Boek van de Maand: Chiara, Asscher, Kurzweil en Flanagan

Geschiedenis in verzinsels

De juryleden selecteren uit het boekenaanbod ieder een favoriet. Deze maand koos Solange Leibovici Septemberspiegel van Giovanni Chiara, Jacq Vogelaar Dingenliefde van Maarten Asscher en Graa Boomsma Bibliotheek van de misleiding van Allen Kurzweil. Pieter van Os koos voor Het boek van Gould van Richard Flanagan. Nadat de juryleden elkaars genomineerden hadden gelezen, werd Het boek van Gould verkozen tot Boek van de maand.

Richard Flanagan

Het boek van Gould: Roman in twaalf vissen

Uitg. Anthos/Manteau, 384 blz., € 24,90

door Pieter van Os

In Joseph Conrads Heart of Darkness en in Apocalypse Now, de film die op die roman is gebaseerd, komt de allerdiepste menselijke gruwelijkheid aan de oppervlakte in een geest die aanvankelijk vol is van Verlichtingsidealen. Kolonel Kurtz hoopte de inwoners van Afrika te ontwikkelen met de kracht van de rede, maar eindigde als een onberekenbare, wrede machtswellusteling die, eenmaal illusieloos en aanbeden door de kannibalen, de hoofden van zijn vijanden op houten palen voor zijn oerwoudpaleis spiest. In de al even indrukwekkende roman van de Australische schrijver Richard Flanagan, die eerder opviel met Het geluid van één klappende hand, gaan de hoofdpersonages de tegenovergestelde weg. Als oplichters, boeven en geitenneukers naar Tasmanië gestuurd, raken ze aan de andere kant van de wereld, als ze eenmaal uit hun cellen op de krakkemikkige tronen van de nieuwe macht zijn beland, gefascineerd door de oude wereld. Zonder met de ogen te knipperen, vergooien ze de levens van duizenden criminelen in een poging Europa te imiteren en een natie te creëren die is gebouwd op de vage afspiegelingen van de idealen, gebouwen en technologie zoals ze zich die niet meer herinneren maar zich voorstellen op basis van een enkele brief van een eenzame zus in Londen.

In de burleske vertelling van de crimineel en kunstenaar Gould, uit het hoofd naverteld door de kleine vervalser Sid Hammet, staat de negentiende-eeuwse op- en ondergang van de beruchte strafkolonie Sarah Island centraal. Door de verschrikkingen heen straalt de door een ongekende energie gedreven hoogmoed die onlosmakelijk is verbonden aan nabootsen en voorwenden. De kleurrijke commandant laat een twaalf koepels tellend paleis verrijzen dat «de wonderen van Versailles combineerde met de grovere genoegens van een berenkuil in een achterbuurt». De bouw werd «een nachtmerrie van zulke ontzagwekkende proporties dat het onmogelijk was om geen perverse verbazing te voelen over wat daar midden in de wildernis werd opgetrokken».

Dit citaat slaat evenzeer op de geschiedenis van het land Australië. Maar dat geldt voor bijna elke vertelling van Flanagan in Het boek van Gould. Met reden heeft het boek de allure van een mythische ontstaansgeschiedenis van Australië in het algemeen en van Tasmanië in het bijzonder. Daarbij is het boek niet voor niets geschreven rond een werkelijk bestaande bron: hoe krankzinnig de gebeurtenissen in deze bizarre, bij vlagen onnavolgbare roman van Flanagan ook zijn, The Book of Fish (oorspronkelijke titel) bestaat in werkelijkheid, en is te vinden in een museum in Tasmanië. Het bestaat uit tekeningen van vissen, gemaakt door William Buelow Gould, die aan het begin van de negentiende eeuw, gevangen in «een zoutwatercel van een onontkoombaar & ellendig lot», aquarelleerde in opdracht van de gevangenisdokter, die tussen executies door zijn wetenschappelijke ambities najoeg in hoop op erkenning uit het verre Europa. (En zelfs eens enkele afgehakte hoofden van Aboriginals opstuurde naar de Royal Society in Londen, om te bewijzen dat gekleurde mensen niet afstammen van Adam.)

Meanderend langs tientallen bizarre personages, even rauw en gevaarlijk als het land zelf, brengt Flanagan — en zijn verteller Sid Hammet — de verschrikkingen van folteraars als Ballenschuurder tot leven, maar overdenkt hij tegelijk in zinnen als: «Wat is dialect anders dan taal met een leger?» de macht en verbeelding die benodigd zijn voor de gigantische onderneming om met een troep gevangenen westers leven te recre eren langs de onherbergzame kunst, ofwel The Fatal Shore van Australië. Flanagans krankzinnige vertellingen suggereren dat de geschiedenis van Australië het best in verzinsels is te vertellen.

Alvorens Sid zijn hervertelling begint van de mysterieus verdwenen snippers papier die de tekenende crimineel Gould volkrabbelde, verdiende hij zijn geld met het «verouderen» van nieuwe meubels. Hij plaste erover en droogde ze in de zon om ze te kunnen verkopen aan toeristen, voornamelijk Amerikanen, die in de veronderstelling waren dat ze er een stuk Australische geschiedenis mee kochten. Pas bij herlezing begrijp je dat die toeristen dat ook werkelijk doen, althans als je Flanagans lezing van de Australische geschiedenis accepteert.

Flanagan voert die lezing zelfs door in de stijl. Net als Sid zijn meubels laat hij zijn verhaal moedwillig oud lijken door een archaïsch taalgebruik, waarin ruimhartig gebruik wordt gemaakt van weldadig expressionistische hyperbolen — precies zoals hij die meende te hebben gevonden in het tot zilt water vergane boek van Gould.

Geen enkele beschrijving doet dit wonderlijke boek recht. Het zet hoog in, verbluft stilistisch en voert de lezer mee door scabreuze en magisch realistische passages. Tussen alle doldwaze verwikkelingen door geeft Flanagan af en toe een glimp van zijn grotere plan, dat zich nauwelijks laat samenvatten, maar zich wellicht laat verduidelijken in een voorbeeld. In zijn imiteerzucht laat Zijne Gouden Masker de commandant onderdelen van een spiksplinternieuwe locomotief overbrengen naar het eiland. De rails worden gelegd en — natuurlijk — een gigantisch hoofdstation wordt gebouwd, met grote ontvangsthallen en bronzen beelden. Maar reizigers komen natuurlijk niet, en bestemmingen liggen overzee. De trein rijdt kleine rondjes over het eiland. Om de commandant toch van zijn trein te laten genieten, mag Gould even zijn zoutwatercel uit om grote landschappen te schilderen, die langs het traject worden opgesteld, als grote decorstukken.

Nadat de lezer urenlang geketend is geweest aan de roman van Flanagan wordt hem de gelijkenis met de werking van literatuur overduidelijk. De voorbij trekkende en voortdurend veranderende vergezichten van de boef Gould bevatten ontelbare interessante verwijzingen naar de geschiedenis van de westerse literatuur, maar zelfs als daaraan voorbij wordt gegaan, is de originaliteit, raadselachtigheid en schoonheid van het gebodene overstelpend. Die decorstukken van Gould schieten voorbij. Gelukkig hoeft niemand uit te stappen op het hoofdstation, en begint de reis daarna gewoon weer van voren af aan.

Mis die trein niet.

Giovanni Chiara

Septemberspiegel

Uit het Italiaans vertaald door Els van der Pluijm, uitg. Prometheus, 207 blz., € 16,50

door Solange Leibovici

Een vijftigjarige vrouw kijkt terug op haar leven. Zij is vervreemd geraakt van haar familie en haar streek van herkomst, haar werk schenkt haar geen voldoening, haar huwelijk heeft nooit veel voorgesteld en haar dochter is een grenzeloze egoïste die ervan geniet om haar te kwetsen.

Laura verliet haar geboortestreek Toscane in de jaren zestig om medicijnen te studeren in Milaan. Zij onderging studenten onlusten en sociale omwentelingen als een buitenstaander. Terwijl Italië veranderde, bleef Laura dezelfde eenzame, ongelukkige vrouw. Zij trouwde met een vriend die haar na jaren van subtiele kwellingen uiteindelijk verliet. Zij werd hartstochtelijk verliefd op een getrouwde man maar ook die relatie liep op niets uit. Nog slechts voor geld neemt haar dochter contact op. Laura, die zich moeizaam staande houdt dankzij de sufmakende antidepressiva uit haar eigen artsen apotheek, keert terug naar Toscane, maar ontdekt dat zij ook daar niets te zoeken heeft. Het enige wezen waar zij contact mee heeft is een moederloos katertje, dat zij liefdevol opneemt. De rest is slechts teleurstelling. De glooiende heuvels, de donkere cipressen en knoestige olijfbomen van Toscane zijn niets anders dan een toneeldecor waartegen achterlijke boeren het hoofd boven water proberen te houden.

Giovanni Chiara’s nieuwe roman Septemberspiegel stemt niet bepaald vrolijk en moet melancholieke dames in de vijftig ernstig ontraden worden. Het is wel een mooi boek. Van Chiara verscheen eerder De valstrik, dat ook handelde over de desillusie van de terugkomst en de uitzichtloosheid van vastgeroeste maatschappelijke verhoudingen.

Chiara is de schrijver van de depressie, van het verstilde leven en de gemiste kansen. In Septemberspiegel zet hij twee stemmen in: die van de verteller, die Laura observeert en haar leven op het platteland en in de stad beschrijft, en die van Laura zelf, die in haar monologue intérieur de lezer deelgenoot maakt van de frustratie en de pijn over een bestaan dat zij als een totale mislukking ervaart. Chiara weet hiermee een indringend beeld te schetsen van haar wanhoop over onbegrip en liefdeloosheid, haar masochisme en haar onvermogen haar gevoelens van opstandigheid te uiten.

Via Laura’s gedachten verwoordt hij de verschrikkelijke gebeurtenis die je op die leeftijd overvalt: je wordt je er opeens van bewust dat er niets meer zal gebeuren, dat je niets meer mag verwachten. Herinneringen aan vroeger brengen geen geluk, maar alleen de scherpe pijn van de teleurstelling. Maandenlang kon je erover dromen om naar het strand te gaan, maar dan bleek de zee van dichtbij even vreemd als een voorwerp uit een museum. Over verloren liefdes is er slechts verdriet, dat je net als hoofdpijn met pillen probeert te verjagen.

Hoewel Laura haar familieleden beziet met de verwondering van de thuisgekeerde balling, beseffend dat alles in de grote stad is veranderd terwijl het leven in haar dorp stilstond, ziet zij tegelijkertijd in dat het Toscane van haar jeugd onherroepelijk is verdwenen. De thuiskomst bleek een onmogelijke droom.

Er komt geen hoopgevend inzicht dat de toekomst nog iets kan brengen, er is geen ommekeer waardoor een nieuw begin mogelijk zou kunnen zijn. De langdurige depressie heeft Laura’s leven gefossiliseerd, zoals de prehistorische schelpen waarmee de Toscaanse aarde is bezaaid eraan herinneren dat daar ooit zeeën waren. Gevangen in haar gedachten verlaat Laura voor de tweede keer haar geboortedorp. Zij is geen stap verder gekomen dan toen zij er terugkwam.

Maarten Asscher

Dingenliefde

Uitg. Augustus, 175 blz., € 15,95

door Jacq Vogelaar

Wist u dat de jojo, in de zestiende eeuw op de Filippijnen gebruikt voor de jacht, al duizend jaar voor onze jaartelling in China als speelgoed gold? En wist u dat het conservenblik al een halve eeuw bestond voordat de blikopener werd uitgevonden? Dit en nog veel meer is te vinden in een boek uit 1987 van Charles Panati, Panati’s Extraordinary Origins of Everyday Things.

Maarten Asscher zou aan een Nederlandse uitgave van zo’n boek ongetwijfeld een aantal geestrijke lemmata kunnen toevoegen, maar gelukkig heeft hij het over heel andere dingen, over dingen die alleen van hemzelf zijn, of wáren, want hij heeft enkele ervan nu tot verhalen verwerkt. Een opsomming van dingen die nog niet zijn geboekstaafd, beslaat twee pagina’s. En in de verhalen geeft hij tersluiks nog eens een classificatie van alle mogelijke dingen en ondingen, voldoende voor een hele bibliotheek.

In die onsystematische indeling richt hij zijn aandacht vooral op het ding dat op zichzelf niets waard lijkt, maar voor één persoon een speciale betekenis heeft. «Het potentieel van één enkel ding is soms zo groot dat het als een capsule een heel leven kan verhalen, een hele wereld kan bevatten.» Als het om gedeelde herinneringen gaat, worden de verhalen, hoe exotisch ook, soms enigszins voorspelbaar, juist als het gaat om navertelde geschiedenissen. Het meest geslaagd vind ik daarom de stukken waarin een ding het voorwerp van intense herbeleving wordt, een chemisch bijna alchemistisch proces waarin vroeger en nu, elders en hier zodanig met elkaar versmelten. Door iets opnieuw te beleven, wordt het een ervaring; daar ontstaat soms ook poëzie. Of zoals Asscher het zelf formuleert: «Herinneringen gaan niet over het reconstrueren van de werkelijkheid, herinneringen gaan over de associatie van gevoelens met ervaringen.»

Adreswijziging is de onschuldige titel van een stuk waarin een envelop van Asschers in de jaren tachtig overleden grootouders uit Engeland, een voorgefrankeerde adreswijziging blijkt te bevatten uit Westerbork 1943. Het was een verhuisbericht waarmee de grootouders de buitenwereld lieten weten dat ze van de ene barak naar de andere werden overgeplaatst. Zo’n vondst is een tijdscapsule. Asscher lost die op en het zijn juist de details waar het dan op aankomt, ofwel de precieze stijl.

Een ander hoofdstuk heeft een vraagteken als titel en gaat over een nondescript ding dat de schrijver ooit in een Turkse bric-à-brac winkel vond. Mettertijd wordt het steeds waardevoller, als raadselachtig onding waarvan terecht kan worden gezegd dat het geen naam mag hebben. Verzamelen van dingen is voor Asscher letterlijk: lezen. En hij geeft zulke dingen, die normaliter ongezien blijven, een naschrift; van een beschreven ding wordt het een geschreven ding, dat als het een goed verhaal is — of het nu een cricketbal, een geplette duif, een collegedictaat of een oude rekening is — verder zonder de oorspronkelijke bezitter kan. Het geeft zijn geheim alleen prijs aan wie weet hoe het open moet. Tweeëntwintig keer doet de schrijver het voor en nog weet ik niet waarom het de ene keer wel open gaat en de andere keer niet.

Allen Kurzweil

Bibliotheek van de misleiding

Vertaald door J.J. de Wit, uitg. Anthos, 360 blz., € 24,90

door Graa Boomsma

Soms word je, dwalend in een boekhandel en snuffelend en bladerend, misleid door een boek: een aantrekkelijk omslag, een uitnodigende flaptekst, een tot nadenken stemmende titel, pakkende eerste zinnen, een aansprekend motto. Ook het diagonaal lezen wekt alleen maar meer nieuwsgierigheid.

Vaak word je eerste indruk beloond, soms krijg je een kat in de zak. Dat laatste overkwam me toen ik al te gretig Allen Kurzweils Bibliotheek van de misleiding nomineerde. Het motto van Walter Benjamin sprak van mensen die ziek werden door het verlies van hun bibliotheek, die stalen om hun boekenbezit uit te kunnen breiden en die jongleerden tussen de orde van de catalogus en de chaos van de bibliotheek. So far so good. Dat de flaptekst Kurzweils roman net zo’n «intellectuele uitdaging» noemde als Mark Danielewski’s Het kaartenhuis, leek me ingegeven door commerciële overwegingen, maar toch… Ik wilde wel een roman lezen die «met de precisie van een horlogemaker» was geschreven.

Helaas. Het boek is geen horloge en het tikt niet, althans, er zit geen leven in. Het idee is uitstekend, daar niet van, maar de uitwerking is steriel maakwerk en gespeend van enige psychologische diepgang. Geen enkele belofte wordt waargemaakt.

Waar gaat Bibliotheek van de misleiding — een misleidende «vertaling» van The Grand Complication — over? De eenzelvige, aan grafomanie lijdende en enigszins impotente Alexander Short, bibliothecaris, treft een cliënt die iets van hem wil. Henry James Jesson III (nothing in a name) neemt de jongeman in dienst. Hij wil dat Alexander uitzoekt wat er in het lege kastje heeft gezeten dat een anonieme achttiende-eeuwse uitvinder heeft bezeten. Elk voorwerp dat die besloten ruimte bevatte, betekende iets in het leven van die uitvinder. Wat hing er, bijvoorbeeld, aan de spijker in het kastje? Een horloge, nog gedragen door Marie-Antoinette?

De ene heer gaat voor de andere heer op zoek, ondertussen verwaarloost Alexander zijn Franse echtgenote en kunstenares Nic. Hoewel Kurzweil krampachtig probeert tussen de heren een soort Boswell/Samuel Johnson-relatie te creëren en ook nog knipoogt naar de androgyne levenswandel van Henry James, komt er maar geen drama of bloed in het verhaal. Zelfs niet als blijkt dat het zakhorloge is gestolen «uit het Mayer-instituut voor islamitische kunst in Jeruzalem». Arabische terroristen? De suggestie is er, de uitwerking is psychologie van de kouwe grond, het uitleven van kinderlijke wraakgevoelens.

Het spel dat Kurzweil in Bibliotheek van de misleiding probeert te spelen, is dat van fictie en feit, oplichting en oorspronkelijkheid, en andere vormen van dubbelspel. Het resultaat is een bloedeloos boek waarin de schrijver zijn personages als simpele pionnen naar voren schuift. De roman is in de verste verte geen kroniek over chronokleptomanie, geen thriller in de krochten van een bibliotheek of een mooi verhaal over dingenliefde en lijstenverslaving.

Ik had tijdig Paul Valéry’s credo — natuurlijk ook door Kurzweil geciteerd — ter harte moeten nemen: «onwetendheid is een sterk verwaarloosde schat». Het boek telt dan wel precies 360 bladzijden (goed zo, vertaler!) en de cirkel is dan helemaal rond, het zakhorloge waarnaar wordt gezocht gaat maar niet tikken.