Michael Pye: De stukken uit Berlijn

Gestolen goed, gestolen levens

Michael Pye

De stukken uit Berlijn

Vertaald door Paul Syrier

Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 295 blz., € 18,50

De Amerikaanse historicus, radiojournalist en schrijver Michael Pye is in zijn romans gefascineerd door misdadigers of buitenstaanders die ver weg van een bezwaard verleden een nieuw bestaan willen opbouwen. De geheimen die ze meetorsen, barsten vroeg of laat naar buiten, met desastreuze gevolgen. De Hollandse Grietje Reyniers in De waterkelder (1995) wordt rond 1642 de eerste hoer van Nieuw Amsterdam (het jonge New York) maar komt in haar nieuwe heden moord en doodslag tegen. Haar oude Amsterdamse jeugd begint ook te knagen. In Gestolen levens (1999) laat de Nederlandse seriemoordenaar Martin Arkenhout in de Nieuwe Wereld een spoor van lijken na. Hij neemt steeds de identiteit aan van zijn slachtoffers, om aan arrestatie te ontkomen.

De identiteit van het Pye-personage is zo vloeibaar en ongrijpbaar dat niemand er vat op kan krijgen. Pye’s nieuwe historische roman, De stukken uit Berlijn, is actueel omdat hij zijn hoofdpersonage een halve eeuw na de Tweede Wereldoorlog alsnog de straf laat ondergaan voor een misdaad: kunst- en antiekroof van joden in het Berlijn van 1940-1944. De courtisane Lucia Müller-Rossi — afkomstig uit een Milanese bankiersfamilie, getrouwd met een Zwitserse sul en wonend in Duitsland — leefde in haar jeugd in «een vergulde doos». Haar bestaan in Milaan vergeleek ze met een theatervoorstelling. Ze wordt verteerd door een verlangen naar een groots en meeslepend leven en beseft dat ze haar eigen leven moet uitvinden. Dat krijgt uiteindelijk gestalte in haar Berlijnse oorlogsjaren, weg van haar man die onder de wapenen wordt geroepen.

Met haar zoontje Nicholas weet ze te overleven. Ze specialiseert zich in kunstroof, verraad, heling, chantage, afpersing. Nicholas, die vaak alleen achterblijft in hun flat in een door geallieerde bombardementen geteisterde stad, vraagt zich nauwelijks af wat zijn vaak afwezige moeder uitspookt. «Hij vond het vreemd dat je alles, van het voeren van oorlog tot de problemen van de joden en de prijs van steenkool, tegelijkertijd wist en niet wist.» Hij is een uitgesproken buitenstaander die zich ophoudt in een grensgebied van intens bewustzijn en totale verdringing.

Ook hij, zoon van een moeder die in alles en iedereen — inclusief haar eigen lijf — handel ziet en zich als een kameleon gedraagt, is later genoodzaakt zijn eigen leven te scheppen. Hij weet dat hij met zijn moeder Berlijn is ontvlucht en dat ze in 1944 met een colonne van zeven met gestolen goed beladen vrachtauto’s Zürich wisten te bereiken. Maar weet hij ook dat de waardevolle doorgangspapieren rechtstreeks van Himmlers kantoor afkomstig waren? Als professor die een boek over de historische toneelstukken van Shakespeare heeft geschreven, is hij het contact kwijtgeraakt met zijn moeder, die in Zürich een florerende zaak in kunst en antiek drijft. Totdat de Duits-Britse Sarah Freeman (Lindemann) voor haar etalage staat en een tafel uit haar gewiste Berlijnse bestaan herkent. Op dat moment overvalt het verdrongen en verzwegen verleden de zoon en de moeder, waarna beiden hun eigen doodlopende weg wel moeten bewandelen en hun leven weglekt. Of zoals Sarah Freeman het tegen kunstroofster Lucia zegt: «U hebt geen biografie meer (…). Autobiografie, moet ik eigenlijk zeggen… het verhaal dat u uzelf vertelt. En daarom hebt u geen persoonlijkheid meer.»

De stukken uit Berlijn is indrukwekkend als Pye zich concentreert op de hopeloos met elkaar verstrengelde levens van moeder Lucia en zoon Nicholas. Schitterend zijn de beschrijvingen van de Berlijnse jeugd vol bommen, volgend op het portret dat Pye schildert van Lucia in haar beschermde wereldje in Milaan. Kan een kind medeplichtig zijn aan de misdaden van een moeder? Het is een vraag die Nicholas zichzelf stelt. Hij komt er niet uit, en zijn moeder ontwijkt hem als hij een laatste poging doet het verzwegen verhaal uit haar te krijgen. Wat weet hij, wat verdringt hij? Hoever kan een mens gaan in het wissen van zijn eigen onverdraaglijke verleden? Die vragen beantwoordt Pye met een reeks vertellingen die cirkelen rond één woord: roof. Kunstroof en roof van identiteit.

Jammer alleen dat Michael Pye een bronnenverantwoording achterin zijn roman opnam. Daarin staat dat zijn Lucie-verhaal over roofkunst en kunstroof een pendant in de geschiedenis heeft. In een boek over de Zwitserse kunsthandel heeft hij een verslag gelezen «van de misdaden van deze dame» naar wie Pye zijn Lucia heeft geschapen. Overbodig, omdat Pye met zijn opmerkingen zijn roman moralistischer maakt dan nodig is. De beste literatuur gedijt als alle ethische commentaar wordt weggewerkt, de lezer zonder opgeheven vingertje van verteller of schrijver doordringt in alle donkere kamers en duistere hoofden, en het verhaal over misdaad en dood zijn eigen gang gaat. Hoever kunnen mensen in hun verzwijg- en destructiedrift gaan? Soms verder dan onze stoutste verbeelding of verwachting.