Ger Groot

Gesprek

Vraag: wie neemt nu de plaats van de filosofie in?

Antwoord: de cybernetica.

Vraag: of de vrome die zich openstelt?

Antwoord: dat is geen filosofie meer.

Het was 1966 en Martin Heidegger werd geïnterviewd door Der Spiegel. Van pc’s en neo-religiositeit had nog niemand gehoord. Pas tien jaar later, na Heideggers dood, werd het gesprek gepubliceerd. Nu is het opnieuw in het Nederlands verschenen onder de titel Alleen nog een God kan ons redden (Uitg. Klement). Het leest op sommige momenten alsof het gisteren gehouden was.

Geen lastiger filosoof dan Heidegger. Niet omdat hij zo moeilijk te lezen is. Het probleem ligt daar nog vóór. Moet je hem wel lezen? De ene helft van de Nederlandse filosofen ziet de andere helft in ademloze obsessie «heideggeren» en is daar op zijn beurt weer door geobsedeerd. Zoiets is schadelijk voor het gezond verstand.

Heidegger en zijn bestrijders zijn het op één punt met elkaar eens: wie zich met zijn denken inlaat, is voor de rest van de filosofie verloren. Sommigen van die laatsten weten waar ze het over hebben. Ze zijn zelf ooit adepten geweest, tot de meester van zijn voetstuk viel, al dan niet als gevolg van zijn troebele rol onder het nazi-regime.

Hun inkeer ging vaak samen met een verlate Engelandvaart. Na het failliet van de continentale wijsbegeerte moet het heil komen van de Angelsaksische. Bij een bekering wordt alles anders, behalve de rigoureuze scheiding tussen goed en fout.

Het Spiegel-gesprek geeft alle aanleiding voor reserve. Heidegger wringt zich in bochten om zijn optreden als universiteitsrector in het catastrofejaar 1933 te rechtvaardigen. Fraai is het niet, begrijpelijk wel. Ook dertig jaar na dato was Heidegger minder toegesneden op een morele heldenrol dan op het stellen van aanstootgevende vragen.

De meest schokkende uit het gesprek is die «of aan het huidige technische tijdperk eigenlijk wel een — en welk — politiek systeem beantwoordt». En voor wie het nog niet heeft begrepen voegt Heidegger eraan toe: «Ik ben er niet van overtuigd dat het de democratie is.» Dat is voor een denker met zijn achtergrond meer dan op het randje.

Toch is het een urgente vraag, nu nog meer dan toen. Gemediatiseerde politiek, cyberspace en vooral de netwerksamenleving lijken de democratie te veranderen in iets heel anders dan ze ooit is geweest, zo constateert Frank Ankersmit in het voorlaatste nummer van het tijdschrift Krisis (2002, nr. 2). Hij wil het woord «democratie» niet schrappen, maar vreest wel een machteloos bestel waarin we «een willoze speelbal blijven van onbegrepen en onbeheersbare krachten».

Heidegger noemde dat «techniek» en hij kon daarover niet zo nostalgisch zijn of hij moest toegeven dat er geen weg terug was. «Alleen een God kan ons redden», klinkt er dan in het Spiegel-gesprek, met vaak onbegrepen ironie, even nihilistisch als «God mag het weten». Van een filosoof verwachten wij hulp en dan horen we: ik kan jullie niet helpen, protesteert Der Spiegel. «Kan ik ook niet», antwoordt Heidegger laconiek.

Dat is te weinig en later corrigeert hij zich. De filosofie moet de mens helpen «tot een adequate verhouding tot het wezen van de techniek» te komen. Maar de angel van Heideggers ongeloof aan de democratie blijft steken, alsof er iets obsceens is gezegd. Geen politiek denker waagt het daarover ooit méér dan methodische en hypothetische twijfels op te werpen, bedoeld om onmiddellijk te worden weerlegd. Rond het taboe van de democratie is iedere discussie een simulatiespel waarvan de uitkomst vaststaat.

Misschien kan zelfs de filosofie niet zonder taboes, maar het zou haar sieren als ze dat toegaf. Heidegger zelf dankt zijn onverteerbaarheid waarschijnlijk minder aan zijn opinies dan aan het feit dat het denken daarmee iets onverteerbaars tegenover zich vindt. Het geeft zijn eigen onaanzienlijkheid niet graag toe, of dat nu tegenover de techniek, de onaanraakbare democratie of een hardnekkig irriterende wijsgeer is.

Pesterig houdt Heidegger zijn getergde lezers elders Hölderlins gevleugelde woorden voor: Waar het gevaar groeit, groeit het reddende ook. De situatie is uitzichtloos maar niet wanhopig: dat is ook de toon van het Spiegel-gesprek. Weg van alle Duitse zwaarte en continentaal-Angelsaksische controverse, weerklinkt daarin plotseling een oer-Engels ironisch flegma.