Van Bismarck tot Hitler

Geschiedenis door een telescoop

Sebastian Haffner
Van Bismarck tot Hitler: Duitsland 1871-1945
Vertaald door Piet Jaarsma; nawoord M.C. Brands
Mets & Schilt, 286 blz., € 25,-

In zijn politieke autobiografie, die tussen 1926 en 1940 door te veel weldenkenden te weinig serieus is genomen, schrijft de dan nog onbekende Duitse soldaat over zijn ervaringen in 1918, het jaar waarin de loopgravenoorlog opeens zinloos bleek te zijn geweest: ‘En zo was alles dus voor niets geweest (…). Was dit alles dan alleen maar gebeurd opdat een verachtelijke boevenbende het vaderland in handen kon krijgen? (…) In deze nachten groeide mijn haat, haat jegens degenen die verantwoordelijk waren voor deze daad.’

Waar schrijft Adolf Hitler – want over hem gaat het hier – in deze passage van Mein Kampf: Band I, Eine Abrechnung (1925) precies over? Soldaat Hitler raakt in oktober 1918 door een Britse mosterdgasaanval bij het Vlaamse Ieper tijdelijk blind en herstelt in een militair hospitaal in Pommeren. Daar hoort hij het voor hem rampzalige nieuws van de Duitse nederlaag en van de Novemberrevolutie in Duitsland, dat wil zeggen van de min of meer spontane matrozen- en arbeidersopstanden in verschillende Duitse steden en van de vorming van arbeidersraden. De opstand in het vaderland en de militaire nederlaag vormden voor Hitler ‘de grootste schanddaad van de eeuw’ (Mein Kampf). Het heldhaftige Duitse volk bleek misleid en in de rug aangevallen door Spartakus-communisten en ander revolutionair en anti-Duits tuig, ‘een verachtelijke boevenbende’.

In het eerste deel van zijn imposante Hitler-biografie Hitler 1889-1936: Hoogmoed (1998) constateert Ian Kershaw dat de politieke denker Hitler vanaf 1918 bewust een legende koesterde en dat er in dat jaar geen sprake was van verraad of van een ‘dolkstoot in de rug’. De opstand aan het thuisfront was een direct gevolg van de nederlaag op het slagveld en niet de oorzaak. Het land was gedesillusioneerd, liep op zijn tandvlees en leed honger. In 1914 was er onbegrensde vaderlandsliefde, vier jaar later een trauma, dat Hitler later tot op het bot uitbuitte.

De fameuze dolkstootlegende duikt ook op in Van Bismarck tot Hitler: Duitsland 1871-1945 van de jurist, journalist en historicus Sebastian Haffner (1907-1999). Haffner aarzelde niet om de spd, die in 1914 voor de oorlogskredieten stemde en die de opstanden had neergeslagen, van verraad te beschuldigen. Hij afficheerde zich als een niet-liberale en gematigde conservatief met linkse sympathieën. In zijn glashelder geschreven boeken gaf hij graag een tik tegen voorspelbare waarnemingsposities en uitgangspunten. Als historicus wilde hij méér zijn dan een journalist van het verleden. Van Bismarck tot Hitler begint Haffner met het voorstel de geschiedenis van het Duitse Rijk eens door een telescoop te bekijken. Wat je dan ziet is een ‘oorlogsrijk’ van korte levensduur dat zijn politiek in 1918 en in 1933 drastisch heeft gewijzigd.

Haffner staart zich niet blind op patronen en rode draden in de sociaal-economische ontwikkeling van het Duitse Rijk en heeft een scherp oog voor de politieke dynamiek en invloed van Grote Mannen. Otto von Bismarck, de grondlegger van het Duitse Rijk na de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871, is een van hen. Haffner is opvallend positief over Bismarcks samensmeden van Pruisen en de Duitse nationale beweging. Hij spreekt zelfs over diens ‘actieve vredespolitiek’ (het voorkomen van oorlog) ondanks de annexatie (heim ins Reich) van Elzas-Lotharingen in 1866, wat dan al het aartsvijandschap van Frankrijk oplevert. Bismarcks scherpe antisocialistenpolitiek heeft voor Haffner ook een ‘positieve’ kant omdat hij de linksen ‘constructief’ bestrijdt door het opzetten van een sociaal zekerheidsstelsel voor de arbeidersklasse, natuurlijk om de Eerste Internationale de wind uit de zeilen te nemen. Maar toch, vanaf de geboorte is het Duitse Rijk doodziek en uit op de eigen vernietiging, want het blijkt geografisch ‘ingesnoerd’. Bovendien heeft het wat de buitenlandse politiek betreft funeste bondgenootschappen uitgelokt die regelrecht naar de Eerste Wereldoorlog voeren.

Maar voor Haffner is Bismarck niet simpelweg de wegbereider van Hitler geweest. Het Duitse superioriteitsgevoel zwol pas aan ná de Bismarck-periode, tussen 1890 en 1914.

In de film Der Untergang spreekt Hitler (Bruno Ganz) in zijn laatste Berlijnse bunkerdagen uit wat hij in werkelijkheid eind 1941 tijdens een privé-gesprek heeft gezegd tegen een groepje buitenlandse diplomaten, vlak nadat de Wehrmacht in de Sovjet-Unie was vastgelopen en Hitler Amerika de oorlog had verklaard. Als het Duitse volk te beroerd is om zich op te offeren voor het voortbestaan van het Derde Rijk, ‘dan moet het maar ten onder gaan en door een andere, sterkere macht worden vernietigd. Ik zal om het Duitse volk geen traan laten.’ Haffner citeert deze ‘unieke uitspraak’ en noemt Hitler in dezelfde zin ‘een Duits staatsman’. Dat doet hij expres, omdat Haffner al vanaf zijn scherpe Hitler-analyses in Duitsland 1939: Jekyll & Hyde (1940) en Kanttekeningen bij Hitler (1978) betoogd heeft dat de onderschatting van Hitler als politiek fenomeen de grootste fout van de twintigste eeuw is geweest. Zeker, Hitler was een staatsman, om precies te zijn ‘een oplichter met het masker van een staatsman’. Zijn politieke agenda verbond hij met zijn persoonlijke levensverwachting, waarin ‘alles of niets’, ‘va-banque’ en ‘vernietiging’ kernuitdrukkingen waren. De sleutel tot Hitlers vernietigingspolitiek via zijn Duizendjarige Rijk van twaalf jaar – een Rijk van ‘interne chaos’ (Van Bismarck tot Hitler) – was niet zijn anticommunisme, antisemitisme, rassenwaan, staatsfilosofie of levensruimtegedachte, maar zijn ego. Alles wat hij zei was een maskerade. Zijn zinnen, inclusief die waaruit zijn rabiate jodenhaat opklonken, bleken sluiers waarachter zich een verliezersmentaliteit van een potentiële zelfmoordenaar verborg.

Hitler was veel meer dan een kurk die danste op de sociaal-economische golven. In Van Bismarck tot Hitler schetst Haffner hem als een tactische politicus die de SA-top in 1934 meedogenloos afmaakt en vier jaar later de Reichskristallnacht ensceneert als proefballon voor de uiteindelijke Endlösung, die bewust in het verborgene (buiten Duitsland) moet plaatsvinden omdat de reactie van de Duitse bevolking op de pogrom (kristalnacht is een eufemisme) van november 1938 niet geestdriftig genoeg was geweest. De Rijksdagbrand van 27 februari 1933, veroorzaakt door de Leidenaar Marinus van der Lubbe, gebruikte hij natuurlijk meteen om de communisten tot kop van Jut te maken en het parlement uit te schakelen, de burgerrechten af te schaffen, de joden hun baan te ontnemen en de concentratiekampen vol te laten lopen. Duitsland liet het gebeuren, want de overgrote meerderheid stond in het voorjaar van 1933 achter Hitler, aldus Haffner.

Hitler was zowel rechts als links en verleidde dankzij Goebbels’ superieure propagandamachine en zijn SS-terreur het Duitse volk met de roes van het oproer. Hitler was een genie waar het ging om het uitroeien van de Duitse Kulturgeist, weerspiegeld in de naam Sebastian Haffner, pseudoniem van Raymund Pretzel: Sebastian naar de tweede voornaam van Bach, Haffner naar Mozarts Haffner-symfonie.

Haffner analyseert het Duitsland vanaf 1933 als een schizofrene staat, een tweeslachtig land dat aan de ene kant gewoon doorgaat met leven en wegkijkt van de groeiende terreur, maar dat aan de andere kant door diezelfde terreur en door de alles en iedereen vertekenende propaganda niet meer goed kan (wil?) zien wat er gebeurt. De zogenaamde geoliede nazi-machine van orde, tucht, discipline en administratieve perfectie was in werkelijkheid een staat die Haffner als ‘autoritaire anarchie’ omschrijft. In zijn Hitler-biografie steunt Ian Kershaw op Haffners analyse van nazi-Duitsland als een dubbelslachtige natie zonder Haffner met zoveel woorden te noemen.

Want onder gevestigde historici is buitenstaander Haffner altijd een lastpak en tegenspreker gebleven. Zijn beknopte, effectieve stijl bood heldere analyses die maar al te vaak gunstig afstaken bij de wollige langdradigheid van de gevestigde geschiedschrijvers. En dan te bedenken dat Haffner eind jaren tachtig Van Bismarck tot Hitler heeft gedicteerd omdat hij te oud en te ziek was om het zelf nog normaal op te kunnen schrijven. Wie het boek leest, kan dat bijna niet geloven. Sebastian Haffner, toonbeeld van de Duitse cultuurgeest, sprak alsof het al bijna gedrukt stond. Hier past een buiging.

………………………………………………………………………….
Ga naar de WEBshop en download de kortingsbon