Gerrit Krol 1934-2013

Gerrit Krol was een unieke aanwezigheid in de Nederlandse literatuur. Lenig, baldadig, lucide, humoristisch. Op zoek naar de waarde van de mens.

Medium opening krol

Als ik denk aan het werk van Gerrit Krol, die op 24 november op 79-jarige leeftijd overleed, komt mij altijd dit beeld voor ogen: een man zit in zijn kantoor achterover in een stoel met zijn voeten op het bureau, ‘potlood tussen de toppen van zijn wijsvingers’, en op dat bureau zit, ‘met één dij’, een collega die op hem inpraat, of naar hem luistert, of hij zit daar alleen en staart uit het raam, waar, het is in de jaren zestig, een nieuwe stadswijk wordt aangelegd, of liever nog, hij geniet van de onverbiddelijke schoonheid van in rijen geplaatste olietanks die glanzen in de zon, of nog mooier, een industriële opstal die hij mede heeft ontworpen – en hij ‘geeft bijna over van geluk’.

Die man lijkt veel op zijn schepper, die als computerdeskundige, systeemanalist, automatiseerder, zijn hele leven heeft gewerkt bij Shell, ‘de Koninklijke’, en later bij de nam. Als iedere schrijver plaatst Krol zijn boeken in de werkelijkheid die hij het best kent – de kantoren van Shell in Amsterdam en Den Haag, olievelden in Venezuela en Nigeria, later in Groningen – om die werkelijkheid vervolgens ter discussie te stellen en vooral: zijn plaats daarin te onderzoeken, zijn plaats in een systeem, een groep, in het leger: ‘Als we exerceren voel ik me gelukkig. Mee te lopen in een korte gedrongen groep die, rechts uit de flank of linksom, de bevelen uitvoert van de man die honderd meter verder staat. (…) De vreugde dat ons bestaan dan volledig klopt.’ Want daar gaat het om: dat alles klopt, ‘dat het past’. ‘Als je niet bij een geheel hoort, ben je niets.’

Iets preciezer gezegd gaat het de personages van Krol om de functie die ze hebben in een systeem. In dienst van de ‘Koninklijke’ (1974) begint zo: ‘Voor u begint te lezen doet u er goed aan, te bedenken dat dit boek geen roman is, ook al lijkt het erop. Het is in zoverre een autobiografie dat het over mezelf gaat; edoch, het is niet mijn leven dat ik erin beschrijf, maar mijn functie. Ik hoop daarmee de functie te hebben beschreven van een groot aantal andere mensen./ Dat is de functie van dit boek.’

Functie: ‘Het geld dat je in je functie verdient (de waarde die je vertegenwoordigt), verdien je op grond van wat je voorgangers van die functie hebben gemaakt; ook als ze er níets van hebben gemaakt.’ ‘Als twee functies elkaar de verantwoordelijkheid voor een bepaalde taak betwisten, komt dat omdat deze taak de eigenschap heeft zich te vormen naar de functie die haar vervult.’ Tegen zo’n collega die op zijn bureau zit: ‘Wat ik hem, als hij geluisterd had, had willen vertellen was dat mijn functie mij, in de wereld, een bepaalde waarde geeft, zoals het iemand waarde geeft dat hij lekker kan koken, of goed is in bed.’ Let in de laatste zin op de typerende wijze waarop Krol gebruik maakt van de komma. Daarmee lijkt hij de stroom van zijn proza af te remmen, maar juist daardoor creëert hij een merkwaardige spanning.

Functie en waarde. In later werk zal Krol op het scherp van de snede zelfs de vraag stellen wat de waarde van een mens is die een moord heeft gepleegd en wat voor plaats hij nog heeft in de samenleving waarvan hij de orde bijna metafysisch heeft verstoord: welke straf is dan op zijn plaats? De doodstraf…?

Terug naar de man achter zijn bureau. Die dat overigens vaak verlaat om het gezelschap van een vrouw te zoeken, een belangrijk thema in dit oeuvre. Over de man en zijn gevoelens, dat konden we al uit de eerste alinea van In dienst van de ‘Koninklijke’ opmaken, zullen we niet veel te weten komen, een psychologische roman hoeven we bij Gerrit Krol niet te verwachten. Tenzij het, in De man achter het raam (1982), over een computer gaat die op weg is mens te worden, die moet natuurlijk ook leren wat gevoelens zijn. De Krol-man is een zogenaamde ‘harde’ en als alle harde mannen heeft hij een zachte binnenkant en schaamt hij zich ervoor die naar buiten te brengen.

In Het gemillimeterde hoofd: Schrijven met sommen (1967), de eerste échte Krol, een roman vol meetkundige figuren en wiskundige formules, is de ‘toestand die men schaamte noemt’ weergegeven in een viertal diagrammen. Tegenwoordig noemen we zo iemand een ‘nerd’. Zo iemand vergelijkt zich graag met, bijvoorbeeld, een diode, aangezien een diode ‘de stroom tegenhoudt omdat er stroom op staat. Zonder stroom doet hij niets.’ Een weerspannig beeld dat, als altijd bij Krol, de lezer zelf maar moet toepassen.

De Krol-man is een zogenaamde ‘harde’ en als alle harde mannen heeft hij een zachte binnenkant en schaamt hij zich ervoor die naar buiten te brengen

Natuurlijk wordt juist zo’n man als een magneet aangetrokken door ‘het zachte’, c.q. de vrouw. ‘Wat is de beste vrouw voor mij?’ Dit vraagt hij zich af als hij zich een keer verveelt, ‘en het leek mij toe dat het een verschil uitmaakt of je zegt “wat” dan wel “wie”’. DE vrouw dus, als genus, aan de oppervlakte betoverend verleidelijk, daaronder raadselachtig in haar diepte – als die al bestaat, koffiemeisjes immers, fotomodellen, winkelpersoneel, met namen als Annie, Debby en Marie.

In de praktijk zijn zulke mannen echter razendsnel verliefd, zeker als de vrouw het initiatief neemt: ‘Een kleine aansporing van haar kant is al voldoende om mij dagenlang over te laten lopen van liefde…’ Dat kan ook de vrouw van een ander zijn, overspel is een veel voorkomend thema. Maar als man en vrouw eenmaal bij elkaar zijn keert de oude eenzelvigheid weer terug: ‘Regina: “Denk je wel eens aan mij?”/ Ik dacht na, het was heel lang stil tussen ons. Ik kon niets verzinnen.’ Een vraag van Ria: ‘Wat zou je doen als ik er plotseling niet meer was. Zou je opnieuw trouwen?’ ‘O zeker. Het bevalt me best.’

Ze zijn in eerste instantie object van seksuele begeerte, die vrouwen, uitvergroot in het pornomodel Margaret Middleton met haar enorme borsten, van wie een paar foto’s zijn afgedrukt in De ziekte van Middleton (1969). En ja, ze worden wel eens vergeleken met een etalagepop, een kakelende kip of een lege jampot, maar ze hebben ook een andere functie: ‘als ze maar luisteren. Omdat ze weet dat een man, in de armen van een vrouw en zacht, zich zal openen en mededeling doen van de opdracht die hij zich in het leven gesteld heeft. Als er maar een vrouw is die luistert.’ Als het erop aankomt kan hij niet zonder zijn Ria of Marie. Of Yvonne, uit Een Fries huilt niet (1980), misschien wel Krols mooiste roman, even geestig als melancholiek en zelfs ontroerend. De hoofdfiguur uit dat boek, Robert Roffel, zegt, als ze op de Lijnbaan lopen: ‘Haar hand, aan mijn arm gehouden, bevestigt mijn bestaan.’ En natuurlijk lachen zij hun mannetje keihard uit of lopen gewoon weg als hij weer eens staat te oreren, als in een film van Woody Allen: ‘Ze had gelijk. Ik studeer eigenlijk liever niet. Studeren, legde ik uit, doe ik op mijn werk. Door te werken studeer ik, zei ik, terwijl ik achter haar aan liep naar de keuken.’

Een roman van Gerrit Krol bestaat over het algemeen uit een rudimentair verhaal dat doorspekt is met essayistische overwegingen, die, door een indrukwekkend aantal witregels van elkaar gescheiden, lang niet altijd de indruk wekken dat ze iets met het verhaal of met elkaar te maken hebben – lastige kost voor de lezer, al vermoedt hij wel dat alles cirkelt om een onzichtbare kern, zoals dat in een gedicht het geval is en Krol heeft wel beweerd dat zijn romans in die zin als poëzie moeten worden beschouwd.

Ook buiten de romans heeft Krol de essayistiek uitgebreid beoefend, ongeveer een kwart van zijn oeuvre bestaat uit verzamelingen essays en columns, die niet zelden handelen over het schrijven zelf. Een essayist beoefent geen wetenschap maar op zijn eigen wijze is hij wel degelijk op zoek naar waarheid – zou je zeggen. Eigenaardig is dan wat Krol daar, in De tv.-bh. (1979), zelf over zegt: ‘Een aantal stukjes in dit boek heeft de pretentie u te amuseren met stellingen. Stellingen die, hoe stellig ook van toon, waarschijnlijk niet waar zijn, maar wel aantrekkelijk. Zulke stukjes noem je essays.’

Dit is precies wat er in Krols essays gebeurt. Allereerst de stellige toon. Krol poneert. Modaliteiten als ‘waarschijnlijk’, ‘misschien’, ‘naar mijn mening’ zul je niet aantreffen. De zinnen zijn met hamerslagen aan elkaar gekoppeld: vandaar dat we…; dat komt omdat…; denk aan…; zoals we hebben gezien… Krol mag zich ook graag met het woordje ‘wij’ in geleerd gezelschap plaatsen: ‘wat wij in de logica de wet van de transiviteit noemen’. Of hij plaatst zich in de buurt van ‘de onvergetelijke Nietzsche’, en van een eigen roman zegt hij: ‘De Tractatus gaat over hetzelfde.’ Wittgenstein dus.

Ten tweede de opmerking dat zijn stellingen ‘waarschijnlijk niet waar zijn, maar wel aantrekkelijk’. Dat klopt. Krols essays leiden vaak tot pittige uitspraken, maar even vaak krabt de lezer zich achter het oor. Echter, genieten doet hij wel! Dat komt door de verrukkelijke, onverbiddelijke stijl die maakt dat wat er staat, tijdens het lezen, in ieder geval als geloofwaardig overkomt. Er wordt iets geordend, de chaos wordt, tijdelijk, bezworen, en is dat niet wat alle kunst, dus ook de literatuur, doet? En nog iets: ‘de rillende sensatie van schoonheid: het past’. Uiteindelijk zegt Krol het zo, in De mechanica van het liegen (1995): ‘Je wilt niet zozeer waarheden in pacht hebben. Je wilt erdoor worden verrast en ánderen verrassen – dat zijn de echte waarheden.’

Gerrit Krol was niet alleen een van onze grootste schrijvers, hij was ook een unieke aanwezigheid in onze literatuur, een aanwezigheid die je zou kunnen omschrijven met de esthetica van het liegen. Dat geldt voor alle literatuur, maar zelden werd die zo lenig, zo wendbaar, zo baldadig, zo lucide en altijd humoristisch beoefend – ‘een dartele geest’.

Beeld: Duncan Wijting