De megastad 5: Istanbul

Gespleten parel

Istanbul verdubbelde zijn inwonertal in twintig jaar tijd tot vijftien miljoen. De oude stad wordt steeds meer een centrum van financiën, toerisme en luxe woningen. Zelfs de modale Turk moet verkassen naar flats aan de rand van de stad.

Medium istanbul

Het gezicht van de gekke vrouw is zo geel als een kweepeer. Ze ligt op de bank voor zich uit te staren en merkt niet dat er bezoek is. Haar grijze haren hebben een spoor van vet achtergelaten op het kussen. De vloer van de kamer is voor de helft bedekt met een versleten tapijt. Haar man Haydar, een 47-jarige schoenen­poetser, wijst zonder enige gêne in de richting van zijn broze echtgenote en meldt: ‘Die verdomde vrouw daar, zij is de oorzaak van al onze ellende. We hadden het prima, twintig jaar geleden in ons dorp in Sivas. Omdat iedereen uit het dorp trok, moesten we van haar ook naar de stad. God weet hoe ik me heb verzet. Maar ze werd ziek. Het huis veranderde in een hel door haar gezeur. Uiteindelijk heb ik mijn vee, mijn huis en mijn grond verkocht. We gingen in Istanbul wonen. Volgens haar zou ik gemakkelijk een baan vinden. Na een paar jaar raakte het geld op. Ik kon niet anders dan schoenen poetsen. Zo nu en dan hebben mijn zonen baantjes in restaurants. Sinds drie jaar is zij gek. Ze is een tijd onder behandeling geweest, maar dat kunnen we niet meer betalen. Soms zie ik in kranten dat echtgenoten hun vrouwen hebben vermoord. Nou, daar heb ik alle begrip voor.’

De ‘gekke’ vrouw schiet vol, draait haar rug om naar de muur waarvan de verf loslaat en sluit zich van de wereld af. Zij heeft haar dochter en drie zonen naar de grote stad weten te brengen en zal misschien in rust sterven. De stad ziet ze zelf nooit omdat ze geen stap buiten dit vochtige, stinkende huis meer zet.

Wat de mooie, blauwogige, blonde westerse vrouw is voor de gastarbeiderszonen, dat is Istanbul voor haar eigen migranten: een ongrijpbare schoonheid, een idyllische droom, het ultieme geluk dat niet aan jou besteed is. Haar mooie vruchten zijn om te aanschouwen en niet om er als een hongerig roofdier de tanden in te zetten. Istanbul telt vijftien miljoen zielen, maar slechts een klein deel daarvan mag het hoofd leggen op de nog altijd mooie boezem van de stad.

De schoenenpoetser heeft het ontbijt, dat bestaat uit wit brood, vergeelde fetakaas, allerminst vlezige olijven en thee met veel suiker achter de kiezen en verlaat het vertrek om de strijd aan te gaan met de stad.

‘Heb je geen spijt van je woorden van daarnet? Je hebt het hart gebroken van de arme vrouw’, vraag ik.

Hij brengt een resoluut ‘nee’ uit.

We nemen een busje naar een buurt met potentiële klanten. Sinds hun trek naar de stad is Istanbul twee keer zo groot geworden. De vijftien miljoen bewoners zorgen voor een helse drukte aan weerszijden van de Bosporus. Het is heet vandaag, het busje heeft uiteraard geen airco. Voor Haydar geen fictie, hij moet hier zien te overleven. In een stad die niet zomaar een stad is. Haydar leeft in Istanbul, de stad waar werkelijk iedereen van houdt. De migranten die met miljoenen tegelijk zijn gekomen en hebben geleden, de sultans die met de pijn van de dood van hun zonen ter aarde zijn besteld, de zonen van de sultans die vanwege de strijd om de troon in de donkerste kamers van het paleis zijn gewurgd, de idiote Ahmet Celebi die hoopte met behulp van twee miezerige vleugels aan zijn armen vanaf de Galata-toren naar de overkant van de Bosporus te kunnen vliegen en dood neerviel, de gecastreerde negers in de harems, de Griekse patriarch die voor de deur van zijn kerk werd opgehangen, de Armeense sjouwers die gedeporteerd werden, de Koerden die gediscrimineerd worden. En ja, zelfs Haydar de schoenenpoetser houdt van de stad.

Als we langs de kust lopen en het paleis Dolmabahce zich openbaart, vertelt hij: ‘Atatürk was een groot man. Hij heeft er goed aan gedaan om Ankara uit te roepen tot de nieuwe hoofdstad. Zijn fout was dat hij Istanbul niet van de kaart heeft geveegd.’

Ja, Haydar moet wel van Istanbul houden. Alleen een diepe, verborgen liefde kan zoveel haat verklaren. Atatürk, de man die een nieuw land uit de grond stampte, heeft Istanbul ook gehaat. Het was deze stad die met al haar schoonheid met de vijand heulde. Istanbul was tevens de stad die hem de hoogste rang als generaal niet gunde. Hier keek men neer op de vaderloze jongen van wie de moeder was hertrouwd. Atatürk haalde zijn gram vanuit Ankara, liet Istanbul links liggen en bouwde in het hart van Klein-Azië zijn eigen paleis. Eindelijk een plek waar hij nimmer heimwee zou hebben naar de stad die niet van hem had gehouden. Maar Istanbul liet hem niet rusten. De stad riep hem terug. Enkele jaren voor zijn dood werden ze uiteindelijk herenigd. Hij betrok het Dolmahahce-paleis en blies zijn laatste adem uit in de harteloze schoonheid waar je wanhopig verknocht aan raakt.

Haydar stalt zijn spullen uit onder een boom. Hij houdt de schoenen van voorbijgangers in de gaten die kleur kunnen gebruiken. Terwijl het water van de Bosporus schittert, vertelt Haydar: ‘Elke dag doe ik er minstens een uur over om thuis te komen. Deze maand is het nog rustig omdat de scholen dicht zijn. Vanaf september gaat het weer beginnen. Een mens kan er niet tegen. Alsof dit nog niet genoeg is, willen ze ons naar plekken verbannen die eigenlijk geen Istanbul meer genoemd kunnen worden. Wat een beetje in de buurt van het centrum ligt, komt langzaam in de handen van de rijken. Kijk naar alle wolkenkrabbers, twee jaar geleden stonden ze er niet. Er is geen plek meer voor ons. We moeten weg, we zijn niet gewenst hier. Ik hoorde dat de plannen voor het vernieuwen van onze wijk al klaarliggen. Ons doodvonnis is daarmee getekend.’

Het was begin jaren vijftig toen de eerste plattelanders van Anatolië Istanbul begonnen te ontdekken als ‘de stad met de grond en het steen van goud’. De industrialisering deed pas toen haar intrede in Turkije en de fabrieken die de lucht en de mooie beekjes begonnen te vervuilen stonden in de grootste stad van het land. De communistische dichter Nazim Hikmet lag in Istanbul, dat toen nog klein en schattig was, onder een walnotenboom en krabbelde in zijn schrift:

Mijn hoofd schuimend naar de wolken, binnen in mij en buiten mij de zee

Ik ben een walnotenboom in het Gulhanepark

Een oude walnotenboom, knot bij knot

Noch jij noch de politie heeft dat in de gaten

De dichter maakte alleen de eerste golf van de grote migratie mee en kon ervaren dat de boeren in arbeiders veranderden. Hij zag de arbeidersklasse in de stad ontstaan en wist zeker dat dit proletariaat het communisme naar zijn land zou brengen. Hikmets ideeën waren te gevaarlijk voor de machthebbers. Hij had al twaalf jaar in de gevangenis gezeten en toen hij ook nog eens in militaire dienst moest, vluchtte hij naar de Sovjet-Unie. Terwijl hij zijn laatste jaren in het ‘paradijs van de arbeiders’ doorbracht, schreef hij gedichten vol heimwee naar Istanbul.

Terwijl hij dat deed, liep Anatolië nog meer leeg om een plekje te bemachtigen in de stad van de mogelijkheden. Zonder enige stads­planning veroverden de miljoenen armen een eigen plek in de slums. Niet alleen de industrie zat in Istanbul, maar ook de universiteiten waren er, de banken, de dienstensector en het toerisme.

Dichter Nazim Hikmet ging dood in Moskou en sprak in zijn verzen een laatste wens uit: hij wilde onder een plataan in zijn geboorteland begraven worden. Na zijn dood bleek de stad geen oor te hebben naar het testament van de dichter, de prioriteit was doorgroeien, zodanig doorgroeien dat de nabijgelegen steden werden opgeslokt, dat de hoge gebouwen de wind die van de Zwarte Zee komt aanwaaien begonnen tegen te houden, dat de wegen propvol zaten, dat twee hangbruggen boven de Bosporus niet voldoende waren en er plannen ontstonden voor een derde brug, dat de hijskranen het uitzicht van de stad domineerden… De walnotenbomen zijn al lang gekapt en een graf onder een plataan, daar praat men niet meer over.

Istanbul is een metropool die het van alle andere Europese steden moet winnen en in New York een concurrent van eigen gewicht kent – dat is het doel dat gehaald moet worden.

De hedendaagse Turkse metropool is zodanig omgevormd tot een centrum van financiën, kunst, toerisme, televisie, feesten en luxe woningen dat niet alleen de echte armen maar zelfs de modale Turk moet verkassen naar de rand van de stad, waar duizenden flatgebouwen klaarstaan om de niet welgestelde Istanbulu te omarmen. Voor de stad met vijftien miljoen inwoners komt de infrastructuur nu pas. Nieuwe wegen, metrolijnen in aanbouw, water, stroom, parken en scholen voor iedereen – zolang ze instemmen met een nieuw leven in die verre flats.

Zafer is geen man waar de schoenenpoetser Haydar iets aan heeft, hij draagt namelijk nooit ouderwetse schoenen die men kan insmeren. Zafer is 32 jaar, heeft communicatiewetenschappen gestudeerd, werkt bij een klein reclamebureau, weet alles over films en is niet gelukkig met het feit dat hij wegens geldgebrek een woning in een van de verre flats heeft moeten betrekken.

Wanneer Julia Roberts de spullen van Brad Pitt van het balkon smijt, Mel Gibson ten aanval trekt, Belly Harry haar kleren uittrekt, is Zafer er altijd bij. Hij ziet iedere buitenlandse film die in Turkije wordt vertoond. Deze man heeft een mening over de Nederlandse film Karakter, maar zit ermee dat hij tegenwoordig twee uur met de bus moet reizen om van huis naar de bioscoop te gaan.

Hij draagt een bril met dikke glazen, is kalend, klein en heeft een groeiende buik. Als hij zijn verjaarde studentenpas niet had, waarmee hij bij de bioscoop dertig procent korting krijgt, zou hij het niet weten. Het feit dat hij bij elk cafébezoek een poging doet de drankjes te betalen siert hem. Geen geld, wel een groot hart. ‘Voor mijn veertigste moet ik een hoop geld verdiend hebben. Ik wil mijn vrijheid. Geld is vrijheid. Ik wil reizen, mooie boeken kopen, mijn vrienden trakteren. Ook van mijn studentenpas wil ik af. Bij de kassa kunnen ze heel goed zien dat ik geen student meer ben. Uit beleefdheid zeggen ze niets. Het is best gênant eigenlijk.’

Zafer wil weg uit Istanbul. Hij leest over Canada. De hoofdstad, de grote steden, bronnen van inkomsten, Canadese filmsterren, het Frans­talige deel. Alles weet hij. Een keer belde hij me op en zei dat ik het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking moest raden.

’Waar?’ vroeg ik.

‘In Canada natuurlijk’, zei hij, en wachtte op mijn antwoord.

Hij was blij dat ik te laag schatte. ‘Nee’, zei hij, ‘het is twee keer zo veel. Vijftigduizend Amerikaanse dollar verdienen ze per jaar. Dat is wel wat anders dan die tienduizend dollar van ons.’

Drieduizend dollar heeft hij nodig voor de reis. Zijn oom heeft hem dat geld toegezegd. Een paar weken geleden praatten we erover in een café. We liepen vervolgens naar de dichtstbijzijnde bioscoop. Zafer toonde zijn studentenpas. Het meisje aan de kassa kneep een oogje dicht. Zafer wil weg uit Istanbul en het zal hem lukken ook. In the place to be, waar inmiddels drie­duizend Nederlanders permanent wonen, is er geen plek van waarde meer voor hem. De stad is één grote werkplaats, men pronkt met de explosieve toename van buitenlandse investeringen, in de hippe cafés hoor je mensen in alle westerse talen spreken. In de stad die als enige in de wereld door een zee in tweeën wordt gedeeld toont dat blauwe water haar schoonheid aan huizen die door welgestelde lui bewoond worden, maar Zafer ziet dat water amper meer.

‘Weet je dan zeker dat je Istanbul niet gaat missen?’

‘Maak je maar geen zorgen. In Canada ga ik van het leven genieten. Waarom moet ik een stad missen die lui als ons aan het verstoten is…’

‘Zelfs Atatürk kon niet zonder Istanbul.’

Zafer neemt een diepe trek van zijn Van Nelle – het grootste geschenk van Nederland aan de wereld – en er verschijnt een mooie glimlach om zijn lippen. Hij zegt: ‘Misschien kom ik dan ook net voor mijn dood terug. Om hier begraven te worden, als er tenminste nog grond over is om mensen te begraven.’

Als hij gaat, gaat hij in z’n eentje. Zonder vrouw en kind. Zafer kan wel in een flat ver van het centrum weggestopt zijn en hij kan aangewezen zijn op een schraal salaris, maar dit alles heeft hem een groot voordeel opgeleverd en dat is dat hij niet te lijden heeft onder een schone Turkse dame. Immers, de mooie vrouwen die in onderontwikkelde landen tijdens hun jeugd in hun vrijheid worden beperkt, ontwikkelen een ziekelijke vorm van eigenliefde, om op deze manier alsnog een beetje gelukkig te worden. Wat Turkse mannen moeten weten, is dat ze voordat ze trouwen het narcisme-gehalte van hun aanstaande goed moeten meten. Nooit de fout maken om de huwelijksboot in te stappen met een ‘prinses’. Vanwege geldgebrek heeft Zafer die meetlat nooit hoeven hanteren.

Dat geluk was Ali niet gegund. Deze Ali – medeverantwoordelijk voor de verbanning van schoenenpoetser Haydar en de filmgek Zafer naar verre oorden – is met een prinses getrouwd. Hij is verre familie van mij en ik wou dat ik deze zakenman, die de godganse dag in zijn Audi Q7 van de ene bouwplaats naar de andere rijdt, tijdig had laten kennismaken met de povere filosofie over de mooie vrouw in onderontwikkelde regio’s, ontstaan op grond van persoonlijke ervaringen. Maar ik was niet in zijn buurt toen hij tien jaar geleden, nog geen rijzende ster in het zakendoen, op een feestje op het mooiste meisje af ging en de volgende versiertactiek hanteerde: ‘Het spijt me dat ik u lastigval, maar ik wil u iets vragen. Bent u Turks?’ Het meisje antwoordde met een geoefend verwonderde blik: ‘Ja…’

Ali, die dit spelletje al met zoveel andere meisjes heeft gespeeld, is goed in zijn rol. ‘Ik wist niet dat er onder het Turkse ras zulke mooie meisjes waren’, zei hij en liep door naar achteren. Hij had het hart van het meisje, zijn aanstaande vrouw, ter plekke veroverd. De volgende dag belde Ali het meisje op, ze spraken af en daarmee werd het tijdperk van Ali als succesvolle zakenman ingeluid.

Het uiterlijk van Ali kan niet tippen aan dat van Leyla. Dat hij dit nooit mag vergeten, daar wordt hij thuis bij tijd en wijle aan herinnerd. De man draagt de schoonheid van zijn vrouw al als een zware last op zijn schouders. Leyla is een prinses die zichzelf het beste van het beste gunt. Als er vrienden op bezoek komen die een mooiere auto hebben, begint ze op de vloer te rollen en te janken als ze weg zijn. Ali moet dan een nieuwe auto kopen. Ze wil op wintervakantie, maar dan wel in een plaats waar de Turken komen die tot de beau monde behoren. Het is geen enkel bezwaar als haar cosmeticakosten maandelijks de pan uit rijzen, het spreekt vanzelf dat ze de mooiste, tevens de duurste kleding draagt. En dat ze nooit in Amerika is geweest, dat vergeeft ze Ali nooit.

Het moet gezegd, deze nooit aflatende eisen hebben van Ali, die tijdens zijn vrijgezellen­leven een flierefluiter was, een ijverig werkpaard gemaakt. Dat hij ooit een succesvolle zakenman zou worden, had hij nimmer in zijn hoofd gehaald. Hij begon als een simpele boekhouder bij een klein bedrijf. Zijn ijver viel de eigenaar van een groter bedrijf op, die hem een betere baan met meer verantwoordelijkheid en meer salaris gaf. Omdat ook dit salaris niet genoeg was voor Leyla opende Ali een boekhoud­kantoor. Als hij klaar was bij het bedrijf, ging hij naar zijn eigen kantoor om de werkzaamheden te inspecteren en contact te leggen met de klanten. De drang naar meer en meer bij zijn vrouw heeft gemaakt dat Ali thans bouwprojecten runt waar je u tegen zegt.

Als het zomer is liggen we soms bij het zwembad van het dure wooncomplex waar hij met zijn gezin woont. Hij houdt ervan om mij te pesten:.‘Waarom vertaal je je boeken niet in het Turks? Ben je bang dat we er achterkomen wat voor een waardeloze schrijver je bent’, grapt hij. Ik pak hem terug met opmerkingen over zijn almaar uitdijende buik. Soms bekruipt me de wil om te zeggen wat ik echt wil zeggen. De woorden ‘verlaat je vrouw, ga van je vrijheid genieten, dat is het beste voor jou en het beste voor Istanbul’ branden op m’n lippen, maar ik houd me in.

Ali ploetert verder en maakt met zijn zakelijke concurrenten een stad zoals een stad van het kaliber van Istanbul hoort te zijn: grote shopping malls langs brede straten, residenties voor de ceo’s, hotels voor de stad die daaraan een tekort heeft, nieuwe bruggen, tunnels onder de heuvels, een metrolijn die onder zee Azië en Europa met elkaar gaat verbinden…

‘We hebben een prachtige opdracht binnengehaald. Wij gaan een deel van Fikirtepe doen’, meldde hij kort geleden trots. Fikirtepe was de wijk van de Turkse en Koerdische sloebers en zigeuners die het presteerden om nog altijd vlak bij het centrum te wonen. Na lange onderhandelingen met de huizenbezitters is er een akkoord bereikt en hebben de arme huurders hun spullen moeten pakken om elders onderdak te vinden. De duizenden huizen met blik op de daken zijn nu gesloopt en worden door projectontwikkelaars als Ali vervangen door nog meer onbetaalbare woningen.

‘Waar gaat het heen met deze stad, Ali? Het lijkt wel of je erg boos bent en verhaal haalt door de ziel van Istanbul te teisteren.’

‘Ik snap niet waar je het over hebt. Kijk, we moeten zien te concurreren met andere metropolen. Istanbul heeft een mooie ligging, een prachtige historie en een natuurlijke schoonheid die je bij geen andere metropool tegenkomt. Wat is erop tegen om Istanbul tot de parel van Turkije te maken?’

‘Straks is de metropool ook voor je vrienden en familie te duur en blijf je in je eentje achter hier.’

Leyla komt erbij staan in haar bikini met tijgerprint en zegt trek te hebben in spaghetti met zalm. Die wordt besteld bij de cafetaria van het wooncomplex. Het is inmiddels spitsuur, de uren dat Haydar en Zafer in het verkeer zitten te zweten. We nemen hapjes van het ongelooflijk dure eten. De zon verdwijnt achter de plots gearriveerde zwarte wolken. Zo te zien gaat het snel regenen in de metropool. Misschien dat de druppels al op de daken van de eenzame flatgebouwen in de verre oorden neervallen. En misschien staan daar wel platanen en walnotenbomen.

Megasteden

Deze zomer besteedt De Groene Amsterdammer aandacht aan de nieuwe supermetropolen, die regionale centra van macht, armoede, drukte en ontwikkeling. Afgelopen weken kwamen Bogotá, Nairobi, Jakarta en São Paulo aan bod. Deze week Istanbul. Ten slotte volgt nog Delhi.

Meer dan de helft van de wereldbevolking woont in een stad. Volgens de VN zal in 2025 zelfs zo’n 70 procent van de wereldpopulatie in steden leven; in 1950 was dit nog geen 30 procent. Er ontstaan ook steeds meer megasteden met meer dan vijftien miljoen inwoners. Werk is een van de belangrijkste redenen waarom mensen naar de stad trekken. Verder spelen status, macht, internationalisme, sociale tolerantie en controle allemaal een rol in ’s werelds grootste steden.


Beeld: Eric Nathan / Arabianeye / Corbis