Geschiedenis op klapstoeltjes

De legendarische beroepstentoonstellingsmaker Harald Szeemann realiseerde in Zürich een ambitieuze tentoonstelling in het kader van de honderdste verjaardag van de film. De cinema is inmiddels al weer een jaar ouder, maar het feest wordt hier en daar nog steeds gevierd.

Zo is Szeemanns filmshow op dit moment in Wenen te zien. Het is een bijzondere tentoonstelling en dat komt vooral doordat Szeemann niet werd gehinderd door veel kennis van of liefde voor film. Hij ontwierp een woud van kamertjes waarin op video fragmenten uit de filmgeschiedenis voorbij spoeden. Tientallen kamertjes met een paar ongemakkelijke stoeltjes waarin honderden uren film zijn te zien. Of eigenlijk niet zijn te zien natuurlijk. Het gaat kennelijk vooral om het idee dat de grote momenten uit de filmgeschiedenis op één plaats en tijd zijn samen te brengen.
Ieder kamertje heeft een programma van meerdere uren. Duidelijk is dat Szeemann geen moment het idee heeft gehad dat de soms unieke programma’s ook daadwerkelijk worden bekeken. Ze zijn er zoals boeken in een bibliotheek of kanalen op een televisie. Je zou er één uit kunnen kiezen, maar het komt meestal neer op bladeren of zappen. Neem de absurde kamertjes waarin de beroemde documentaire portretten van cineasten van André S. Labarthe zijn samengebracht. Een handvol kamertjes met in elk een programma van meer dan vijf uur. Lege kamertjes met onbezette ongemakkelijke houten klapstoeltjes. Szeemann heeft het lijk van de cinema nog een doodskus nagegeven.
Spaarzaam staat ook wat beeldende kunst opgesteld. Zo hangt er een icoon met Jezus aan het kruis buiten het kamertje waarin de surrealistische religieuze fantasieën van Bu±uel worden vertoond. Niet de origineelste vergelijking. Het aardigste object op de tentoonstelling vond ik dat van Joseph Beuys. Zoals trotse ouders kinderschoentjes kunnen laten verbronzen, zo liet Beuys de film Das Schweigen/ De Grote Stilte van Ingmar Bergman in een zinkbad dopen. De vijf verzinkte filmspoelen zijn het zwijgen opgelegd en liggen in een vitrine als Doornroosje in haar glazen doodskist. De film heeft een glanzende metalen huid gekregen en zal nog lang met veel respect worden bewaard, maar als film is hij niet meer te vertonen. Simpeler en veelzeggender kan de tentoonstelling van Szeemann - en eigenlijk ook de filmgeschiedenis op zich - niet worden samengevat.
Leuk vond ik ook de kleine kleisculpturen van Perter Fischli en David Weiss. Ongekleurde en ongebakken, nonchalant geknede anekdotische situaties die niet allemaal aan de film zijn ontleend, maar veel zeggen over de manier waarop belangrijke beelden uit de filmgeschiedenis zijn verstijfd. Zo'n mummificering zou een cinefiel boos of treurig kunnen maken, maar het valt vrolijke kunstenaars als Fischli en Weiss niet te verwijten dat de invloed van de cinema als internationale droomfabriek aan kracht heeft verloren.
En ook Szeemann is niet speciaal oneerbiedig tegenover de geschiedenis van de film. Alles maakt bij hem deel uit van een ‘totaaltentoonstellingsconcept’ en daaraan worden ook beroemde schilderijen opgeofferd. Niet alleen in Das Schweigen is Beuys aanwezig maar ook in Das Schweigen van Johann Heinrich Füsslli. Een William Blake-achtig schilderij dat de trots is van het Züricher Kunsthaus, is door Szeemann in het donker hoog boven een videomonitor gehangen. Het is aanwezig als een schim; louter een verwijzing naar een idee.
Overigens vond ik het gebouw waar een deel van de tentoonstelling was ondergebracht, nog het mooiste. Een reusachtig pakhuis dat door de negentiende-eeuwse architect Semper is gebouwd voor het opslaan van theaterdecors. Een imposant interieur met de allure van een kathedraal, met utilitaire gietijzeren kolommen en ruwhouten galerijen. Als het beeld van de filmgeschiedenis bespottelijk wordt, kun je altijd nog naast het scherm verder kijken.