Gestaalde kaders

Poëzie die moedwillig rookwolken optrekt, bestaat nauwelijks. Het begrip hermetisch is vaak gebaseerd op een veronderstelling. Of poëzie werkelijk in volle betekenis moeilijk is, dat valt te bezien. De drempel die poëzie voor velen heeft is er eerder een van schijn, de schijn van ingewikkeldheid. ‘Blijf lezen, dan ontstaat begrip vanzelf’, schreef Paul Celan. Ik kan me althans niet voorstellen dat iemand expres en doelbewust de lezer tegenhoudt. Maar wat te doen met Vederbeds lumière, de vierde dichtbundel van Lucas Hüsgen?

Mijn eerste publicatie betrof een roofdruk. Bij de drukkerij waar de kaft van mijn eigen-beheerbundeltje gedrukt werd, werd ook het blad De zwarte [http://zwarte.squat.net/] in elkaar gezet. Het was de Haagse pendant van Bluf!, een blad voor het actiewezen. Grappig was de telkens wisselende ondertitel van het blad waar de beweging enige zelfspot mee toonde. ‘Blad voor gestaalde kaders’. ‘Weekblad tegen voorjaarsmoeheid’. Op 13 december 1985 stond er plotseling een gedicht in. Aan literatuur deed het blad niet veel. Het was de meest nabije outlet voor de actiegroep ‘De wraak van Meester Jonkheer de Braauw’, die stukken uit ministeries ontvreemdde.
Groter wantrouwen tegen kunst en literatuur vanuit de autonome beweging ervoer ik een aantal jaar later, toen ik voor het linkse blad Konfrontatie een tijdlang een cultuurbijlage genaamd ‘Het Katern’ maakte. De vaste redactie had geen moeite met grote cultuurfilosofische stukken van Henk Oosterling, Cor Gout of Geert Lovink. Probleem vormden de kleine, verstrooiende bijdragen. Een column, een mooi stuk van Roel Bentz van den Berg over popmuziek, of een gedicht. Wat daar nu precies mee gezegd werd, politiek gesproken, dat was onduidelijk.

Het was een grimmige tijd. Konfrontatie drukte de verklaringen af van RaRa. De echtgenote van Hans Janmaat (leraar maatschappijleer op het Sint-Janscollege) was inmiddels haar benen verloren bij een demonstratie in Kedichem. Het Haagse kraakpand De Blauwe Aanslag was een volle week belegerd door greenjackers, waar geen enkel medium aandacht aan besteedde. Alleen later, in het engagementsnummer van De XXIste eeuw, verscheen een verslag van Hans de Bruin en Adriaan Bontebal. Wat er over was van die beweging, tijdens een vergadering van Konfrontatie in Den Bosch, was een vrij stuurse, enigszins verbeten kerngroep.
Chris Keulemans zei tijdens het studieuze programma Zonegrens: Onderstromen in de kunsten van de jaren tachtig in het Korzo-theater, dat in boekhandel De Verloren Tijd in Amsterdam weliswaar de krakersradio De Vrije Keijser aanstond, maar dat het daar ook bij ophield. Terwijl volgens hem in steden met kleinere subculturen zoals Nijmegen en Den Haag de schrijvers van die tijd zelf midden in ‘de beweging’ zaten, zodat de literatuur en het actiewezen meer ineenhaakten. Irun S. zou debuteren met de roman Charges. Adriaan Bontebal, ooit de Simon Carmiggelt van de kraakbeweging, was zelf een van de krakers van De Blauwe Aanslag.
Wat voor de redactie van Konfrontatie precies het verontrustende was aan een tekst zonder politieke stellingname kan ik niet achterhalen. Het kan zijn dat de mogelijkheid tot verschillende interpretaties irriteerde, zeker voor de politieke hardliners. Deze haine de poésie, om er een titel van Bataille bij te slepen, steekt nog steeds wel eens de kop op. Poëzie zou hermetisch zijn, zich in een ivoren toren begeven, het zouden cryptogrammen zijn die alleen door zekere ingewijden begrepen worden. Dichters die toch al in een kleine biotoop leven, zouden moedwillig de deur dicht houden. Hans Verhagen gaf op de radio de meest duidelijke repliek: ‘En dan snappen ze het niet, en dan geven ze jóu de schuld dat zíj het niet snappen!’
Het is natuurlijk ook het Calimero-effect. Dichters die afgerekend worden op hun eigen dialectiek, terwijl in de grote werelden van de roman of de film er met minder dédain over de drempel heen wordt gekeken. Astrid Lampe merkte onlangs op dat hermetisch ook een andere betekenis kan hebben: ‘Sluitend, kloppend, no escape.’ Ze las enkele gedichten van Hugo Claus in Passa Porta, het tweetalige literatuurhuis in Brussel, en sprak over de ‘weggemoffelde, hermetische kant’ van zijn werk. Op het moment dat het gedicht hermetisch is, opent volgens Lampe zich de taal.

Ik heb tot vandaag nog nooit een gedicht gelezen van Lucas Hüsgen. Dat klinkt een beetje als een ontboezeming op deze plek, maar zo is het nu eenmaal. Hüsgen publiceerde twee essayboeken bij Van Tilt: Nee, maar het gebeurt (2003) en Wat een romantische droom (2007). Hij assisteerde uitgever Henk Hoeks bij de SUN. Zijn tweede dichtbundel STOA verscheen als diskette: het betrof zoveel tekst dat het een veel te dikke bundel zou worden. Ook zijn vierde dichtbundel Vedersbed lumière is uitgebreid: 141 volbedrukte bladzijden op redelijk groot formaat, met gedichten die doorlopen over meerdere pagina’s. De bundel is opgezet als een traktaat. Hij heeft vier afdelingen met vier series gedichten, genummerd I.1 tot en met IV.4.
De poëzie van Hüsgen heeft de naam ontoegankelijk te zijn. Met Lampe en Marc Kregting en F. van Dixhoorn verzorgde hij het vrolijke voorleesprogramma Overige bestemmingen, waarin vooral veel door elkaar werd gelezen. Het viertal noemde zich met een soort geuzennaam hermetici, maar ook daarbij leek zelfspot in het spel. Vederbeds lumière bevat poëzie die niet onmiddellijk de neiging heeft zich in je geheugen vast te zetten. Behalve een wij-figuur is het eerste zelfstandig naamwoord dat in de bundel opduikt ‘ichtyosaurus’. In de tweede serie komt daar een zonodig nog onbekender uitgestorven diersoort bij, de ‘glyptodont’. Op de allereerste bladzijde zijn er ‘varanen die met hun klauwen/ het verleden verlengen, c.q. wissen/ in de kreek’.
Het klinkt spannend bij Hüsgen. ‘Lees je de brief/ waarin roet/ handen trof?’ Maar het is ook plechtstatig en in dat plechtstatige een beetje raar: ‘waar meloenenverkoopster/ lamlendigheid betreurt’. Ik herken een verwantschap met de dichter Han van der Vegt, die ooit een aardige ingetogen bundel genaamd Oker (IJzer, 1993) publiceerde, maar daarna vond dat poëzie niets met de stilte te maken had en plotseling ging performen als hij voordroeg en zeer lange gedichten begon te schrijven. Je zou zeggen dat een merkwaardig en verbijzonderd taalgebruik als dat van Hüsgen goed tot zijn recht komt in minimale doses. Maar ook hij kiest voor de breedte: ‘…opdat/ in beroezenis onbedeurde glyptodontie/ opstoomt in gordels middels de ontvensterkunst’.

Het is niet strikt hermetisch wat Hüsgen schrijft, het biedt allerhande referenties. Het is eerder zo dat hij met zijn taalgebruik uit de verstandhouding met zijn lezer wegzwemt, die met mij althans, en daarbij fikse slagen maakt. ‘Een prettig moment: airco zwiept en zindert’ staat er plots tussen twee asterisken in, tekens die om de zoveel strofen terugkeren alsof de dichter schrijffragmenten heeft gestapeld. Vaak heeft hij iets joligs: ‘de vroegrijpe die een boertje/ joeg langs de boerderette’.

Dichter, beambte van de mogelijkheden,
smikkelt: een altruïstisch verheugen
op zijn eigen wekelijks verassen,
bij wijze van bedrijfsuitstapje
naar de maan en de zon die het meest adequaat
zijn knekelen verwoorden.
(…)

Hüsgen valt te volgen, maar als hij op dreef raakt wordt hij cerebraal en hoogdravend. Gaat het hem dan toch om ontregeling? Tot tweemaal toe heeft hij het in de eerste twee gedichten over ‘holle handen’. Hij heeft iets klassieks over zich - de bundel refereert aan het begin van de filmkunst.

De drempel die poëzie voor velen heeft, lijkt een spraakverwarring. Een heel andere dichter, de Vlaming Kurt de Boodt, schrijf in zijn meest recente bundel Waarop de klok ontwaakt: ‘de orang-oetan is al dat er staat/ niet wat er staat gedoe moe’. Ook Geert Buelens signaleerde dat juist die vermeende diepzinnigheid dat er iets anders zou staan dan er staat, lezers buitensluit. Kees Ouwens zei op een video terwijl hij met een trillende vinger naar een gedicht van hem wees: ‘Er staat wel wat er staat!’ Het betekent niet dat we ons tegen Martinus Nijhoff keren met zijn fraaie regels uit het gedicht Awater: ‘de schrijfmachine mijmert gekkepraat./ Lees maar, er staat niet wat er staat.’ Hoogstens is er een publiek dat de betekenis van die regels iets te letterlijk heeft genomen, en dat de dusgedachte aanhangt dat in poëzie niets meer is wat het lijkt te zijn en je toch altijd misgrijpt. En precies daar zit het hele eieren eten nou eigenlijk.

Ik heb Vederbeds lumière niet besproken: ik las net maar twee gedichten uit de bundel.
Jaren na mijn verstandshuwelijk met het politieke maandblad Konfrontatie liep ik een hotelkamer binnen om mijn gage te ontvangen voor een voordracht voor Crossing Border in het tegenovergelegen Theater aan het Spui. De boekhouder, die me het contract liet tekenen en de envelop klaarlegde, kwam me bekend voor. ‘Jij dacht zeker dat je weer eerst een revolutionaire eed moest afleggen’, grapte hij. Onthutst stapte ik de lift in.

Lucas Hüsgen, Vederbeds lumière. Querido, 144 blz., € 19,95