Geruststellend bedrog

Literatuur dankt haar bestaan aan de onkenbaarheid van de wereld. We weten niet wie we zijn, het realiteitsgehalte van tijd en ruimte wordt door filosofen en fysici al eeuwen ter discussie gesteld, en tot overmaat van ramp lijkt de taal waarvan we ons dagelijks bedienen nauwelijks toereikend om weer te geven hoe we onze existentie in dit tranendal ervaren.

Medium moors liederen

Heldere denkers proberen orde in de chaos te scheppen door romans, essays of gedichten te schrijven waarin de wereld klopt, in die zin dat de beelden eindelijk eens op elkaar aansluiten, de plots geen losse eindjes vertonen en veronderstelde wetten van oorzaak en gevolg geldig zijn. Dat geeft troost en stelt gerust, maar berust op bedrog. Vandaar dat veel dichters, filosofen en beeldend kunstenaars er, ten minste sinds anderhalve eeuw, voor kiezen het onbegrip te celebreren, de chaos te exploiteren en te demonstreren dat het onbegrijpelijke aanzienlijk interessanter is dan wat we kennen.

Els Moors (1976) bezingt in Liederen van een kapseizend paard, haar tweede bundel, een fundamenteel instabiel universum. Een paard is geen schip en kan niet zingen, maar de wereld gaat er ineens heel anders uitzien zodra je je het dier als dichter voorstelt, of omgekeerd, en bedenkt hoe het zou zijn als ruiter de wereldzeeën te bevaren. Essentieel is de precaire aard van de situatie: er kan ieder moment een storm opsteken of een onvoorziene wisseling van decor plaatsvinden waardoor je gedwongen wordt aan een totaal nieuw perspectief te wennen. Moors schrijft dan ook kantelende verzen, en hoewel zich in de bundel de nodige rottigheid afspeelt, is deze poëzie verre van onherbergzaam. Integendeel, de onvoorspelbaarheid maakt eerder nieuwsgierig dan dat ze verontrust. De dichter heeft zich perfect aangepast aan wat niet klopt.

De alles doordringende incongruentie manifesteert zich met name op het erotische vlak. Al in het eerste gedicht wordt de lezer uitgenodigd het woord ‘kat’ met seksuele connotaties op te tuigen: ‘onderweg naar huis/ waar een kat op me wacht is het broeierig’, dat klinkt nog tamelijk alledaags, maar in de tweede strofe is het raak:

de pijl die ik hartstochtelijk heb toegelaten
de voorwaarde voor mijn niet-aflatende
extase of hoe de zomer hoog
bij me naar binnen glijdt

Dat ligt er dik bovenop, zou zelfs weggezet kunnen worden als kitsch, ware het niet dat het tafereel wordt aangekleed met een avondmaal van lauwe tomaten, sardienen en ‘harde witte eieren/ waarmee ik me de ogen dep’. In de slotstrofe is de kat terug, al wordt ze niet met zoveel woorden genoemd:

benen waarmee ik over het schoteltje melk heen
kan zitten de woorden wijd
en mijn vinger diep

De erotische vervoering blijkt een vorm van inspiratie te zijn, dichtkunst is masturbatie met als doel een diepte te exploreren.
Wat treffen we in die regionen aan? Onderzeeërs bijvoorbeeld, maar ook paarden, honden en vogels. Er wordt geneukt, gereisd, gegeten en gezwommen, we zien steden en zuidelijke landschappen voorbijkomen, een dominante moeder wordt haar plaats gewezen en een politieke vluchteling die Cubaanse sigaren rookt poogt zich in het bekken van een vrouw ‘van de roetzwarte last’ van de wereld wit te wassen, ‘tot hij doorzichtig als een engel van zijde/ over alle grenzen heen is gegleden’.
Maar niets is blijvend, de protagoniste al helemaal niet, die weigert zich te laten vastpinnen. Zelf, zegt ze, ‘woon ik in het noorden van de stad en daarna in het westen/ vertel ik te veel?’ De stad blijkt vervolgens niet echt te bestaan, en het is de vraag hoeveel substantie de spreker heeft:

voor het licht wordt
ben ik verdwenen
maar nu ontmoet je me
als voor het eerst

De onbestendigheid kan beangstigend zijn. Een ‘afgrond nodigt uit tot springen’, maar veiligheid zoeken door zich niet te verroeren blijkt geen werkbaar alternatief te zijn:

ik val steeds van de wereld af
als ik stilsta om zomaar om me heen te kijken
verlies ik neus ogen en glimlach in de ramen
waar ik aan voorbij kom
overdag

Men moet voort, juist omdat alom gevaar loert.
Het gebrek aan houvast doet zich in de allereerste plaats voor op het terrein van de identiteit. Moors’ gedichten zijn metamorfosen die zich onder de ogen van de lezer voltrekken. Vermommingen, zegt een van de sprekers, ‘ik blijf ze aan- en uittrekken/ tot mijn armen ervan kraken’. Deze uitspraak komt uit een gedicht waarin ‘de overzetboten richting lampedusa’ vol zitten en een serveerster elk moment kan worden ‘gespiest door een grote zwarte man’. Europa verandert, en niet ten goede. Het oude continent is een moeder die vaak bewust haar ogen heeft afgewend, ‘de lijken blijven rollen uit haar kast’, en

zij onthoofdt in hetzelfde tempo
waarin wij regenbogen dromen
stikken naaien en laten verpieteren

Hoewel het begrijpelijk is dat de dichter zich wil uitspreken over politieke kwesties als deze, zijn dat niet haar sterkste gedichten. De diepte waarnaar ze in het eerste gedicht zei te tasten, ontbreekt hier enigszins. Een diepe geest, aldus het laatste gedicht, ‘vergt net als een put/ veel scheppen aarde’. In die onderwereld is Els Moors een verrassende gids.

de onklaar gemaakte bron
staat nog altijd waar hij stond
er drijven dode vogels in
met natte veren

en het is al laat

ik praat in een mij vreemde taal tot
mijn lichaam ervan schokt
nooit uitgeput genoeg
om niet nog een keer
over de rand
de diepte in te kijken

de bron is koud
en dood nog steeds

alle vogels drijven
tevergeefs


Els Moors - Liederen van een kapseizend paard. Nieuw Amsterdam/Het Balanseer, 68 blz., € 17,50