Gesamtorgie

Het Boekenbal is het Grootfeest van de Kleinschrijver, de IJdelheidsetaleerdrang van Prulpoëten, Leuterschriftstellers en Derderangs-letterensloeries. Het enige waar ik de Duitse taal om benijd is dat zo’n zinnetje er gewoon in kán.

Zo’n robuuste stapeling van subjectiva, adjectiva en wie er allemaal maar nog meer bij elkaar op schoot willen kruipen. Dat hele taaltje kun je omsmeden tot een totaalleger en ook nog eens tooien met Kapitalen waardoor de regels haast doorzakken onder hun eigen Wichtigtuerei.

Het werkt ook altijd een beetje op je lachspieren. Daarin lijkt het op het Boekenbal. Al die vrouwen en mannen die gewend zijn om in hun uppie papiertjes vol te pennen, uit de aard van hun beroep stuk voor stuk zo sociaal gemankeerd als een gootsteen, die moeten ineens over een rode loper de Schouwburg in en Spontaangrappen maken voor Overrompelcamera’s. Gelukkig wemelt het er steeds weer van de acteurs en presentatoren en andere tv-familieleden achter wier zegepralende Arrogantaureool je ongezien kunt wegglippen.

Het Grootbal voor Kleinschrijvers is eigenlijk alleen leuk als je 1) er voor het eerst komt, 2) maar eens in de drie, vier jaar gaat en 3) er rondloopt met de bril van een etnoloog, of nog beter, een etholoog.

Dan zie je hoe het Debutantendier, voor wie het nog spannend is, zich als enige aan de kledingvoorschriften heeft gehouden en angstig over zijn schouder kijkt of hij wel genoeg wordt opgemerkt. Dan zie je de Succesboekschrijver even achteloos als schijnbescheiden z’n hoekje opzoeken waar de slippendragers, de opkijkers en andere strontvliegen hem omcirkelen in de aalmoezeniershoop dat íets van dat vadsige geluk op hen zal overspringen. Dan zie je de Rancunepublicisten met roofzuchtblikken de kliekjes afspeuren naar iemand die ze kunnen krenken door het blote feit van het verschijnen in zijn blikveld.

Dan zie je, bovenal, wat een immense kuddes in dit land hun brood op de een of andere manier verdienen aan de literatuur. De uitgevers en de redacteuren voor wie het domweg een nacht hard doorwerken is – het kopen van muntjes, het brengen van bier, het voederen van auteurs uit eigen maar vooral ook andermans stal, want elke schrijver waant zich miskend en is te lokken met de belofte van grotere roem. De handelaren en agenten, de inkopers en de verkopers, de critici en de evenementenplanners, de geldschieters, persklaarmakers, verslaggevers en dan zwijg ik nog over de partners, gehuwd of even gehuurd als hun smokings en baljurken.

Wat gebeurt er als we zo veel mogelijk ijdeltuiten en strebers loslaten in één ­gebouw en daar drank ­doorheen spoelen?

Die hele gesloten inrichting die ons literaire bedrijf is, draait daar als een monsterachtige Totaaltarantula met tienduizend tentakels traag in het rond op alle verdiepingen en vloeren, en wie er in gevangen zit moet mee in de maalstroom, mee in de draaikolk, links en rechts wanhopig zijn hand en zijn blij verraste gezicht uitstekend naar een bekende, aan wie hij zich niet zal kunnen vastklampen want alles moet door en verder, hun rondes blijven maken. Wie die cirkelbeweging van bovenaf zou filmen zou amper het verschil kunnen zien met die in Mekka rond de Kaäba, ook zo’n Gesamtorgie van afgodsbedwelmden.

Steeds vaker krijg ik het idee dat de opzet van het Boekenbal in wezen een Sociaalexperiment is, en dat ergens in een regiekamertje wat wetenschappers zitten die op alle das-leben-der-anderen-achtige monitoren de populatie registreren. Wat gebeurt er als we zo veel mogelijk ijdeltuiten en strebers, kunstenaars en hun critici, loslaten in één gebouw en daar drank doorheen spoelen?

Eén van de observaties zal in elk geval zijn dat iedereen zich vrij snel conformeert aan een ongeschreven Laconiekcode, die al begint met het rituele afkraken van het voorprogramma. De jaarlijkse Hoogmis van Laagletterkundigen is namelijk een van die evenementen waar je uitsluitend op een ironische manier in kunt participeren. Ervaren balgangers spelen het klaar die ironie alleen al met hun lichaamshouding te vertolken. Zo van: ik sta hier wel, maar mij hoef je niets te vertellen; eigenlijk vind ik het hier één grote schwungloze Schweinerei, daarom kom ik maar eens in de vier jaar en dan alleen met de blik van een etnoloog of beter nog, een etholoog.

Het is zo’n feest waar je alleen met een excuus bij kunt zijn. Met dat professionele kenne-ich-schon-_toontje zeg je: ‘Eigenlijk ga ik nooit, maar mijn nieuwe vriendinnetje wilde het wel eens meemaken.’ Met je doorrookte _das-war-einmal-_stem zeg je: ‘Toen Harry nog leefde had het tenminste nog een béétje cachet.’ En daarop knik je, kijk je de zaal nog eens rond met zo’n _warte-nur-balde-ruhest-du-auch-oogopslag, en je slaat je glas achterover als iemand die vertrekt.

Maar je vertrekt niet, want anders zou je voor niks gekomen zijn.