Gerrit Kouwenaar, 9 augustus 1923 – 4 september 2014

Gerrit Kouwenaar verafschuwde romantisch pathos. Hij was de nuchterste en de meest stoïcijnse onder de Nederlandse dichters, wiens werk soms een indrukwekkende ontdramatisering van het bestaan is.

Gerrit Kouwenaar behoorde tot de Vijftigers, daar kan geen twijfel over bestaan. Maar in latere verzamelbundels – Gedichten 1948-1978 en vooral Vallende stilte (2008), een naar eigen zeggen definitieve keuze uit eigen werk – zijn de sporen van die vroegste poëzie nagenoeg uitgewist. Met de explosie van euforische spontaniteit, met het overdadige woordgebruik, de buitensporige syntaxis en het maatschappelijke engagement van Lucebert en consorten kon hij als dichter al gauw niet meer uit de voeten.

Mede onder invloed van Wallace Stevens kwam hij tot een autonomistische, apolitieke, bijna minimalistische poëzieopvatting, die niet alleen zíjn onverwisselbare kenmerk zou worden maar ook een hele generatie jongere dichters zou beïnvloeden. Verder dan Kouwenaar had geen Nederlandse dichter zich ooit verwijderd van het romantische dichterschap – afgezien misschien van Paul van Ostaijen, uit wiens Verzameld werk hij en zijn twee jaar oudere broer David elkaar als jongens al vaak hartelijk lachend voorlazen. Hij werd de dichter-constructeur, poëzie schrijven had niets meer te maken met het uitstorten van gevoelens maar was een kwestie van ‘maken’ en eindeloos schaven.

Het was nogal vreemd maar ook veelzeggend, dacht ik, dat hij in Le poète y. sur son lit de mort (gebaseerd op een foto van de dode Russische dichter Yesenin op een sofa in een hotelkamer in Leningrad) in de betrekkelijk beroemd geworden regels ‘Van alle maken is doodmaken/ wel het volmaaktste’ uitgerekend in het woord ‘volmaaktste’ een ‘fout’ had gemaakt. In de bundel landschappen en andere gebeurtenissen (1974), waarin die reeks zijn debuut maakte, staat ‘volmaakste’, dus zonder t. Ik schreef een essay met die zin – zonder t – als titel, volmaaktheid had voor mij onwelkome associaties, Kouwenaars relativering op die cruciale plek was mij dus zeer welkom. Later bleek de wens de vader van de gedachte: het bleek wel degelijk om een drukfout te gaan, die in latere versies werd gecorrigeerd. De dichter wilde het volmaakte in de – logisch onmogelijke – overtreffende trap.

Voor Kouwenaar geldt dat ‘het enerverende tikken van een verfijnd mechaniek (hem) uiteindelijk meer boeit dan een ontploffing’. Dat is een treffende zelftypering. Ze verwijst naar een klok, horloge of uurwerk – in zijn werk prominent aanwezig – zelfs naar een tijdbom, en zodoende ook naar het leven dat altijd, en steeds meer, wordt overschaduwd door het besef van tijdelijkheid en dood. Maar de ‘ontploffing’ kan ook verwijzen naar een gemoedsgesteldheid, in en buiten het vers, en staat dan voor een romantisch of sentimenteel pathos dat Kouwenaar verafschuwt. Hij is de nuchterste en de meest stoïcijnse onder de Nederlandse dichters. Zijn beste werk wordt gekenmerkt door een indrukwekkende ontdramatisering van het bestaan. Gevoelens komen er wel aan te pas, maar uitsluitend in ‘dood gemaakte’ vorm en verweven met elementaire, fysieke handelingen als ‘kijken’, ‘ademen’, ‘luisteren’, ‘eten’, ‘drinken’.

Gevoelens zijn er alleen in ‘dood gemaakte’ vorm

Kouwenaar (geboren in de Palestrinastraat, Amsterdam) wist al vroeg dat hij ook iets ‘in de kunst’ wilde. In een drietal lange gesprekken die Bart van der Straeten en ik in 2008 met de broers Kouwenaar hadden (zie Ons Erfdeel 2008/4, nu ook te lezen op het blog van Ons Erfdeel) vertelden zij dat ze letterlijk spelenderwijs met kunst in aanraking kwamen. Hun ook al kunstminnende ouders hadden een zomerhuisje laten bouwen in Bergen, waar zij vanaf 1927 elke vakantie naartoe gingen. Daar raakten ze onder anderen bevriend met de broertjes Ten Holt, Friso, de latere schilder, en Simeon, de latere componist. Gerrit zou misschien liever schilder zijn geworden, maar dat deed David al; een ontroerend gedicht over zijn broer eindigt met de regel ‘soms zou men willen dat men schilder was –’. En muziek, pianoles nemen, vond hij te ingewikkeld. ‘Dus dan maar schrijven.’ Zijn debuut: een bundeltje gedichten voor zijn 65-jarige vader dat hij in 1941 zelf had laten drukken.

In 1942 moest hun huisje in Bergen wijken voor de bouw van de Atlantikwall. Later, in Amsterdam, werden beide broers gearresteerd. David werd weer snel vrijgelaten, Gerrit, die ‘een paar onschuldige gedichten had bijgedragen aan het Utrechtse studentenblaadje Lichting’, pas na ruim zes benauwde maanden. Na de oorlog werd Gerrit korte tijd kunstredacteur bij De Waarheid, de voormalige verzetskrant. Toen daar een kille communistische wind ging waaien hield hij het voor gezien. Hij ging romans schrijven, bij nader inzien toch niet zijn genre, en – er moest brood op de plank – toneelwerk vertalen: Brecht, Osborne, Pinter, Sartre. De schilders van Cobra en zijn latere dichtervrienden openden hem de ogen: ‘Er brak een nieuwe tijd aan, en die had een nieuwe kunst nodig.’

Van het aanvankelijke engagement is, zoals gezegd, in het latere werk niets meer te merken. Die poëzie vertoont vooral veel wit, is kaal en onpersoonlijk. Kouwenaar wilde het zo, dichters hadden geen bevoorrechte kijk op de wereld, het moest zo universeel mogelijk. Vandaar het bijna exclusieve gebruik van ‘men’ waar je ‘ik’ zou verwachten. Maar in de bundel totaal witte kamer (2003), over de dichter die onthand achterblijft na de dood van zijn vrouw, drong zich toch automatisch de ik-vorm op, net als in een drietal gedichten in de kleine prachtbundel een glas om te breken (1998). Een daarvan, toen wij nog jong waren, is een afscheidsgedicht voor Bert Schierbeek, die hij incognito laat zeggen: ‘ik ben een reisgids kinderen/ leer mij lezen’. Met Lucebert en Claus is Kouwenaar de belangrijkste dichter van zijn generatie, niet zozeer een reisgids als wel een sobere taalkunstenaar die zijn lezers vertraagd, precies en meerduidig leert lezen, en als zodanig tevens een inspirerend voorbeeld voor latere grootheden als Hans Faverey, H.C. ten Berge en talloze anderen.


Beeld: 1971 (Jutka Rona / MAI / HH).