De kijkmachines van sculptuurkunstenaar Krijn de Koning

Gestaag voortvarend

Met zijn site specific sculpturen verwerft de Amsterdamse kunstenaar Krijn de Koning bekendheid in binnen- en buitenland. Zelf spreekt hij van «kijkmachines». «Ik heb een religieus ontzag voor de werkelijkheid.»

We rijden ter hoogte van Leidsche Rijn als Krijn de Koning naar buiten wijst en zegt: «Zie je die Vinex-wijk, daar verderop? Een Deense kunstenaar heeft daar een anwb-bord neergezet met de tekst ‹Afghanistan: 5012 km›. Ik zie dat als een statement. Zo van: jullie zitten hier lekker in jullie burgerlijke cda-wijk, terwijl ze een paar duizend kilometer verderop onmenselijk lijden. Die stelligheid, ik hou daar niet van. Het getuigt van een raar soort paternalisme; alsof ze in Afghanistan geen burgerlijkheid kennen, of zouden wensen. Je leest de laatste tijd vaak dat Nederlandse kunstenaars zich weer met de werkelijkheid bezighouden. Vreemd, want ik ken geen kunstenaars die dat ooit niet hebben gedaan. Kennelijk is kunst pas maatschappelijk relevant wanneer zij ferme standpunten inneemt – een zeer demagogische gedachte.»Aan het stuur zit een jongensachtige man – spontaan, ad rem, beweeglijk. Nu en dan wijst hij zijn passagier op een bezienswaardigheid: de vervallen schuurtjes bij een moestuin of een kunstwerk van eigen hand. Van die laatste heeft hij er inmiddels een dikke honderd gemaakt, zowel tijdelijk werk als permanent, voor binnen- en buitenland. Het zijn wonderlijke objecten: strak, ongepolijst, architecturaal. Officieel heet het werk site specific: kunst waarin de directe omgeving wordt opgenomen, zelf spreekt hij liever van «kijkmachines». Over belangstelling heeft hij niet te klagen: het Stedelijk Museum Amsterdam kocht werk, net als Museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam en voor komend jaar staan projecten voor de Amsterdamse Zuidas, Pakt Amsterdam, Berlijn, Frankrijk en een leegstaande melkfabriek in Meppel op het programma.
Deze ochtend gaat het naar Schiedam, waar De Koning (1963) in Het Stedelijk Museum een sculptuur moet opleveren. Echt ontspannen is hij niet: hij heeft het werk slechts gezien als maquette, bovendien wordt hij om twee uur weer in Amsterdam verwacht om een speurtocht uit te zetten voor het feestje van zijn dochter die vandaag zes is geworden.

Per telefoon houdt zijn vaste timmerman hem op de hoogte van de laatste vorderingen. Het gebeurt steeds minder vaak dat hij zelf zijn projecten realiseert. Dat heeft te maken met zijn gezondheid («als ik zelf ga staan zagen, verga ik de volgende dag van de rugpijn»), maar ook met zijn capaciteiten als knutselaar: «Op een gegeven moment ontdek je dat je bij sommige werken het maken zelf beter kunt overlaten aan mensen die daar echt goed in zijn.» Ook op planologisch niveau zijn er beperkingen: «Ik ben geen architect, zal het ook nooit worden.» Daarvoor heeft hij niet de vakkennis: «Architectuur moet slim zijn. Én mooi. Én probleemoplossend. Kunst hoeft dat allemaal niet. Kunst is vaak wanhopig en chaotisch. Het is – los van alle serieuze intenties – toch desperaat om een paar schotten in een ruimte te zetten en te denken dat daar schoonheid en inzicht uit voortkomen?»Voor advies over het daadwerkelijke bouwen wendt hij zich tot Anne Holtrop, die pas is afgestudeerd aan de Academie van Bouwkunst in Amsterdam. Holtrop maakt zijn maquettes en onderwerpt zijn plannen aan een kritische inspectie. Eerder deze ochtend ging het over de kleur van een werk voor een park in Amsterdam. De Koning dacht aan groen; Holtrop opteerde voor wit. Heikel punt was de ondergrond: die was nog niet bekend. Werd het beton, modder of toch gras? De Koning: «En dan nog: we weten niet wat voor kleur dat gras heeft.» Holtrop: «Gras is altijd groen, Krijn.»Vindt-ie prettig, die feedback. Hij heeft graag mensen om zich heen. Het nieuwe atelier dat hij straks betrekt, hoopt hij te delen met geestverwanten: met Holtrop, met een vormgever en met zijn nicht die restaurantgidsen maakt. Dat nieuwe atelier is noodzaak. Thuis blijven werken, zoals hij nu doet, is geen optie. Al die zakelijke contacten over de vloer, hij heeft er een hekel aan. Thuis is privé. Ook voor de media, ja. Want natuurlijk zijn er dingen in zijn leven waar hij moeite mee heeft: dingen die hem pijn doen. Maar dat is zíjn leven: «Het is tegenwoordig normaal om je leed uit te melken. Het gevaar is dat je het gaat koesteren.» Hij geeft een voorbeeld: «Iemand kan terloops een verhaal vertellen over zijn alcoholische verleden. Dan zal dat imago hem altijd aan blijven kleven, terwijl het leven constant in verandering is en je de dingen ook ten goede kunt veranderen.»Hij geeft het toe: een strakke planner is hij na zestien jaar zelfstandig ondernemerschap nog altijd niet. Zijn deadlines haalt hij net. Nuchter: «Zo’n oplevering als vandaag zou ik het liefst per telefoon doen.» Wanneer we even later het stadje binnenrijden, blijkt hij toch wel opgewonden. En, vooruit, een tikkeltje zenuwachtig: «Het beste wat je kan overkomen is dat je verbaasd wordt door het werk. Dat je echt zoiets hebt van: wow!»

De ruimte in kwestie blijkt een achttiende-eeuwse isoleercel. Ruwe bakstenen wanden, kruisrib gewelven, tralies voor de ramen. Holtrop is er, de timmermannen, de conservatrice. De sculptuur – een lang, bruin object, met bijpassende krukjes – is zo goed als af. De Koning loopt er een paar keer omheen, beklopt het hout, gaat op een krukje zitten. Hij is tevreden. De afmetingen zijn «lekker» en het werk is «goed gefragmenteerd». Alleen de vitrinekasten die het museum alvast heeft opgehangen, brengen hem aan het twijfelen. Zouden die niet in het werk geïntegreerd kunnen worden? Holtrop raadt het hem af.

De sculptuur, zegt De Koning, is mooi én functioneel. Kinderen kunnen er straks spelen, directieleden vergaderen. Een scherp oog voor de menselijke omgeving heeft hij altijd al gehad. Sommige kinderen vinden het vervelend wanneer ze op vakantie met hun ouders kerken moeten bezoeken; hij vond het fascinerend: «Ik heb een haast religieus ontzag voor de werkelijkheid. Kunst is een manier om die werkelijkheid te transcenderen. Net als religie. Twee jaar geleden werd ik uitgenodigd om een groot werk te maken voor een kapel in het Franse plaatsje Thouars. Ik heb daar een houten vloer aangebracht, over het hele oppervlak, op tweeënhalve meter hoogte, vlak onder de glas-in-loodramen. Een wezenlijk fysieke ingreep: normaal sta je beneden, in de krochten. Maar nu liep je een gangetje door, ging je die trap op en… bam! Je stond vol in het licht. Een bijzondere humanistische gewaarwording.»Bezieling, daar gaat het hem om. Dat je als kunstenaar gelooft in je werk, dat je je er met hart en ziel in stort. Daarom houdt hij ook zo van de oude meesters, van Rembrandt, van Caravaggio, van Grünewald. Bevlogen: «Een poosje terug zag ik in Düsseldorf een middeleeuws schilderij van Jezus die werd gedragen door een paar engelen – fysiek een volstrekt onmogelijke voorstelling. Maar het geloof waarmee dat geschilderd was! Die oude meesters koesterden geen enkele argwaan tegen het beeld. Wanneer ze een voorstelling schilderden of zagen, dan viel die voorstelling samen met de gebeurtenis. Dan wás het de gebeurtenis! Dat zie je terug in dat werk: daar gaat een enorme overtuiging van uit – iets wat ik ook voor hedendaagse kunst van groot belang acht.»Het gezelschap maakt een inspectierondje. Hier mist een blokje, daar zit een barstje. Over twee weken moet alles klaar zijn, want dan komt koningin Beatrix het museum openen. Het lijkt de directie aardig als De Koning dan bij zijn sculptuur gaat staan. Die voelt er zelf meer voor om een kinderklasje als bezetenen te laten tekenen, schilderen en knutselen op het beeld: «Ik wil zo’n modelklasje, met vier blonden, twee donkeren en een heel brutale.» «En een paar allochtonen!» roept de timmerman.Op de weg terug vertelt hij over zijn tekeningen. Als kind tekende hij alles: strips, landschapjes en in zijn late puberteit «de meest pathetische dingen» die je ooit hebt gezien: surrealistische slangenmensen met stempels van Mao, Stalin en Hitler – «aandoenlijk, typisch voor iemand die net op een academie zit en stormachtige ontwikkelingen doormaakt. Echt verschrikkelijk». Hij genoot zijn opleiding aan de Gerrit Rietveld Academie, De Ateliers en het Institut des Hautes Etudes en Arts Plastiques in Parijs. Vooral op de Rietveld Academie had hij een «fántástische» tijd: «Dat was een grote speelplek waar je geweldig werd gestimuleerd. Toen nog wel. In de jaren negentig ontstond er op kunstacademies zo’n semi-professionalisering, waardoor jonge mensen een thema moesten kiezen – van klein naar groot werken en daar dan een tekstje over schrijven. Bij mij was het veel minder theoretisch. Wij werden vooral gestimuleerd om te doen. Zo hoort het. Kunstenaar zijn betekent: kunst maken.»Niet dat hij geen waarde hecht aan reflectie, integendeel. De laatste jaren is hij juist bedachtzamer geworden. Wat hij beoogt met zijn werk; wat hij teweeg wil brengen; wat die werkelijkheid waarin hij opereert precies is – het zijn vragen die hem bezighouden: «Veel kunstenaars zijn alleen maar bezig met het uitventen van hun obsessies en het bezweren van hun nachtmerries. Die expressiviteit slaat al snel door in het uitbraken van allerlei private gedachtes en voorstellingen waarop niemand zit te wachten. De generatie die na mij van De Ateliers kwam, maakte vooral een gebaar. Ik wil dat niet, kán dat ook niet. Mijn angst om ondubbelzinnig werk te maken dat na vijf jaar rücksichtslos aan de kant wordt gezet, is daarvoor te groot.»Nee, een kunstenaar van het «wilde gebaar» zal hij nooit worden. Dat komt ook door zijn karakter: hij heeft een ingebouwde drang naar harmonie, is liever genuanceerd dan stellig. Dat hij daarmee wellicht een bepaald publiek uitsluit, het zij zo. Hij doet in ieder geval geen concessies: «Ik ben er niet mee bezig of mijn werk goed in de markt ligt. Ik ben een gestaag voortvarend schip, en dat moet maar zo blijven.»
Werk van Krijn de Koning is te zien op: www.krijndekoning.nl

Stedelijk Museum Schiedam (educatieve ruimte), vanaf 8 april; Pakt Amsterdam, een samenwerkingsproject met fotograaf Gertjan Kocken, vanaf 7 april