopia waarin het vertrouwen in de wetenschap nog wankelde – de periode die correspondeert met de twintigste eeuw op Aarde en voor de Utopians 3000 jaar in het verleden ligt – refereren de bewoners van Utopia als ‘Days of Confusion’. Deze dagen van verwarring kenmerkten zich door grote welvaartsverschillen, politieke conflicten, overbevolking en natuurrampen waar door beleidsmakers desastreus op werd gereageerd.

De kenmerken van de Days of Confusion kunnen niet alleen aan de twintigste maar ook aan de eenentwintigste eeuw worden toegeschreven. De vraag is waardoor deze problemen worden veroorzaakt. In het hoofdstuk The Governance and History of Utopia geeft Wells het antwoord: een onverschillige, wantrouwende houding jegens de wetenschap, die niet in de laatste plaats het resultaat is van het feit dat mensen wetenschappelijke kennis vooral aanwenden om wapens en milieuvervuilende producten te produceren. Pas toen de Utopians deze wantrouwende houding bijstelden – zij het na een enorme wereldoorlog en grote hongersnoden – werd de ‘scientific state’ van Utopia gerealiseerd, waarin de bewoners al duizenden jaren vredig samenleven en waar hongersnoden en armoede tot het verleden behoren.

Stellen dat een gebrekkig vertrouwen in de wetenschap de belangrijkste oorzaak is van al het eenentwintigste-eeuwse malheur op Aarde is een absurde claim. Maar het wantrouwen in de wetenschap lijkt mij wel een belangrijke aanjager van het hedendaagse complotdenken.

Wie het satanisme en de pedofielen wegdenkt uit de samenzweringstheorieën die Boitelle en Van Gijlswijk beschrijven, houdt immers een wereldbeeld over dat is gestoeld op onverschilligheid en argwaan jegens wetenschappelijke inzichten: de zorgen over klimaatverandering zijn overdreven en vaccins deugen niet. In zijn boek Leugen & waarheid (2021) laat Bas Heijne de Amerikaanse schrijver en klimaatactivist Mark Lynas aan het woord, die het verband tussen wantrouwen jegens de wetenschap en het complotdenken duidt: ‘Als je kunt geloven dat de Amerikaanse democraten een pedofielennetwerk vanuit een pizzeria runnen, dan heb je er vast ook geen moeite mee te denken dat wetenschappers samenspannen om de statistieken te vervalsen.’ Maar is het niet andersom? Als je kunt geloven dat wetenschappers valse informatie de wereld in helpen, dan ben je wellicht ook bereid om iedereen die zich op die informatie baseert (lees: de politieke elite) te wantrouwen.

Dit zou de grote populariteit van Trump verklaren, die zich expliciet tegen de wetenschap keerde en actief beleid heeft gevoerd dat indruiste tegen de wetenschappelijke consensus. En hier ligt tevens een verklaring voor het feit dat het complotdenken een vlucht heeft genomen tijdens de uitbraak van de corona-pandemie, nu beleidsmakers zich nadrukkelijker baseren op de wetenschap.

In Men Like Gods toont Wells zich bewust van deze samenhang. In het tweede deel van de roman, getiteld Quarantine Crag, breekt een epidemie uit op Utopia, als gevolg van een virus dat Mr. Barnstaple en een aantal andere aardbewoners die toevallig op de nieuwe planeet terecht zijn gekomen, bij zich droegen. De aardbewoners worden door Utopians met glazen helmen in quarantaine geplaatst in een woestijn. Dit bevalt de aardbewoners – waaronder ene Rupert Catskill, die Winston Churchill vertegenwoordigt – niet. Zij zetten vraagtekens bij de stand van de wetenschap op Utopia, die de quarantaine voorschrijft. Een aardbewoner verklaart: ‘I may say at once that I am a confirmed anti-vaccinationist.’ Mr. Barnstaple ziet met lede ogen aan hoe zijn mede-aardbewoners in quarantaine een plan smeden om Utopia met geweld te veroveren. Wanneer de Utopians dit ontdekken, worden zij allemaal veroordeeld tot een intergalactische reis terug naar Aarde, met alle risico’s van dien.

De parallel met de corona-pandemie is helder en het punt van Wells is duidelijk: wantrouwen jegens de wetenschap ontwricht de samenleving en komt met een prijs. De wereld zoals die er in de jaren twintig van de vorige eeuw voorstond, had nog een lange weg te gaan voordat die de idyllische trekken zou vertonen die Mr. Barnstaple aantrof op Utopia. Volgens Wells voert een socialistisch, links beleid naar die weg; op Utopia is zelfs het privébezit afgeschaft. Wells stelt dat aan socialisme en wetenschap hetzelfde fundamentele idee ten grondslag ligt, namelijk het idee dat het lot (‘chance’) en de individuele wil niet de enige krachten zijn die de wereld kunnen aandrijven. ‘In the spirit of this believe, science aims at systematic knowledge of material things’, verklaart Wells in een interview, ‘the socialist has just the same faith in the order, the knowableness of things, and the power of men in co-operation to overcome chance.’ Omdat aan socialisme en wetenschap eenzelfde wereldbeeld ten grondslag ligt, redeneert Wells, kan de wetenschap onder het socialisme floreren.

Toch is het twijfelachtig of deze analogie vandaag de dag nog opgaat. Hoewel klimaatontkenners zich doorgaans aan de rechterkant van het politieke spectrum bevinden – om deze claim te onderbouwen volstaat een blik op de verkiezingsprogramma’s van de afgelopen verkiezingen – wijst Mark Lynas in Leugen & waarheid op de wetenschappelijke scepsis van links. Hij haalt bijvoorbeeld de huiver aan voor genetisch gemodificeerde gewassen en nucleaire energie. Dat deze kritiek doorgaans berust op ethische en idealistische gronden, laat onverlet dat ook op links wordt gemarchandeerd met de waardes van wetenschappelijke inzichten, afhankelijk van de onderwerpen waar die inzichten betrekking op hebben. Dergelijk gelegenheidswantrouwen jegens de wetenschap doet afbreuk aan het algemene vertrouwen in de politiek. Wie de wetenschap behandelt als een gebaksvitrine waaruit selectief gekozen kan worden, moet niet raar opkijken als mensen die vitrine op een gegeven moment omver duwen, zoals complotdenkers dat proberen. Hier treft de gebaksvitrine (de wetenschap) echter geen blaam, maar de zoetekauw (de politiek). Diens benadering van de wetenschap als een à-la-carte-restaurant voedt het complotdenken.

In die geest laat Wells’ roman zich lezen als een aanklacht tegen het politieke establishment als geheel, ondanks (of dankzij) zijn vertrouwen in het socialisme. Als Mr. Barnstaple zich voorbereidt op zijn vertrek uit Utopia, mijmerend over de ideale omstandigheden aldaar, die schril afsteken bij de situatie op Aarde, komt hij tot een inzicht. In zijn lichaam en ziel heeft een revolutionaire geest postgevat, waaraan hij het restant van zijn leven zal wijden: *‘The Great Revolution that is afoot on Earth; that marches and will never desist nor rest again until old Earth is one city and Utopia set up therein.’ *

Revolutie dus. Dat is wat Wells voor ogen had. Een revolutie waarvan alle eerdere conflicten en revoluties slechts een proloog waren, schrijft hij zelfs. In een interview verklaart Wells later dat Men Like Gods voortkwam uit het afgrijzen dat hij voelde voor de zelfdestructieve wereld – ‘a world engaged in destroying itself’ – waarin hij zich bevond, een tendens die hij wilde keren. Een eeuw later bestaat dit sentiment nog steeds. Hierin schuilt de verwantschap tussen het werk van Wells en de novelle van Boitelle en Van Gijlswijk. Paarden voor iedereen roept niet slechts op tot revolutie, het beschrijft die revolutie ook. Als de popgroep Final Solution voor een uitzinnige menigte staat op het Californische muziekfestival Coachella, betreedt Jay-Z het podium. Hij zweept het publiek op tegen de ‘oude witte mannen’ die zich backstage bevinden, en roept: ‘Sta op en verpulver deze Illuminati-zwijnen!’ Vervolgens neemt de menigte deze woorden ter harte. De wereld kan het voortaan zonder ‘Illuminati en hun saaie gezeik over orde en regelmaat’ stellen.

In mijn lezing van de novelle functioneert de Illuminati als een metafoor voor het politieke establishment, waar de auteurs in navolging van Wells maar weinig vertrouwen in hebben. Het is een intelligente synergie van feit en fictie, waarbij Boitelle en Van Gijlswijk de draak steken met de complotdenker en zich tegelijkertijd van diens gedachtegoed bedienen om een politiek statement te maken. Wie aan dat statement twijfelt, hoeft maar te luisteren naar Van Gijlswijks werk als zanger van punkgroep Hang Youth. In korte nummers van soms minder dan een minuut doet hij zijn beklag over het politieke discours. De titels van de nummers spreken voor zich: IK GEEF EEN NIER VOOR GEEN RUTTE IV, TWEE KAMERS EN NIET 1 GOED IDEE, NIKS TOF AAN STIKSTOF. Aan 3voor12 vertelt Van Gijlswijk dat mensen zijn vergeten dat je een statement kunt maken in de kunst: ‘Mensen zeggen: punk is dood. Maar ze zijn zelf dood in hun hoofd… Iedereen is gepamperd door de neoliberale verzorgingsstaat die al lang geen verzorgingsstaat meer is, omdat je in je kont wordt genaaid.’

Het is de stem van een jonge generatie die zich, net als Wells een eeuw geleden, geconfronteerd ziet met een zelfdestructieve wereld. Een stem die wordt ingegeven door dezelfde impuls die de complotdenker voedt: de nonchalante omgang van de politiek met de wetenschap. In die zin lijkt mij dat de punk van Hang Youth niet hard genoeg kan klinken. Wellicht houdt het aspirant-complotdenkers bij de les. Ook het lezen van Paarden voor iedereen lijkt mij een werkzame remedie, maar als de literatuur zich oorverdovend aan de mensen kon opdringen dan was de punk nooit uitgevonden.

Wat de hervormingen die Van Gijlswijk en de zijnen nastreven betreft: Wells’ Five Principles of Liberty lijken een goed uitgangspunt. Het recht op privacy en bewegingsvrijheid zijn inmiddels tot op zekere hoogte aanvaard, maar het uitgangspunt dat liegen ‘the blackest crime’ is heeft nog niet in de samenleving postgevat. Dat zou bijdragen aan de rehabilitatie van de wetenschap en voorts wellicht aan de rehabilitatie van de politiek. Die les volgt uit Wells’ Men Like Gods, ook indien de lezer diens socialistische dogma’s verwerpt. En uit die les moeten wij lering trekken. Misschien dat de wereld dan op een dag trekken van Utopia begint te vertonen, zonder complotdenkers of noodzakelijke inmenging van Jay-Z, die de Illuminati dan wel het politieke establishment omverwerpt. Maar in geval van hardleersheid schetst Wells een grauwe toekomst: ‘So they must sit among their weeds and excrement, scratching and nodding sagely at one another, hoping for a good dog-fight and to gloat upon pain and effort they do not share, sure that mankind stank, stinks and must always stink, that stinking is very pleasant indeed, and that there is nothing new under the sun…