Na vlucht MH17 - De Poetin-doctrine: een groot Rusland

Geschreven in bloed

In de Russische media wordt de ramp met de MH17 toegeschreven aan de regering van Oekraïne. Dit klinkt als de vertrouwde sovjetpropaganda. Volgens de historicus Marc Jansen wil Poetin uitbreken uit een te kleine Russische wereld.

Medium oekraine rtr3zilq

Bestaat er zoiets als een ‘Poetin-doctrine’? Ja, zegt Rusland-kenner Timothy Garton Ash, en die doctrine belooft weinig goeds voor de stabiliteit en vrede in Europa. De tragedie met vlucht MH17 is daarvan het zichtbare, morbide resultaat.

De doctrine van Brezjnev, na Stalin de langst zittende sovjetdictator, hield in de praktijk een gewelddadig en militaristisch imperialisme in, onder het mom van ‘broederlijke hulp’ aan de landen in de Russische invloedssfeer. Onder Gorbatsjov trad ontspanning in. Voor zover zijn handelen berustte op een geopolitiek beginsel, was dat afgedwongen door de nood van de stagnatie in de Sovjet-Unie. Die langdurige economische teruggang maakte de semi-bezetting van de Oostbloklanden te begrotelijk om vol te houden. Vrij naar Fleetwood Mac kwam de houding die Gorbatsjov innam tegenover de satellietstaten neer op: Go your own way. Oekraïne besloot daartoe op 1 december 1991, toen de bevolking in overgrote meerderheid in een referendum de eenzijdig geproclameerde onafhankelijkheid onderschreef.

De Poetin-doctrine daarentegen is weer inherent gewelddadig, meent Garton Ash, historicus en hoogleraar in Oxford. Kortweg houdt zij volgens hem in dat Poetin de Russen die sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 aan de andere kant van de grens wonen wil terugbrengen in het moederland, desnoods door die grens te verleggen. Poetin zelf vervult de rol van degene die bepaalt wie Russen zijn, waarbij opvalt dat hij deze kring steeds wijder trekt. Over de dreigende gevolgen van die Poetin-doctrine schrijft Garton Ash in The New York Times: ‘Het is moeilijk te overschatten hoezeer zij een bedreiging vormt, niet alleen voor de Oost-Europese en Europees-Aziatische buurlanden van Rusland maar ook voor de internationale orde die zich na 1945 heeft gevormd.’ Ook Carl Bildt, de Zweedse minister van Buitenlandse Zaken, zegt openlijk dat de stabiliteit en vrede in Europa op het spel staan.

De Amsterdamse historicus Marc Jansen deelt Ash’ analyse, met inbegrip van diens alarmerende conclusie over de geopolitieke gevolgen. Jansen is auteur van het recent verschenen Grensland, waarin hij de gecompliceerde geschiedenis van Oekraïne uiteenzet als ‘schokzone’ tussen Oost en West, een multi-etnische trefplaats van volkeren, culturen en religies. Als Rusland-kenner is hij ook verantwoordelijk voor de actualisering van het standaardwerk van zijn leermeester Jan Willem Bezemer (1921-2000), Een geschiedenis van Rusland: Van Rurik tot Poetin.

Jansen: ‘Je kunt wel zeggen dat Poetin de politiek die Garton Ash analyseert altijd in zijn kop heeft gehad, ook al gebruiken we nu pas de term “doctrine”. Vóór het conflict over Oekraïne namen we dat woord nog niet in de mond, ook omdat Poetins geopolitieke doelen niet helemaal helder waren. Aan de ene kant noemde hij het uiteenvallen van de Sovjet-Unie een catastrofe. Dat duidt op imperiale aspiraties. Aan de andere kant zei hij over de nostalgie naar de Unie dat je weliswaar geen hart had als je die niet koesterde, maar geen hersens als je daaraan toegaf. Tot 2013 wekte hij de indruk er niet direct op uit te zijn om stukken land te veroveren, hoewel hij in de oude sovjetsfeer wel invloed wilde behouden. Dat heeft hij in 2008 met dat militaire ingrijpen in Georgië nog laten zien. Met de annexatie van de Krim in maart heeft hij de bakens verzet. Nu weten we dat hij voor het heroveren van land niet terugschrikt.’

Jansen onderstreept dat de Poetin-doctrine niet alleen onder zijn getrouwen in het Kremlin op aanhang kan rekenen. Ook in intellectuele kring leeft de gedachte dat de Roesski mir, de ‘Russische wereld’, recht heeft op meer land. ‘Je ziet dat imperiale denken ook bij historici, filosofen, schrijvers. Niet in de laatste plaats bij Aleksandr Solzjenitsyn. Om het verlies van de Kaukasus en de Aziatische republieken liet hij na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 geen traan. Dat deed hem niet veel. Hij sprak wél zijn misprijzen uit over breuken in de Slavische natie. Hij pleitte voor het behoud van een Slavische Unie, met daarin in ieder geval Rusland, Oekraïne, Wit-Rusland, Noord-Kazachstan.’

Nadien breidde Poetin het rijtje landen waarin Rusland volgens hem bescherming moet bieden aan ‘Russen’ verder uit. ‘De aanwezigheid van Georgië in dat rijtje komt op Poetins conto. Daar ging het om Russische staatsburgers, niet om etnische Russen. Onlangs heeft hij gezegd dat de Russische plicht tot bescherming ook mensen in de Roesski mir betreft. Dat hoeven niet eens Russen te zijn, staatsburgers noch etnische Russen. Hij doelt dan op mensen die zich thuis voelen in de Russische cultuur. Daarmee trekt hij de kring weer ruimer, door bijvoorbeeld Oekraïners die Russisch spreken erbij te betrekken, of mensen in landen in de post-sovjetwereld waarin Russisch lange tijd de belangrijkste taal was, zoals Kazachstan en de Baltische staten.’

‘Je ziet het imperiale denken ook bij historici, filosofen, schrijvers. Niet in de laatste plaats bij Aleksandr Solzjenitsyn’

Garton Ash schrijft dat de Poetin-doctrine een ‘ideologie van ressentiment’ is die wordt ‘geschreven in bloed’. Het Poetin-regime heeft eerst met intimidatie en geweld de Krim geannexeerd en stimuleert nu, soms heimelijk, soms openlijk, het gewelddadige oproer in Oost-Oekraïne, met de raket op de MH17 als gevolg. In 1994 kreeg de Britse historicus voor het eerst een indruk van Poetins visie op de wereld. Drie jaar na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie ontvouwde Poetin, na zijn loopbaan bij de kgb toen medewerker van de burgemeester van Sint-Petersburg, een bijna negentiende-eeuwse visie op een Russische natie die wordt gevormd door Russisch sprekenden, ook buiten de landsgrenzen. Het lot van deze mensen ging Rusland ter harte, zei hij, en daarom diende de wereld respect op te brengen voor de bescherming die de Russische staat deze natie wil bieden.

Garton Ash is de eerste om te waken voor inlegkunde over uitspraken van twintig jaar oud, schrijft hij, maar in het licht van de oorlogstoestand in Oekraïne krijgen Poetins woorden uit 1994 een omineuze betekenis. In zijn boek Grensland wijst Jansen op uitspraken van Poetin waaruit blijkt dat Rusland Oost-Oekraïne als een soort uitgeleend territorium beschouwt. ‘Je begrijpt toch, George, dat Oekraïne niet eens een staat is?’ zei Poetin in 2008 in de marge van een Navo-bijeenkomst, waar hij te gast was, tegen zijn Amerikaanse ambtgenoot George Bush. Mocht Oekraïne zich aansluiten bij de Navo, zo gaf Poetin dreigend te kennen, dan zou dat het land ook in letterlijke zin opbreken, mede doordat Rusland de Krim en Oost-Oekraïne zou aanmoedigen zich af te scheiden.

Op de bijeenkomst waaruit Garton Ash citeert sprak Poetin van ‘25 miljoen’ Russen die buiten Rusland wonen en wier lot de verantwoordelijkheid van Rusland is. Jansen: ‘Dat getal wordt in Rusland vaak genoemd. Dan gaat het om Russen in Noord-Kazachstan, Oekraïne, Wit-Rusland, de Baltische landen. Het is een riskante ondermijning van het statensysteem, dit irredentisme van Rusland, de overtuiging dat het recht heeft op gebieden buiten zijn grenzen waar een deel van de bevolking tot dezelfde natie behoort, met alle mogelijke gevolgen van dien voor de vrede. De naoorlogse orde in Europa is gebaseerd op de onaantastbaarheid van grenzen, een principe dat nog eens is bekrachtigd in de Helsinki-akkoorden die het Oostblok en het Westen in 1975 sloten. Als het onontkoombaar blijkt dat een land uiteenvalt, zoals gebeurde met Tsjechoslowakije, Joegoslavië en de Sovjet-Unie zelf, is het nog te accepteren dat staatsgrenzen veranderen. Maar het wordt anders als dat het gevolg is van een bewust imperiale daad, een interventie van het ene land in het andere, zoals Rusland in de Krim op zijn geweten heeft. Dat is een handeling die het systeem van staten in Europa ondermijnt. Ik hoef er, lijkt mij, niet op te wijzen hoe gevaarlijk deze weg is.’

De vraag hoe het Westen moet reageren op de oorlogstoestand die de Poetin-doctrine oproept is des te complexer door de irrationaliteit in de motieven van het Kremlin. Maxim Trudolyubov, chef opinie van de Russische krant Vedomosti, beschrijft in The New York Times hoe de antiwesterse retoriek van het Kremlin wordt gevoed door vervlogen hoop, teleurstelling en frustraties over de desintegratie van de Sovjet-Unie in 1991 en de halfslachtige pogingen tot modernisering sindsdien. Het Russische establishment is vervuld geraakt van achterdocht en weerzin jegens de westerse economische en democratische instituties, schrijft hij. Ook volgens Eduard Ponarin, hoogleraar sociologie in Sint-Petersburg, schuilt de bron van deze antipathie in de desillusies van de Russische elite over de mislukking van de modernisering naar westerse snit. Een gevolg is dat de staatsgezinde media in Rusland weer de oud-communistische retoriek bezigen. Zo presenteren zij de Oekraïense regering consequent als ‘een fascistische junta, gemanipuleerd door het Westen’.

Jansen: ‘De propaganda in de staatsgezinde media heeft vanaf het moment dat het conflict over Oekraïne begon weer de vertrouwde gedaante uit de sovjettijd aangenomen. Mensen worden stelselmatig verkeerd ingelicht, over de situatie in Oekraïne en ook over de rest van de wereld. De desinformatie treft zelfs de catastrofe met de MH17. Als deze al niet totaal wordt doodgezwegen, wordt ervan gezegd dat zij het gevolg is van de politiek van de regering in Kiev.’

In de beoordeling van Poetins handelwijze moet volgens Jansen niet onderschat worden hoe zwaar voor de Russische president de idee telt dat Rusland is omsingeld. De aansluiting van voormalige Oostbloklanden bij de Navo en de Europese Unie heeft hem in die overtuiging gesterkt. ‘Als oud-kgb’er weet hij zeker dat Rusland is ingesloten door vijanden. Evenmin moet onderschat worden hoezeer Poetin zich van binnenuit bedreigd voelt, door die oranje revoluties rond 2003, 2004, eerst in Georgië, later in Oekraïne en Kirgizië. Ook in eigen land wordt hij sinds 2011 geconfronteerd met een sterke oppositie. Dat gaat gelijk op met de stagnatie, zelfs het stilvallen van de economische groei die hem in de vroegere jaren van zijn bewind nog zo van pas kwam om de Russen perspectief op een beter leven te bieden. Als die stagnatie voortduurt en ook de politieke onrust de kop blijft opsteken, zal hij daarin een bedreiging van zijn positie zien, mogelijk zelfs het risico op een oranjerevolutie in Rusland zelf.’

Niettemin verwerpt Jansen de kritiek dat de Navo de Russische omsingelingsvrees nodeloos heeft gevoed door de voormalige Oostbloklanden in de gelederen op te nemen. In het geopolitieke debat over de nasleep van het neerhalen van vlucht MH17 moet onder ogen worden gezien dat de aansluiting van deze landen bij het Atlantisch pact wellicht meer Russisch geweld heeft voorkomen. Navo-landen genieten de bescherming van artikel 5 van het verdrag. Dat bepaalt dat de Navo een aanval op een lidstaat onherroepelijk zal beschouwen als een aanval op het bondgenootschap als geheel. Het moet niet worden uitgesloten dat Poetin zich door de dreiging van een conflict met de Navo heeft laten weerhouden van verstorende acties en interventies in de Baltische landen of voormalige Oostblokstaten.

‘Zwaardere sancties tegen Rusland zullen ook gevolgen hebben voor de Nederlandse economie, daar ontkom je niet aan’

Jansen: ‘Er wordt vaak gezegd dat de Navo de Russische pogingen om te integreren in de internationale gemeenschap ten onrechte heeft beantwoord met een uitbreiding van het bondgenootschap. Ik wil niet zeggen dat daarover geen frustraties aan Russische zijde bestaan, integendeel, maar gerechtvaardigd zijn die niet. Ik hang het idee aan dat de voormalige Oostbloklanden die zich bij Navo hebben aangesloten deze wens zelf koesterden en het recht hadden om die vervuld te krijgen.’

Naast de wil om terug te keren naar Europa, speelt de dreiging die de burgers van die landen nog steeds van Rusland ervaren volgens Jansen een rol. ‘Polen is daarvan het duidelijkste voorbeeld. In de negentiende eeuw heeft Polen als land zelfs niet bestaan doordat het was opgedeeld, onder meer door Rusland. Het Molotov-Ribbentrop Pact in 1939 wordt wel de vierde Poolse deling genoemd, nadat ook de Habsburgers en de Pruisen zich aan Polen hadden vergrepen. Na de Tweede Wereldoorlog heeft Duitsland vierkant afstand genomen van deze imperiale politiek, in tegenstelling tot Rusland, die dat nog altijd niet onomwonden gedaan heeft. Nog steeds sluimert daar die wens tot uitbreiding, niet alleen van invloedssfeer maar ook van territorium. Dat is bedreigend voor gebieden waarop Rusland het oog heeft laten vallen, zoals Oost-Oekraïne, maar ook voor de Baltische landen, die daarom terecht het Navo-lidmaatschap ambieerden.’

Jansen keert zich ook tegen critici die menen dat de Europese Unie een grotere terughoudendheid had moeten betrachten in haar toenadering tot Oekraïne. ‘Zij vinden dat de EU aan geopolitiek doet en bewust probeert Oekraïne in haar invloedssfeer te trekken. Naar mijn oordeel is de toenadering tot de EU toch vooral ingegeven door de wens van Oekraïne zelf. Zelfs Viktor Janoekovitsj, de president die door het parlement werd afgezet na de gewelddadige onderdrukking van demonstraties vóór de EU, zei tot de zomer van 2013 tegen EU-leiders dat hij het associatieverdrag met de Unie wilde tekenen. Hij veranderde van opvatting toen Rusland hem onder druk zette. De bevolking van Oekraïne was in het verleden altijd vrij positief over Rusland, nu niet meer. Inmiddels zou zo’n zestig procent anti-Russisch zijn, als de peilingen kloppen. Ook zelf heb ik de indruk dat de Russen scherp in de gunst zijn gedaald. Ik was er in september 2013 en in mei jongstleden en ik proefde die stemmingsomslag. Het zou me niet verbazen als het neerhalen van de MH17 die tendens heeft versterkt.’

De Britse premier David Cameron stelt onomwonden dat Moskou verantwoordelijk is voor de catastrofe: ‘This is an outrage made in Moscow.’ In The Financial Times schreef hij dat Europa zijn houding tegenover Rusland fundamenteel moet veranderen, gezien het gestook van Moskou in Oekraïne. ‘Te lang hebben veel Europese landen zich terughoudend opgesteld om onder ogen te zien wat er gebeurt in Oost-Oekraïne. Elegante woorden en mooie verklaringen zijn geen vervanging van echte actie.’ Cameron doelt niet op militair ingrijpen, wel op minder schroom voor economische sancties tegen Rusland uit vrees voor schade aan de eigen economie.

De terughoudendheid van Mark Rutte in zijn reactie tot dusver heeft zonder twijfel mede te maken met de Nederlandse economische belangen in Rusland, meent Jansen: ‘Die belangen zijn ook groot. De Gasunie heeft allerlei connecties met het Russische staatsgasbedrijf Gazprom, wat mede de verklaring is voor de machtige energielobby in Nederland. Ook de Nederlandse regering heeft belangen bij de gasverbindingen met Rusland. Nederland wil de gasrotonde van Europa zijn, de plek waar het Russische gas over de rest van West-Europa wordt verdeeld. Nederland drijft bovendien veel handel met Rusland. Hoe dan ook zullen zwaardere sancties ook voor de Nederlandse economie gevolgen hebben, net in een tijd waarin zij opkrabbelt. Daar ontkom je niet aan.’

Jansen herinnert aan het bezoek van de hoogste man van Shell aan Rusland, enkele maanden geleden. ‘Ben van Beurden maakte bij wijze van spreken een knieval voor Poetin. Bij hem was overduidelijk hoezeer Shell hecht aan zijn zakenbelangen in Rusland. Dat geldt waarschijnlijk ook voor de wat minder geprononceerde lobby’s. Voor de hele EU is het probleem met het treffen van sancties dat de unie en Rusland economisch van elkaar afhankelijk zijn. Na annexatie van de Krim is wel gebleken hoezeer dat de EU belemmert in de beantwoording van de bedreiging die van de Poetin-doctrine uitgaat. Wat moet de EU? Ze kan moeilijk met oorlog gaan dreigen. Dat zou de principes waarop de naoorlogse orde rust nog veel verder ondergraven. Zo is de Eerste Wereldoorlog ooit begonnen.’

In zijn opiniestuk in The New York Times beschreef de journalist Maxim Trudolyubov Rusland als een land met een laag onderling vertrouwen, een hoge graad van onzekerheid en een nauwelijks functionerende rechtsstaat. ‘Cynisch pragmatisme bepaalt de orde van de dag’, schreef hij.

Jansen: ‘De bevolking heeft weinig tot geen vertrouwen in de instituties. In het geval van de Russische rechtsstaat is dat volslagen terecht. De partij die het meest betaalt of over de meeste macht beschikt trekt aan het langste eind. Als kleine man ben je machteloos tegenover dat apparaat en evenzeer tegenover politieke instituties. Onmiskenbaar hebben deze de afgelopen tien jaar de welvaart bevorderd, maar wee je gebeente als je met ze in conflict komt. Dan zullen ze hun eigen belangen altijd boven de belangen van de gewone burgers laten gaan, soms op gruwelijke wijze. Denk aan de gijzelingsactie door Tsjetsjeense terroristen van die school in Beslan, in 2004. Daar is wel gebleken dat bij het oprollen van zo’n terroristische bende de belangen van de burgers de sluitpost zijn. De Russische veiligheidsdienst schoot met het grootste gemak gegijzelde mensen neer. Het gevolg: 334 doden, onder wie 186 kinderen. Er zijn meer van dat soort incidenten waaruit een stelselmatige onachtzaamheid tegenover mensenlevens blijkt.’

Mede daarom maakt de omslag in de Russische welvaart de daden van het regime van Poetin zo ongewis, meent Jansen. ‘Poetins populariteit in Rusland was mede te danken aan het perspectief dat de mensen kregen. Hun leven ging erop vooruit en het werd waarschijnlijk nog wat beter. Dat komt dan ten einde. Er wordt wel gezegd dat dan een kleine oorlog met een overwinning aan het einde nuttig is om de populariteit van het regime weer op te krikken. In dat geval wordt de Poetin-doctrine inderdaad geschreven in bloed.’


Beeld: een pro-Russische separatist houdt journalisten tegen op de plek waar de MH17 is neergestort in Oekraïne, 21 juli. Maxim Zmeyev / Reuters