Gesneden koek

In elf brieven plus een postscriptum vertelt Mario Vargas Llosa een denkbeeldige aankomende romanschrijver wat een roman tot een goede roman maakt. Zelf is de Peruaan alweer vierenzestig, al zou je het hem innerlijk en uiterlijk niet geven. Hij heeft een bijzonder sterk romanoeuvre op zijn naam staan en geldt internationaal bovendien als een belangwekkend literatuurtheoreticus, met een natuurlijk gezag en afgewogen morele en esthetische oordelen.

Dat gezag kleeft hem ook aan in de essaybundel Aan een jonge romanschrijver. Ik zou niet weten waarover je het mogelijkerwijs met hem oneens zou kunnen zijn, hooguit met het uitgangspunt: dat een jonge schrijver voor de ontwikkeling van zijn eigen werk iets aan deze vorm van cultuuroverdracht zou hebben.
Die zou, dunkt me, zijn onschuld en onstuimigheid maar verliezen met analytische bespiegelingen over stijl, literaire autonomie en narratieve tijd of ruimte. In zijn hart moet Vargas Llosa het daarmee eens zijn; hij gewaagt op bladzijde 70 tenminste van de zinloosheid van definities ‘in de onvoorspelbare wereld van de literatuur’.
Dit boek is eerder bruikbaar voor het middelbaar en hoger literatuuronderwijs, voor onervaren leesclubleden of voor deelnemers aan schrijfcursussen die er romantische, al te weinig op vakkundigheid gebaseerde illusies op nahouden omtrent het schrijverschap. Het voldoet kortom uitstekend als leerboek voor de secundaire sector. De titel had dan ook beter kunnen luiden Aan een jonge romanlezer.
Intussen zijn het voorbeeldige basislessen in literatuurbeschouwing. Voorbijgaand aan het particuliere raakt Vargas Llosa aanhoudend het hart van waar het in de literatuur om gaat. Soms kan ook een beroepsbeschouwer er nog wat van opsteken, al was het maar omdat hij, Vargas Llosa lezende, even uit de waan van de dag treedt en enige theorie van niveau door zijn preoccupaties en emoties laat waaien.
Zo is er bij ons een discussie gaande over het al dan niet gewenste autobiografische gehalte in de serieuze roman - zie daarover Vargas Llosa in alle bondigheid: 'Een roman die niet emancipeert van zijn auteur en slechts een biografisch document is, is uiteraard mislukt.’ Zo goed heb ik het het afgelopen jaar nergens in de Nederlandse bladen of tijdschriften geformuleerd gezien.
Er is iets merkwaardigs aan de hand met Vargas Llosa, iets wat je in zijn hele werk ziet. Aan de ene kant is hij de redelijkste schrijver van Latijns Amerika: hij zal in zijn bespiegelingen nooit kreterig of suggestief worden en hij lijkt afkerig van een casual benaderingswijze, al laat goede essayistiek wel degelijk ruimte voor het irrationale en toevallige; hij is op het saaie af onkreukbaar en wat hij zegt of schrijft smaakt nogal eens te veel naar gesneden koek, zoals hier.
Daar staat tegenover dat juist hij het schrijven bij voorkeur kenschetst als het uitdrijven van demonen. Het is zijn stokpaardje, door hem bereden in al zijn theoretische werken en interviews; het zijn, zegt hij ook hier, de demonen die de schrijver drijven en die zijn schrijverschap urgent maken. Maar waar zijn die demonen in zijn essayistiek? De conclusie moet zijn dat voor Vargas Llosa als essayist de rede de demon is waardoor hij wordt gedreven.