Geschenk een dun, dapper insekt

Hella Haasse, Transit. Uitgeverij Querido in opdracht van de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek ter gelegenheid van de Boekenweek 1994, 92 blz. De boekenkoper krijgt deze week van de CPNB een novelle van Hella Haasse cadeau. Het is een verhaal over de adolescentie. Een achttienjarig meisje keert, na een zwerftocht van anderhalf jaar, terug naar haar woonplaats om haar vrienden van eertijds op te zoeken.

Met het verhaal van deze zoektocht grijpt Hella Haasse terug op een beschouwing die zij 35 jaar geleden publiceerde. Ook in 1959 schreef zij het boekenweekgeschenk: een breed opgezet betoog over het thema van jonge mensen in boek en verhaal, van Homerus tot Shakespeare en van Vondel tot W.F. Hermans. Dat weet ik zelf niet luidde de titel, een citaat uit een Tartaars sprookje dat als motto aan het essay voorafging. ‘Hoe moet jij een mens worden?’ vroeg de vos uit dat sprookje aan Pajana, een jongen zonder ouders. De jongen antwoordde de vos: 'Hoe ik een mens moet worden? Dat weet ik zelf niet.’ Zijn antwoord vormt de lapidaire samenvatting van het verhaal waarmee Hella Haasse nu voor de derde keer het boekenweekgeschenk levert. (De eerste keer was in 1948 toen zij met Oeroeg de prijsvraag van de CPNB won.)
Waren de jongeren in de jaren vijftig anders dan die van nu? Op die vraag probeert de schrijfster een antwoord te vinden. Wie de eerste regels van de novelle leest, zal al meteen het idee krijgen dat er op z'n minst een uiterlijke overeenkomst is. Zo wordt de heldin van het verhaal bij de lezer gei"ntroduceerd met de volgende beschrijving: 'Zwarte wollen leggings had ze aan, zwarte rijglaarzen, en over een zwarte trui die tot op haar heupen hing een kort jek van zwart kunstleer.’ De beschrijving van haar kledij roept de zwarte kleding in herinnering waarmee jongeren in de jaren vijftig achter de filosofen van het existentialisme aan liepen. Die indruk wordt later in de novelle bevestigd wanneer een oudere kamergeleerde bij het zien van het meisje onmiddellijk moet terugdenken aan die periode, veertig jaar geleden, toen hij zelf in Parijs rondzwierf en hij de jongeren in hun zwarte pantalons en coltruien zag als 'de doodsengelen van een verstard establishment’. Het verhaal van Haasse suggereert dat achter die uiterlijke overeenkomst een wezenlijk verschil zichtbaar wordt.
In haar essay van 1958 had de schrijfster al betoogd dat de adolescentie een tamelijk recent verschijnsel is. Tot diep in de negentiende eeuw, merkte ze daar op, is het verschil tussen de jeugd van vroeger en later waarschijnlijk nooit zo heel groot geweest, eenvoudig omdat noodzaak een mens dwong zo gauw mogelijk volwassen te zijn. Haar observatie van toen correspondeert met het inzicht van historici die hebben vastgesteld dat de term 'adolescentie’ pas aan het begin van onze eeuw in zwang kwam. Uit diezelfde periode stammen de studies van antropologen en psychologen, waarin een verband wordt gelegd tussen deze overgangsperiode van kindertijd naar volwassenheid met andere veranderingsprocessen in het (maatschappelijke) leven. Die processen lijken zich te voltrekken volgens scenario’s die ook aan inwijdingsriten ten grondslag hebben gelegen. Een aantal elementen van zo'n scenario duikt als motieven in de novelle van Hella Haasse op.
Zo wordt de verandering van identiteit die in het overgangsproces plaatsvindt, nogal eens in de naamgeving gesymboliseerd. De oude naam wordt uitgewist voordat een nieuwe kan worden aangenomen. De heldin van het verhaal heet in eerste instantie Iks. Ah, X! 'De Grote Onbekende’, zal later een van de personages opmerken wanneer de heldin zich bij hem bekend maakt. Het is de eerste letter van haar ware naam: Xenia, de vreemdeling in de vertrouwde omgeving. Ook wat de seksuele identiteit betreft is er nog geen beslissing gevallen: Xenia is een androgyne verschijning. De ruimte waar de inwijdeling zich in beweegt, is een aaneenschakeling van doorgangsplaatsen.
Xenia komt, als de novelle begint, aan bij het centraal station. 'Ze was niet meer op reis, maar evenmin thuisgekomen. Ze woonde nergens.’ De stad waarin zij zal gaan rondzwerven, is een uitgestrekt niemandsland, de ruimtelijke verbeelding van haar adolescentie. Alles wat in de kindertijd vertrouwd was, komt de jongere op weg naar de volwassenheid vreemd voor. De puberteit was voor Xenia een jaar of twee eerder begonnen; ze was van school afgegaan en met twee vrienden gaan samenwonen, zich in leven houdend met allerlei baantjes. Met het geld dat ze daarmee verdienden, zouden ze om de wereld gaan reizen, maar er was niets van gekomen. Door onenigheid waren ze uit elkaar gegroeid. Xenia was er alleen op uit getrokken. Teruggekeerd merkt ze al gauw dat het haar vroegere vrienden niet goed is vergaan.
In het inwijdingsscenario is ook een belangrijke rol weggelegd voor de figuur van de mentor of de instructeur. Hij draagt de kennis van de volwassen wereld aan zijn leerling over. In de novelle wordt die figuur vertolkt door de persoon van Arnold Cluysman, die zich midden in de stad als een kluizenaar van de wereld heeft afgewend. Hij woont in een huis waar geen klok te vinden was. Xenia had geen notie van tijd. De kamergeleerde zal haar inwijden in de bibliotheek, de wereld van kennis. Samen met hem brengt Xenia de talloze aantekeningen op orde die hij in zijn leven heeft gemaakt. In cursief staan zijn aantekeningen in de novelle afgedrukt, als een soort spiegelschrift van het verhaal van Xenia. Hij vertelt het verhaal van de jongeren van de jaren vijftig. Misschien is het kenmerkend dat de mentor zelf ingewijd moet worden. 'Xenia’, zo lezen we in een van zijn aantekeningen, 'accentueert juist het onzijdige in haar uiterlijk en gedrag. Het lijkt soms alsof bij haar de overgang tussen kind en vrouw nog niet heeft plaatsgevonden. (…) Zij worstelt met een probleem waar ik nog geen hoogte van kan krijgen.’
De tragiek die in de novelle naar voren komt, is dat de oudere generatie geen benul heeft van de wereld waarin de kinderen opgroeien, dat ze zelf geen besef hebben wat de codes van de volwassenheid zijn, dat de adolescentie een steeds grotere periode lijkt te gaan bestrijken. De mentor staat machteloos, zijn kennis van de jongerenwereld uit zijn eigen tijd lijkt niet meer van toepassing op die van nu. Xenia, schrijft hij, 'lijkt mij wezenlijk anders dan mijn Parijse doodsengelen, maar hoe anders kan ik nog niet zeggen. Zij is (…) kind van de jongeren die zich een decennium na de dagen van de Dominiques en de Rolands “bevrijd” hebben toen de verbeelding aan de macht was.’
Wat dat verschil nu inhoudt, wordt uit de novelle niet echt duidelijk, al wordt het als iets onheilspellends gesuggereerd. Want de doodsengelen van eertijds speelden nog met hun existentialistische leefstijl, die argeloosheid vindt de mentor bij de jongeren van nu niet meer terug. Hij heeft de indruk dat deze generatie de confrontatie moet aangaan met iets dat nog geen naam heeft, maar dat als een vloedgolf op hen zal afkomen. Dat is ook de indruk die Xenia zelf heeft als zij aan het slot van de novelle, wanneer ze op doorreis is, zichzelf ziet als een 'dun dapper insekt’, op weg naar de 'confrontatie met een vormeloos glibberig monster dat zijn tentakels uitstrekt over de aardbol’. Xenia zet haar reis voort, weigert binnen te gaan in de wereld van de volwassenen, wat zowel een teken van verzet is tegen de geest van vervlakking die zij om zich heen ontwaart, als een teken van een intense vorm van radeloosheid.
Stijl en opzet van de novelle, eenvoudig en transparant, mikken op het grote leespubliek van de jongere lezers, alsof de schrijfster juist hen over de drempel van de literatuur wil trekken, die immers de vervlakking van de geest bestrijdt en alle mogelijkheden die de wereld voor de beleving gereed houdt, aftast. De mentor heeft Xenia’s belangstelling opgewekt door een raadselachtige zin: 'het onvermogen om dimensies te beseffen ontmenselijkt’.
Ze had de werkelijkheid waarin ze leefde altijd vlak gevonden, een stripverhaal op een strook die eindeloos werd afgewikkeld. Door de raadselachtige zin ontdekte ze bij zichzelf een plotselinge drang om meer te weten te komen, ontdekte ze een nieuwe ruimte. De literatuur als een verkenning van de onvermoede dimensies van de beleving van de werkelijkheid is het adagium van de literatuuropvatting die Haasse in heel haar oeuvre heeft uitgedragen.