Miljoenen Nepalezen zijn dakloos, de moesson nadert

Geschokt land

Nepal ligt in puin. Twee maanden na de aardbeving is van enige poging tot wederopbouw nog geen spoor. ‘In de nacht komen de ratten, en stelen ons voedsel.’

Medium nepal

Saroj Shakya zijgt neer op een stoepje naast een werkplaats in Kathmandu. Een tiental mannen is met hamers en kleine beitels aan het tikken op stukken metaal. Op platen ontstaan kunstige boeddha-afbeeldingen en geometrische versieringen. ‘Dit is mijn oude werkplaats’, zegt Saroj. ‘Ik mis het werk.’ Voor de aardbeving zat ook hij hier behoedzaam te hameren. ‘Aan de duurste beelden werkte ik een half jaar. Maar je moet zelf het metaal inkopen, en daarvoor heb ik nu geen geld meer. Het is allemaal opgegaan aan voedsel en water.’

Een argeloze toerist die van dit nijvere, authentieke tafereel een foto zou maken, zou niet beseffen welke ramp Nepal heeft getroffen. Totdat hij zich zou omdraaien en aan de overkant van de straat het gapende gat zag ter grote van een woonhuis van meerdere verdiepingen, met daarin een berg puin, midden in een rij gebouwen. De mensen hebben de brokstukken aan de kant gesleept. Van enige poging tot wederopbouw is geen spoor.

‘Dat kunnen wij niet zelf. Daar hebben we een overheid voor’, zegt Saroj. ‘Ministers zeggen in de media dat ze zo hun best doen, maar in onze wijk hebben we sinds de aardbeving niemand van de overheid gezien, behalve wat politieagenten.’

Er zitten vieze vegen op Sarojs kleding. Ik ontmoette hem bijna een week geleden. Nog steeds draagt hij dezelfde grauwe spijkerbroek en het van kleur verschoten blauwe shirt met opgenaaide letters die tezamen een opschrift vormen dat onleesbaar is door slijtage. Hij zat in de schaduw van de zeventiende-eeuwse Krishna-tempel op het Durbar-plein van Patan: het centrum van de oude stad waar de machthebbers van weleer hun paleizen bouwden. Met kunstig versierde tempels voor zowel Boeddha als de hindoegoden toonden ze de bevolking hun rijkdom. Saroj schoot naar voren toen hij me zag. Hij bood zich aan als gids. Ik vroeg hem om zijn overheidspasje: in Nepal mogen alleen mensen met een universitaire opleiding zich verhuren als toeristengids. Hij legde uit dat hij geen pas had en dat hij zich noodgedwongen als gids aanbood omdat hij door de aardbeving zijn baan had verloren.

Nepal doet zijn best. Er mag al wekenlang weer geklommen worden en de unesco Werelderfgoed-gebouwen zijn inmiddels vrijgegeven voor toeristische bezoeken. Het land heeft deviezen nodig om de economie van de arme bergstaat, waarin naast landbouwproducten bijna alles moet worden ingevoerd, draaiende te houden. Toeristen zijn er bijna twee maanden na de aardbeving echter nog nauwelijks.

In de vijf dagen vanaf mijn kennismaking met Saroj tot vandaag heeft hij geen enkele toerist rondgeleid. Zijn vrouw verdient ook bijna niets. Ze heeft een sieradenwinkeltje. ‘Haar klandizie bestond vooral uit toeristen. Ze verkoopt bijna niets’, vertelt Saroj. Laatst was er een diplomaat uit Zweden die wat zilver kocht voor thuis. Dat geld is opgegaan aan het afbetalen van een schuld bij een agressieve metaalleverancier van Saroj, uit zijn beeldhouwerstijd. ‘We moeten het van het buitenland hebben. Nepalezen hebben geen geld meer voor luxe-aankopen. Omdat de overheid ons niet helpt, moeten we ons spaargeld inzetten voor eerste levensbehoeften. Ik heb van mijn eigen geld materiaal gekocht om mijn huis te stutten. Het is zwaar beschadigd door de eerste aardbeving.’

Ik huur hem in als journalistengids en vertaler. Hij voert ons door de nauwe straatjes van de negentiende-eeuwse woonwijken die rond het Durbar-plein zijn opgetrokken. Over de omstandigheden daar – hij woont er zelf – heeft hij veel meer kennis dan over de oude gebouwen op het Durbar Plein. Twee grote tempels zijn er volledig ingestort. De tempels daaromheen staan nog overeind, al hebben de meeste schade opgelopen. In de wijk achter het plein, waar Saroj woont, is nog veel meer kapot. Hij voert ons van het ene verwoeste gebouw naar het andere, en noemt de aantallen doden en gewonden die uit het puin werden gehaald. Als hij twijfelt, haalt hij de buren erbij. Einddoel van de macabere rondleiding is Sarojs eigen huis.

We passeren een kleine vrachtwagen die wordt volgeladen met huisraad. Mensen trekken weg uit de wijk. ‘Ze huren veiliger woningen aan de rand van de stad’, zegt Saroj. ‘De huizen hier zijn oud. Ze zijn vrijwel allemaal beschadigd.’

Sarojs woning ligt aan een klein binnenplaatsje van zo’n dertig vierkante meter. Aan alle zijden rijzen huizen van drie verdiepingen op. Alle gevels vertonen scheuren. In Sarojs gevel lopen ze van boven tot onder. Voorzichtig begeven we ons op de trap naar de eerste verdieping, waar Saroj en zijn vrouw vroeger sliepen. Het bed staat er nog, maar het matras is weg. Door een scheur in de lichtblauw geverfde muur valt een streep daglicht. ‘We zijn bang dat het huis zal instorten’, zegt Saroj.

Twee dagen eerder was er een naschok van 4,6 op de schaal van Richter. Vorige week zaterdag beleefde Nepal de driehonderdste naschok. Sindsdien zijn er weer enkele geweest. Het matras ligt nu in een souterrainachtige ruimte van het huis grenzend aan het binnenplaatsje. ‘We zijn hier alleen ’s nachts. Overdag zijn we op straat. De deur staat ’s nachts open zodat we weg kunnen rennen van de huizen als we een schok voelen.’ De ruimte is vies. Het stinkt er. ‘We kunnen hier eigenlijk niet wonen. Er is geen water, we kunnen niet koken en er is veel ongedierte. Ik ben vooral bang voor de ratten. Die komen ’s nachts. Ze stelen ons voedsel.’

‘We zijn bang dat ons huisraad ’s nachts gestolen wordt. We horen veel verhalen over beroving. De politie doet niets’

Het liefst zou hij in een tent slapen, want een instortende tent kan je niet doden. Hij kreeg er een van een hulporganisatie, maar hij gaf hem aan een gezin van wie het huis volledig was verwoest. ‘Zij hadden echt helemaal geen beschutting meer. En wij konden hem niet eens opzetten, daarvoor hebben we bij ons huis niet genoeg ruimte. Dat kan alleen op een veld hier twintig minuten lopen vandaan. Maar we zijn bang dat ons huisraad dan ’s nachts gestolen zal worden. We horen veel verhalen over beroving, en de politie doet niets.’

Hij leidt ons weg van zijn huis. Om de straat te bereiken, moeten we gebukt door een laag halletje van een meter of tien lang. Het voert door een half ingestort huis. Hier kun je goed zien waarom juist in oude huizen zoveel slachtoffers zijn gevallen. Het plafond van het halletje wordt gestut door dunne, horizontale balken. Als die het begeven, raak je bedolven onder een massieve massa puin. ‘Bij elke naschok rennen we door het halletje. Telkens bid ik dat de balken het houden.’

Te midden van de angst voor naschokken doemt nog een bedreiging op: de moesson is in aantocht, de regentijd die zo’n drie maanden duurt en gepaard gaat met slagregens. Op het hoogtepunt van de moesson regent het dagenlang. Door de aardbeving gingen zeshonderdduizend woonhuizen verloren, waardoor tussen de twee en drie miljoen van Nepals 24 miljoen inwoners op straat leven, vaak in zelfgemaakte tenten of tenten uitgedeeld door hulporganisaties.

Vooral in de dorpen is de nood hoog. In het zwaar getroffen Sankhu, tien kilometer buiten Kathmandu, zijn diverse hulporganisaties neergestreken die noodhulp verstrekken. Een Indiase organisatie bouwt noodonderkomens voor de moesson. Er wordt zelfs aandacht besteed aan traumaverwerking: door de voortdurende naschokken zijn veel mensen erg angstig.

Maar het bergdorp Nangarbari, net buiten de Vallei van Kathmandu en zo’n tachtig kilometer van Sankhu verwijderd, heeft nauwelijks hulp gehad. De mensen zijn druk doende met het bouwen van noodonderkomens. Meestal naast de puinhopen van hun vernietigde huis. Ze worden opgetrokken uit hout van ingestorte huizen en uit blinkend-nieuwe metalen golfplaten. Een vrouw heeft een doek voor haar gezicht gebonden. Ze brengt gehurkt een laag bruinige drab op de vloer aan. Een mengsel van koeienpoep en cement. De poep houdt ongedierte weg, zegt ze. ‘Nu kunnen we de moesson doorstaan’, vertelt een man met een verweerd gezicht. Met een beitel bewerkt hij een houten staander. ‘We krijgen van niemand hulp bij het bouwen. We hebben de golfplaten zelf moeten kopen, van ons laatste geld.’

Het enige theehuisje van het dorp is relatief ongeschonden door de aardbeving gekomen. Volgens de uitbaatster, een vrouw met gitzwart haar tot op de heupen, komt dat doordat het strak tegen de bergwand is gebouwd. ‘De berg heeft ons gered’, zegt ze.

Het theehuisje heeft één tafel waar alle gasten aan zitten. Een oudere heer in een grijze kurta met een groot montuur bril, vertelt dat een week na de aardbeving buitenlandse hulpverleners in het dorp kwamen. ‘We hebben dekens en tentzeilen van ze gekregen en rijst. Maar na een week trokken ze verder de bergen in. We hebben ze gevraagd ons te helpen met het bouwen van tijdelijke onderkomens. We hadden zelf al hout verzameld uit het puin. “Dat moet jullie eigen overheid doen, want wij hebben daar de middelen niet voor”, zeiden ze. We hebben ze niet meer gezien.’

In de wijk Chuchepatti aan de rand van Kathmandu staan op een groot veld zo’n achthonderd geïmproviseerde tenten, gemaakt van stukken plastic, kort na de aardbeving uitgedeeld door hulporganisaties. Hier leven ruim vierduizend mensen. Ze zijn kansloos als de moesson, naar verwachting over een week, losbarst.

‘We zullen ziek worden. Het wordt hier heel vies’, zegt een oude vrouw die in de vroege ochtend voor haar tent zit. ‘We hebben maar twee toiletgebouwtjes. Mensen plassen tussen de tenten.’ Haar verhaal heeft dezelfde strekking als dat van andere tentbewoners die we spreken over hoe ze hier terecht zijn gekomen. ‘We komen uit een dorp in het district Ghorka en zijn tien jaar geleden naar Kathmandu gekomen. Mijn man werkt hier als privé-chauffeur. We huurden een ruimte, maar de eigenaar heeft ons op straat gezet. Hij is vertrokken naar een veiliger huis. We kunnen niet terug naar ons dorp. Daar is bijna alles verwoest. En waarvan zouden we moeten leven? Mijn man kan er geen werk krijgen.’ Haar dochter van 14 is bezig met haar huiswerk. ‘Wiskunde’, zegt ze met een schorre stem. Ze heeft kou gevat. ’s Nachts koelt het flink af. Afgelopen nacht vielen enkele zwakke regenbuien, voorbodes van de moesson. ‘Onze tent is lek en tochtig’, fluistert ze.

In Patan tuurt Saroj omhoog langs zijn gescheurde gevel. Hij beseft dat hij en zijn vrouw groot risico lopen als er weer een naschok komt met een kracht van ruim 7. Bij een naschok van 7,3 zeventien dagen na de eerste beving vielen 112 doden en bijna drieduizend gewonden. Sommige gebouwen, beschadigd bij de eerste schok, stortten alsnog in. ‘Het huis met onze spulletjes is het enige wat we hebben. We hebben geen geld om een veiliger woning te huren. De moesson nadert. We zijn bang, maar we kunnen niet weg.’


Beeld: (1) Kathmandu. Nepal onderging al meer dan driehonderd naschokken (ISHARA S. KODIKARA / AFP / ANP)