Holland Festival: Opera Sunken Garden

Gesamtkunstwerk 3.0

Hoe moet het verder met de opera? Schrijver David Mitchell en componist Michel van der Aa duwen het genre met Sunken Garden een nieuwe richting in. Een technologisch en verteltechnisch waagstuk, maar raakt het ook?

Medium screen shot 2013 06 09 at 8.42.24 am

Soms begint een voorstelling al vóór je de zaal in gaat. In het Barbican Theatre in Londen, waar ik in april, daags na de wereldpremière, de opera Sunken Garden bezoek, delen dames bij de deur 3D-brillen uit. Geen slappe bioscoopprullen, maar stevige Polaroids, in kokers, compleet met poetsdoekjes.

‘Put on the 3D glasses when entering the door by the flyover’, staat er in het programmaboekje. Die instructie mystificeert eerder dan dat ze opheldert, en dat is vast de bedoeling. De halve voorstelling ligt die bril op schoot, als een Geweer van Tsjechov.

De opwinding vooraf is toch al niet gering. De zaal is uitverkocht, en ik zie verrassend veel jong publiek. Dat kan aan het land liggen (buiten Nederland is de cultuurparticipatie in verschillende leeftijdsgroepen altijd wat groter), het kan aan de groeiende populariteit van David Mitchells werk liggen (wiens Cloud Atlas onlangs verfilmd is, maar aan wiens wat onopvallende gestalte iedereen in de foyer voorbij gaat, afgezien van het handjevol vrienden voor wie hij een waaier met vrijkaartjes uit z’n binnenzak trekt), het kan aan Kate Miller-Heidke liggen (de Australische singer-songwriter, een jonge blonde ster in de alternatieve popscene, die een van de hoofdrollen vertolkt), en het kan aan de belofte van een ‘multimediale’ opera liggen (‘An occult mystery film-opera’ heet de voorstelling in de aankondigingen). In elk geval staat er wat te gebeuren.

Zelf hoop ik op een vernieuwing van het genre. Want hoe moet het verder met de opera? De zalen van de traditionele opera’s – ooit toch de hoogste kunstvorm – stromen leeg. Het publiek en de subsidies verdwijnen voor Puccini’s of Verdi’s in traditionele kostuums. Er komen Mozarts in autoshowroomdecors en fabriekshallen, Wagners in de openlucht, maar ook die slagen er niet in een levend en vitaal hart van de cultuur te worden, evenmin als de moderne gecomponeerde experimenten.

Vooral van de versmelting van podium en film verwacht ik veel. Zoals de fotografie de schilderkunst dwong te vernieuwen, zo stootte de film de opera van de troon. David Mitchell en Michel van der Aa brengen de film nu terug op het operapodium, en zelfs in zijn nieuwste gedaante van drie dimensies.

Daarin, zeg ik maar meteen, stelt Sunken Garden absoluut niet teleur. Er is film, er zijn iPhones, er zijn YouTube-clips, er zijn apps en ringtones, text messages en er is het spectaculaire 3D-beeld dat kreten van verwondering losmaakt uit de bebrilde menigte. Dit is een Gesamtkunstwerk 3.0.

Dat alles is mogelijk gemaakt door een simpele en slimme zet in het raamwerk van de voorstelling. De verteller is namelijk een filmmaker, Toby, die onderzoek doet naar de mysterieuze verdwijningen van een software-ontwikkelaar (Simon Vines) en een glamour girl (Amber Jacquemain). Zijn speurtocht slash documentaire wordt gefinancierd door Zenna Briggs, van de James and Zenna Briggs Foundation, aan wie hij van tijd tot tijd verslag doet. Toby vindt filmpjes op de telefoons en computers van de betrokkenen, draait interviewtjes met familie, vrienden en collega’s van het verdwenen stel, en langzaam destilleren we de ingrediënten van hun drama’s uit die kermis van hightech en snapshots.

Al moet je daar wel je hoofd bij houden zeg, allemachtig. Vooral in de dialogen van Toby en Zenna kun je de draad gemakkelijk kwijtraken, niet in de laatste plaats omdat alles gezongen wordt, of eigenlijk is het een soort zing/vertellen, à la de recitatieven uit de traditionele opera. Onvermijdelijk geven die passages iets monotoons aan het verder juist wild meanderende muzikale palet. Zelfs het Britse publiek zegt naderhand wel behoefte te hebben gehad aan boventitels.

Daar is veel voor te zeggen, juist omdat die tekst zo sterk is. We zien hier Mitchells grote vermogen om verschillende registers open te trekken, van historisch tot eigentijds, van hoogdravend tot volks. Nu eens horen we shakespeariaanse taal, die het drama een mythische dimensie in lijkt te trekken (‘Three whole months since last we spoke. Have you no calendars down here?’) en dan weer passeren er clips met klare taal, zoals van Ambers moeder, die aanvankelijk niets van de verdwijning gelooft: ‘Right now she’ll be sunning her bra-line… in Goa with some bohostoner dropout, or shacked up in a ski cabin in Switzerland.’

Componist en regisseur Michel van der Aa zocht zelf de samenwerking met Mitchell op en de verwantschap is evident. Ook Van der Aa stuwt zijn muziek door alle stijlen en tijdperken heen, van discodreunen tot minimalisme, en van kakofonische momenten tot intens lyrische. Alleen: had hij ons niet één melodie kunnen geven die we na afloop konden naneuriën? Het is vast vloeken in de postmoderne kerk, maar zelf snakte ik wel naar iets van een harmonisch bindmiddel, één stuk dat beklijft als een aria, maar ook in de passages die daarvoor geëigend zijn – Amber die zingt: ‘I have these dreams…’ – spat het uiteen tot iets wat geen song wil zijn.

Om die dromen draait het overigens. De verdwenen Amber en Simon blijken vreemde dromen te hebben gehad van een mysterieuze tuin, waar we halverwege de voorstelling zelf in binnentreden. Een hoogtepunt in zowel dramatisch als technologisch opzicht. De tuin is 3D gefilmd in Eden Project in Cornwall, waar een compleet regenwoud kunstmatig is aangelegd, in kassen met gigantische koepels.

In dit artificiële Eden blijken de protagonisten zielenrust te hebben gevonden, met hun geweten als tol, zou je kunnen zeggen. Iedereen die er verblijft is van een martelend schuldgevoel verlost, maar betaalt daar ook een prijs voor. In de verzonken tuin bestaan geen herinneringen, zo is de suggestie: ‘Stay in this garden, dear Toby, and your act, your guilt, your pain, will have never – even – existed.’

Wat dan weer de vraag oproept of we hier niet nog veel letterlijker met een kunstmatig paradijs van doen kunnen hebben. We zien namelijk ook hoe Amber, in de wat clichématige setting van een nachtclubtoilet, met pillen in de weer is. Is de hele voorstelling misschien háár hallucinatie?

Het kan. Waarschijnlijk is de verwarring met opzet ingebracht, zoals er tijdens het 3D-gedeelte ook optische verwarring is: zien we nu de acteurs op het podium, of in de film? Voor- en achtergrond lopen in elkaar over, net zoals realiteit en droom dat doen. ‘We are such stuff as dreams are made of’, knipoogt een van de personages nog maar eens.

Ook verteltechnisch is Sunken Garden een waagstuk. Dat zijn we van Mitchell gewend: verhaallijnen die afwisselen, in omgekeerde volgorde verteld worden, of pas tegen het einde de cruciale gegevens onthullen waarmee het eerdere pas betekenis kan krijgen. Dat gebeurt hier ook. Pas halverwege, na het passeren van ‘the door by the flyover’, leren we waarom alle mensen in dit stuk zo raar doen. Allemaal, verteller Toby incluis, blijken ze te leven met een of ander verschrikkelijk schuldgevoel. Sommige van die verhalen zorgen onmiddellijk voor empathie, zoals dat van Simon, dat met een dood kind te maken heeft – een gegeven dat op zichzelf al volstaat om een publiek te beroeren; daar hoef je niet veel aan te doen.

Andere verhalen komen wat meer bedacht over – Amber die haar vriendin een foto sms’t van dier vreemdgaande vriend, waarna die vriendin zich te pletter rijdt in een auto. Bij die verhalen blijf je ondanks alle beroering op het toneel en het scherm zelf onbewogen. Ik denk dat dit komt door de opbouw van het verhaal. Doordat het conflict pas tegen het einde wordt geïntroduceerd zijn we geen deelgenoot geworden van de innerlijke strijd van Amber, Simon en Toby. Tot halverwege was de detective-achtige zoektocht het vliegwiel van de plot, en ineens slaat dit om naar het innerlijk van de personages. Maar om dat de verdiende diepgang te geven is de resterende tijd te kort – tijd die bovendien verdeeld moet worden over al die verschillende hoofdfiguren. En bijfiguren, want daarvan zorgen er ook nog een paar voor verrassende en op zichzelf knap bedachte verwikkelingen.

Er cirkelen hier iets te veel ballen in de lucht. Niet alleen technologisch maar ook verteltechnisch is Sunken Garden een waagstuk. Dat pleit voor de durf en de ambitie van de makers, maar zelf miste ik een steviger houvast. Als de muziek dat niet geeft, moet het van het narratieve komen, maar ook dat is ijverig, en naar mijn smaak dus al te ijverig, in stukken gehakt.

In de traditionele, klassieke opera is het vaak al een hele prestatie als alle intriges en plotwendingen te volgen zijn. En daarvan is het verhaal bij de ervaren operabezoeker over het algemeen al bekend. Laat staan wat een karwei het is om zo’n gefragmenteerd en complex werk als Sunken Garden bij een eenmalige kennismaking te doorgronden.

Bij die oude Puccini’s en Mozarts maakte het bovendien minder uit wanneer je eens een wending miste. Die opera’s hebben naast de verhaaltechnische ook een emotionele ontwikkeling die als voortstuwende en arrangerende macht optreedt. Zo raken hart en hoofd evenredig geprikkeld. In dit multimediaspektakel heeft het cerebrale het overwicht, waardoor ook een emotionele stuwing als houvast ontbreekt.

Zouden we van meet af aan al deelgenoot zijn gemaakt van de gevoelsthematiek van deze voorstelling – schuld, gewetenswroeging, en de (on)mogelijkheid eraan te ontsnappen – dan was onze betrokkenheid intenser geweest. Waarschijnlijk had daarvoor ook het aantal verhalen teruggebracht kunnen worden, tot misschien maar één werkelijk meeslepend en keel toeschroevend relaas.

Noem het conservatief, maar mijn ogen mogen niet droog blijven bij opera. Ook niet achter een 3D-bril.


Sunken Garden, 3 t/m 9 juni, Stadsschouwburg Amsterdam