Geslacht

Geslacht

Angela Merkel heeft de Duitse verkiezingen gewonnen en verloren tegelijk. Op die uitslag zal het opinieartikel dat eurocommissaris Neelie Kroes vorige week in Trouw publiceerde weinig invloed hebben gehad. Maar haar ontboezeming biedt wel een onthullende inkijk in het denken over vrouwen (en mannen) dat deze politica heeft omarmd. Het is alsof de ideologie van de jaren zeventig onderhuids is blijven doorzeuren en op deze onverwachte plek plotseling weer aan de oppervlakte treedt.

Onvervaard spreekt Kroes over het vrouwelijke surplus aan «gevoel voor communicatie» en «openheid», alsof de praktijk deze illusies inmiddels niet danig had ontnuchterd. Het minste wat men kan zeggen is dat haar timing weinig gelukkig was. Haar artikel viel vrijwel samen met een van de grootste juridische schandalen uit de recente Nederlandse geschiedenis, dat voornamelijk veroorzaakt bleek door de «tunnelvisie» en het gebrek aan communicatie van twee vrouwelijke eerstverantwoordelijken.

Ongetwijfeld was dat toeval, al ging het indertijd bij de Dutroux-affaire precies zo. Hoe dan ook had Kroes haar lezers ook zelf nog maar enkele dagen daarvoor hardhandig uit de droom geholpen. Haar dreigbrief jegens de Nederlandse woningbouw corporaties zal op weinig huurders zijn overgekomen als een toonbeeld van communicatieve vaardigheid en haar optreden voor de Nederlandse media maakte dat alleen maar erger.

Met een variant op een kwinkslag uit diezelfde jaren zeventig zou je van harte willen geloven in het vrouwelijk vermogen tot openheid en overleg, maar je tegelijk vertwijfeld moeten afvragen of die vrouwen daar zelf ook weet van hebben. Met enige regelmaat verschijnen rapporten die deze deugden bevestigen, steevast geschreven in opdracht van organisaties die daarvan toch al overtuigd waren. Persoonlijke ervaring wijst inmiddels anders uit. Onder goede én slechte leidinggevenden steken mannen en vrouwen elkaar naar de kroon en blijkt het persoonlijke karakter doorslaggevender dan de geslachtelijke statistiek.

Het is alleen maar toe te juichen dat onder vrouwen de bereidheid toeneemt naast de lusten ook de lasten van de leidinggevende functie en het publieke ambt te dragen. Dat velen daarvoor (net als steeds meer mannen) terugschrikken, is maar al te begrijpelijk – en verklaart veel van de effecten van het «glazen plafond». De mythe dat vrouwen strenger beoordeeld zouden worden dan mannen heb ik nog nooit bevestigd gezien, wél de gotspe die wil dat vrouwen hun misgrepen vergeven moeten worden omdat mannen er in de geschiedenis ook zoveel begaan hebben. Cees B. zal blij zijn dat te horen.

Hachelijk wordt het dan ook wanneer de selectie van kandidaten wordt overschaduwd door de mythe van de vrouwelijke superioriteit, die kennelijk geen kwestie van karakter is maar van biologie. In werkelijkheid is ze een literair topos dat wortelt in de minnepoëzie van de laatmiddeleeuwse troubadours en de bijbehorende Maria-verering. En wanneer een dichterlijke gemeenplaats politiek wordt, gebeuren er vreemde dingen. Dat is ook het geval in het pleidooi van Neelie Kroes.

Heeft zij zelf haar Brusselse benoeming immers niet te danken aan diezelfde troubadourslyriek? Een zwaardere aanwezigheid van vrouwen in het college van eurocommissarissen was een van de belangrijkste beleidsvoornemens die de voorzitter ervan, José Barroso, bij zijn aantreden formuleerde. Zo prominent werd dat naar voren geschoven en door het publieke debat opgezogen dat vrijwel niemand nog durfde vragen naar de hoofdlijnen van Barroso’s verdere politiek-economische plannen.

Daardoor ziet Europa zich nu opgescheept met een Europese Commissie die met haar consequent liberale inslag pijnlijk botst met het onbehagen van de burger over nóg meer arbeidsonzekerheid, flexibilisering, kapitalisering en sociale afbouw. Het past keurig in die lijn dat Neelie Kroes, bijna de verpersoonlijking van deze politiek, haar steun uitspreekt aan een Duitse kanselierskandidate die eenzelfde economische richting wil inslaan. Partijpolitieke overwegingen waren daarbij, volgens haar woordvoerder, «uiteraard» niet in het geding.

Opnieuw lijkt daarbij een travestie van slogans uit de jaren zeventig richtinggevend te zijn geweest. Wanneer het persoonlijke zo politiek wordt dat het geslacht een beslissende functie mag vervullen, verdwijnt het politieke met een meesterlijke goocheltruc in de mouw van de seksuele correctheid.

Scherp kwam dat tot uitdrukking op een reclameposter die kort voor de millenniumwende de Nederlandse kiezer ertoe moest overreden bij het uitbrengen van zijn stem een vrouw aan te kruisen. Ter aanmoediging blikte een keur van vrouwelijke politici uit alle mogelijke partijen op de poster de voorbijganger aan. Onwillekeurig werd de vraag van het geslacht daarmee aan alle politieke verschillen ondergeschikt gemaakt. Ook toen was het de Europese Unie die deze campagne initieerde. De vraag op grond waarvan zij zich mocht bemoeien met de vrijheid van nationale partijen om hun eigen kandidatenranglijst op te stellen, bleef even duister als de vraag met welk recht Kroes zich uitsprak over de Duitse verkiezingen.

De aanwezigheid van een groeiend aantal vrouwen in politiek en bedrijfsleven, ook op hogere plaatsen, is een groot goed, dat het zou moeten kunnen stellen zonder hoofse mythen en illusies. Minder nog zou het mogen worden misbruikt voor een stilzwijgende depolitisering van het openbaar bestuur, die in werkelijkheid altijd de dekmantel is van een rechts-liberale agenda.